Samenvatting hoofdstuk 11 redoxreacties
§11.2 Redoxreactie: een reactie waarbij elektronenoverdracht plaats vindt. Je hebt te maken met
een oxidator en een reductor. Een oxidator is een deeltje dat elektronen opneemt (oxidator-
opnemen) en een reductor is een deeltje dat elektronen afstaat. In een redoxreactie staat H + i.p.v.
H3O+. Als twee stoffen met elkaar reageren en er een redoxreactie ontstaat, schrijf je eerst twee
halfreactie, één van de reductor en één van de oxidator, en vervolgens de totaalreactie. In een
halfreactie staan elektronen, zodat de ladingen voor en na de pijl kloppend zijn. Je geeft elektronen
weer met: e-. In de totaalreactie staan geen elektronen, wel toestandsaanduidingen en de ladingen
voor en na de pijl moeten kloppen. In Binas tabel 48 staan een paar halfreacties.
Voorbeeld: stel de reactievergelijking op als kobalt met zoutzuur reageert.
- Zoutzuur: een oplossing van waterstofchloride (notatie: H + en Cl-). H+ is een oxidator en Cl-
een reductor.
- Kobalt is een reductor.
Een oxidator reageert met een reductor, dus kobalt gaat reageren met H +. Nu noteer je eerst de
halfreacties:
- 2H+ + 2e- H2
- Co Co2+ + 2e-
Nu schrijf je de totaalreactie op:
- 2H+ (aq) + Co (s) H2 (g) + Co2+ (aq)
Als er in de totaalreactie voor en na de pijl hetzelfde deeltje staat, kun je die tegen elkaar
wegstrepen.
Redoxreacties zijn dus reacties waar elektronenoverdracht plaats vindt. Om zo’n reactie te
herkennen, moet je kijken of er sprake is van elektronenoverdracht. Als je een zout tegenkomt, moet
je bedenken dat dit twee ionen zijn, ook al staan de ladingen er niet bij. Bijvoorbeeld NaNO 3 is een
zout. Als je dit tegenkomt in een vergelijking, moet je bedenken dat dit Na + is en NO3-.
Voorbeeld: geef aan of hier sprake is van een redoxreactie:
- Ba(OH)2 (s) Ba2+ (aq) + 2OH- (aq) (Hier is geen sprake van een elektronenoverdracht, want
bariumhydroxide is een zout, dus het is geen redoxreactie)
- 2Ag (s) + F2 (s) 2AgF (s) (Hier is wel sprake van een redoxreactie, want er vindt
elektronenoverdracht plaats. Ag staat elektronen af (reductor) en F neemt elektronen op
(oxidator)).
§11.3 Met behulp van Binas tabel 48 kun je bepalen welke metalen edeler zijn dan andere. Hoe
edeler een metaal, hoe hoger het staat in de tabel. Dus daarom is zilver edeler dan zink. Zink staat
rechtsonder en zilver staat op de linker bladzijde. Metalen zijn reductoren. Hoe zwakker een
reductor, hoe edeler een metaal.
Redoxkoppels zijn koppels van oxidatoren en reductoren die ‘bij elkaar’ horen. Zo is S en S 2- een
redoxkoppel. S is dan de geconjugeerde oxidator en S 2- is de geconjugeerde reductor. Elk
§11.2 Redoxreactie: een reactie waarbij elektronenoverdracht plaats vindt. Je hebt te maken met
een oxidator en een reductor. Een oxidator is een deeltje dat elektronen opneemt (oxidator-
opnemen) en een reductor is een deeltje dat elektronen afstaat. In een redoxreactie staat H + i.p.v.
H3O+. Als twee stoffen met elkaar reageren en er een redoxreactie ontstaat, schrijf je eerst twee
halfreactie, één van de reductor en één van de oxidator, en vervolgens de totaalreactie. In een
halfreactie staan elektronen, zodat de ladingen voor en na de pijl kloppend zijn. Je geeft elektronen
weer met: e-. In de totaalreactie staan geen elektronen, wel toestandsaanduidingen en de ladingen
voor en na de pijl moeten kloppen. In Binas tabel 48 staan een paar halfreacties.
Voorbeeld: stel de reactievergelijking op als kobalt met zoutzuur reageert.
- Zoutzuur: een oplossing van waterstofchloride (notatie: H + en Cl-). H+ is een oxidator en Cl-
een reductor.
- Kobalt is een reductor.
Een oxidator reageert met een reductor, dus kobalt gaat reageren met H +. Nu noteer je eerst de
halfreacties:
- 2H+ + 2e- H2
- Co Co2+ + 2e-
Nu schrijf je de totaalreactie op:
- 2H+ (aq) + Co (s) H2 (g) + Co2+ (aq)
Als er in de totaalreactie voor en na de pijl hetzelfde deeltje staat, kun je die tegen elkaar
wegstrepen.
Redoxreacties zijn dus reacties waar elektronenoverdracht plaats vindt. Om zo’n reactie te
herkennen, moet je kijken of er sprake is van elektronenoverdracht. Als je een zout tegenkomt, moet
je bedenken dat dit twee ionen zijn, ook al staan de ladingen er niet bij. Bijvoorbeeld NaNO 3 is een
zout. Als je dit tegenkomt in een vergelijking, moet je bedenken dat dit Na + is en NO3-.
Voorbeeld: geef aan of hier sprake is van een redoxreactie:
- Ba(OH)2 (s) Ba2+ (aq) + 2OH- (aq) (Hier is geen sprake van een elektronenoverdracht, want
bariumhydroxide is een zout, dus het is geen redoxreactie)
- 2Ag (s) + F2 (s) 2AgF (s) (Hier is wel sprake van een redoxreactie, want er vindt
elektronenoverdracht plaats. Ag staat elektronen af (reductor) en F neemt elektronen op
(oxidator)).
§11.3 Met behulp van Binas tabel 48 kun je bepalen welke metalen edeler zijn dan andere. Hoe
edeler een metaal, hoe hoger het staat in de tabel. Dus daarom is zilver edeler dan zink. Zink staat
rechtsonder en zilver staat op de linker bladzijde. Metalen zijn reductoren. Hoe zwakker een
reductor, hoe edeler een metaal.
Redoxkoppels zijn koppels van oxidatoren en reductoren die ‘bij elkaar’ horen. Zo is S en S 2- een
redoxkoppel. S is dan de geconjugeerde oxidator en S 2- is de geconjugeerde reductor. Elk