Uitgangspunten
1.Gedrag, gevoelens, gedachten en interacties worden
bepaald door ons onbewuste
Leven w beheerst door irrationele & onbewuste ervaringen, wensen,
angsten, verlangens die niet altijd met elkaar in harmonie zijn.
Onbewuste is ontoegankelijk voor het bewuste, we kennen het niet & we
kunnen het niet kennen
Eigen gedrag kunnen we NIET volledig zelf sturen, niet bewust richting
geven aan leven
Leven beheerst door oncontroleerbare krachten (Id)
Hoe aan bewuste komen?
= techniek v/d vrije associatie, patiënt ligt neer & vertelt alles wat in hen
opkomt
2.Gedrag, gevoelens, gedachten en interacties worden
bepaald door onze eerste levensjaren
Wat toen wel / niet gebeurde is bepalend voor de rest van ons leven
Het verleden ( belevenis ervan & betekenis die we eraan geven ) stuurt
ons huidig gedrag
Wijze waarop we als kind een psychoseksuele ontwikkeling
doormaakten is bepalend
Complexe mix van psychologische, emotionele, sociale factoren
Infantiele (seksuele) ervaring die we als kind tijdens die psychoseksuele
ontwikkeling opdoen, de conflicten die hieraan inherent zijn bepalen onze
latere:
- Seksuele identiteit
- Relaties
- Zelfbeeld
Alles gekleurd door ervaringen uit kindertijd
In relatie hulpverlener & patiënt kunnen elementen terugkeren uit de
kinderjaren:
- Overdracht = patiënt herkent onbewust ouder in therapeut, hervalt
in eigen vroegere relatiepatroon
1
, - Tegenoverdracht = therapeut herkent onbewust ouder in cliënt,
hervalt in eigen vroegere relatiepatroon
3.Psychoanalytische benadering gaat uit van een
conflictmodel
Innerlijke conflicten: wensen & verlangens VS idealen & normen
Verschillende conflicterende gedachten & gevoelens
Conflict tussen ID & SUPER-EGO
ID = oerdriften / aangeboren
SUPER-EGO = geweten, wat mag / niet mag
Conflict constructieve (levensdrift) & destructieve (doodsdrift)
Eros VS Thanatos spanning VS spanningsloos
4.Psychoanalytische benadering gaat uit van
casestudy’s om aan wetenschap te doen
Grondige & langdurige analyse om hoe / waarom menselijk gedrag te
begrijpen
Individu voorop! Geen algemene wetmatigheden
Idiografisch! = unieke wetmatigheid
2
, H4: behavioristische benadering
Uitgangspunten:
1.Gedrag, gevoelens, gedachten en interacties worden
bepaald door externe prikkels in onze omgeving
Periferalistisch = prikkels in omgeving is oorzaak van gedrag (factoren
buiten individu)
GEEN plaats voor persoonlijkheidsverschillen
Gelooft dus NIET in vrije wil / keuzevrijheid =deterministisch
2.Gedrag, gevoelens, gedachten en interacties worden
bepaald door wat we geleerd hebben
Tabula rasa = als onbeschreven blad op de wereld
GEEN aangeboren eigenschappen
WEL wat we hebben meegemaakt & geleerd
Optimistische visie: alles is aangeleerd DUS kunnen we ook alles afleren
(ongewenst, afwijkend gedrag)
3
, Gedrag mensen = gedrag dieren --- Gedrag kinderen = gedrag
volwassenen
3.Behavioristische benadering gaat uit van nurture-
model
Omgevingsfactoren als oorzaak
Invloed v/h milieu & opvoeding staat centraal
Pedagogisch optimisme
Verschil man & vrouw: gedragsverschillen worden bepaald door impliciete
opvoedingspraktijken & maatschappelijke vooroordelen / stereotypen.
Maar ook door erfelijke factoren (nature-model, tegenhangers
behaviorisme)
4.Behavioristische benadering gaat uit van een
positivistisch wetenschapsmodel
Objectiviteit staat centraal (waarneembaar gedrag)
Black box met gedachten, gevoelens, verlangens. Enkel in- & uitvoer
bestuderen, wat i/d mens afspeelt: onzichtbaar (SR-mechanisme)
Realiteit verknippen in kleinere delen om die te kunnen bestuderen =
reductionistisch
Complexe gedragingen terugbrengen naar aaneenschakeling
eenvoudige reacties (R) op eenvoudige stimuli (S)
Lineair causale verbanden = oorzaak-gevolg redenering
4