van de Nederlandse taal op eind HAVO-niveau (3F) worden getoetst.
Deze toets bestaat uit 80 vragen, verdeeld over 4 blokken. Je hebt een voldoende als je 60 of
meer vragen goed hebt beantwoord.
Deel 1: Werkwoordspelling.
1. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
Gerard (verhuizen) morgen naar Amsterdam.
a. verhuisd
b. verhuist
c. verhuisdt
2. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
Zij (worden) later vast een goede advocaat.
a. word
b. wort
c. wordt
3. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
De administrateur (berekenen) de verwachte inkomsten en uitgaven van ons bedrijf.
a. berekend
b. berekent
c. berekendt
4. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
Ik (vinden) dit een bijzonder mooi schilderij.
a. vind
b. vint
c. vindt
5. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
In dat geval (melden) je je af bij de personeelsmanager.
a. meld
b. melt
c. meldt
6. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
(Beraden) je ontslagen collega zich op vervolgstappen?
a. Beraad
b. Beraat
c. Beraadt
, 7. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
Ik geloof dat zoiets niet snel opnieuw (gebeuren).
a. gebeurd
b. gebeurt
c. gebeurdt
8. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
Hij zegt dat zijn bedrijf grote verliezen (lijden).
a. lijd
b. lijt
c. lijdt
9. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
Als je mij (antwoorden), wil je me dan aankijken?
a. antwoord
b. antwoort
c. antwoordt
10. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
(Bedoelen) hij te zeggen dat hij liever met de auto gaat?
a. Bedoeld
b. Bedoelt
c. Bedoeldt
11. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
In zijn vrije tijd (racen) hij graag op zijn crossmotor.
a. raced
b. racet
c. racedt
12. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
Wij (boffen) erg met onze nieuwe trainer.
a. bofden
b. boften
c. boftten
13. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
Tijdens het tentamen van vorige week dinsdag (beantwoorden) alle studenten deze vraag fout.
a. beantwoorde
b. beantwoorden
c. beantwoordden
14. Kies de juiste schrijfwijze van het woord dat tussen haakjes staat.
Vroeger (gebeuren) hier veel ongelukken.
a. gebeuren
b. gebeurden
c. gebeurdden