NEUROPSYCHOLOGIE
HOODSTUK 9
Apraxieën
, Hoofdstuk 9: apraxieën
9.1 De complexiteit van alledaagse motoriek
Een eenvoudige dagelijks handeling is al gecompliceerd, er zijn veel hersengebieden bij betrokken
Gesimplificeerd: De ‘motorische impuls’ begint in de motorische schors (de gyrus precentralis), in het
overeenkomende projectiegebied (arm, hand, been, voet, enz.). Vervolgens wordt deze impuls via de
piramidebaan (en andere banen) naar de voorhoorn van het ruggenmerg geleid en daar worden de
motoneuronen (motor-units) geactiveerd. De spier contraheert en de handeling wordt uitgevoerd.
De primaire motorische schors, de motorische banen, de motoneuronen en de spieren worden hier
gerekend tot het ‘bewegingsapparaat’, een mechaniek dat uiteraard gesmeerd moet lopen.
Bij een handeling horen drie deelprocessen:
a. De waarneming voorafgaande aan de handeling (ex-afferentie): primaire sensoriek, visuele
gnosis, ruimtelijke aspecten
b. De handeling zelf (motoriek in engere zin): adequate handeling, handelingsprogramma,
deelbewegingen, timing en snelheid, lichaamshouding/spiertonus, begin en einde.
c. De feedbackwaarneming als gevolg van de handleiding (re-afferentie): proprioceptieve
feedback, sensorische feedback.
Bij al deze deelaspecten zijn verschillende hersengebieden betrokken. Handelen en waarnemen zijn
onlosmakelijk aan elkaar verbonden.
9.2 Soorten handelingen
Er zijn diverse indelingen van handelingen, motoriek:
Spontane motoriek: op basis van emotie of cognitie (VB: een gebaar maken dat een gevoel uitdrukt,
uit een stoel opstaan zomaar, besluiten iemand te bellen en de hoorn pakken).
Extern uitgelokte motoriek: op basis van een stimulus (VB: van de stoel opspringen omdat de bel
gaat). Het is niet helemaal te scheiden. Er is eigenlijk altijd een stimuli (intern of extern). Het is vooral
een gradueel verschil. Bij spontane motoriek ligt de initiërende factor bij het individu (de wil). Bij
externe motoriek bevat de omgeving de initiërende factor.
Emotie-cognitie indeling gaat over ander aspect van handelen. Emotie: lachen bij grap, vloeken.
Cognitie: schaakspel.
Automatisch-bewust indeling.
Discreet (1 keer opstaan uit stoel)-continu (lopen constant aanpassen).
HOODSTUK 9
Apraxieën
, Hoofdstuk 9: apraxieën
9.1 De complexiteit van alledaagse motoriek
Een eenvoudige dagelijks handeling is al gecompliceerd, er zijn veel hersengebieden bij betrokken
Gesimplificeerd: De ‘motorische impuls’ begint in de motorische schors (de gyrus precentralis), in het
overeenkomende projectiegebied (arm, hand, been, voet, enz.). Vervolgens wordt deze impuls via de
piramidebaan (en andere banen) naar de voorhoorn van het ruggenmerg geleid en daar worden de
motoneuronen (motor-units) geactiveerd. De spier contraheert en de handeling wordt uitgevoerd.
De primaire motorische schors, de motorische banen, de motoneuronen en de spieren worden hier
gerekend tot het ‘bewegingsapparaat’, een mechaniek dat uiteraard gesmeerd moet lopen.
Bij een handeling horen drie deelprocessen:
a. De waarneming voorafgaande aan de handeling (ex-afferentie): primaire sensoriek, visuele
gnosis, ruimtelijke aspecten
b. De handeling zelf (motoriek in engere zin): adequate handeling, handelingsprogramma,
deelbewegingen, timing en snelheid, lichaamshouding/spiertonus, begin en einde.
c. De feedbackwaarneming als gevolg van de handleiding (re-afferentie): proprioceptieve
feedback, sensorische feedback.
Bij al deze deelaspecten zijn verschillende hersengebieden betrokken. Handelen en waarnemen zijn
onlosmakelijk aan elkaar verbonden.
9.2 Soorten handelingen
Er zijn diverse indelingen van handelingen, motoriek:
Spontane motoriek: op basis van emotie of cognitie (VB: een gebaar maken dat een gevoel uitdrukt,
uit een stoel opstaan zomaar, besluiten iemand te bellen en de hoorn pakken).
Extern uitgelokte motoriek: op basis van een stimulus (VB: van de stoel opspringen omdat de bel
gaat). Het is niet helemaal te scheiden. Er is eigenlijk altijd een stimuli (intern of extern). Het is vooral
een gradueel verschil. Bij spontane motoriek ligt de initiërende factor bij het individu (de wil). Bij
externe motoriek bevat de omgeving de initiërende factor.
Emotie-cognitie indeling gaat over ander aspect van handelen. Emotie: lachen bij grap, vloeken.
Cognitie: schaakspel.
Automatisch-bewust indeling.
Discreet (1 keer opstaan uit stoel)-continu (lopen constant aanpassen).