2. Kwaliteit: handtas is zwart
3. Plaats: ze is staande op de tafel
4. Beweging
5. Kwantiteit
6. ... tot en met 10 (zie cursus: niet alle 10 vanbuiten kennen)
- Niet alleen denkschema’s in ons hoofd, drukken tegelijk ook uit hoe
werkelijkheid is
- Daarom zal hij zeggen: als je categorie substantie gebruikt om te
zeggen wat iets is
Dan zal hij dat ding dat hij benoemt, een substantie noemen
Spreken niet meer over ‘dingen’ die we waarnemen
Wel ‘substanties’ die we waarnemen
Daarover kunnen we dus nog iets zeggen (die eigenschappen)
- In die antwoorden altijd zelfde structuur gebruiken
- Zijn ook uitdrukkingen van werkelijkheid zelf, dingen die ze beschrijven
= substanties
- De werkelijkheid bestaat uit substanties
Substantie is iets dat je kan aanwijzen, tastbaar, iets concreet, het draagt
de eigenschap
Bv. Iets is zwart, je kan niet zeggen ‘ah hier is zwart’. Dat kan niet, je hebt een
substantie nodig
SUBSTANTIES
- Substantie is enkelvoudig op zichzelf, heeft niets anders nodig om te
bestaan
- Feit dat er substanties zijn, maakt onveranderlijkheid uit van
werkelijkheid, stabiliteit
- Er zijn dus ALTIJD substanties
- Vergelijk met Plato: daar is stabiliteit/onveranderlijkheid de
ideeënwereld
- Aristoteles: is een idee hetzelfde als substantie NEE
Verschil tussen een idee en een substantie
- Een idee kan je niet zien (transcendent)
- Een idee is op zichzelf, is volmaakt
- Een idee is iets algemeen
- Een substantie kan je wel zien
- Een substantie is niet volmaakt
- Een substantie is concreet, enkelvoudig
Bv. 2 flessen water, volgens Aristoteles zijn beiden substanties. Volgens Plato zijn
het 2 onvolmaakte afschaduwingen van het volmaakte idee ‘fles’
We stellen ons wederom 2 vragen:
- Waarom zijn de dingen in beweging?
, - Waarom zijn de dingen wat ze zijn?
Wat maakt dat handtas een handtas is, een boom een boom is?
Waarom zijn de substanties wat ze zijn?
Waarom zijn de substanties in beweging?
Volgens Aristoteles zit het op volgende manier in elkaar:
- Bestaat uit materie & vormen
Materie = hylè
Vorm = morfè
Daardoor noemt men deze theorie het Hylemorfisme = zijnsleer van
Aristoteles
- Die zegt dat werkelijkheid bestaat uit substanties
- Bovendien bestaat elke substantie uit materies & vormen
- Materie: stoffelijkheid, bestaat uit iets, maakt dat je substantie kan zien,
aanraken, …
- Dat maakt het concreet, maakt dat iets zichtbaar, tastbaar &
bepaalbaar is
Je kan bv. nog een stuk snijden uit de handtas, dat is nog steeds een handtas, de
materie laat het toe, ze is dus bepaalbaar
- Vorm of Eidos: niet de omtrek van iets, maar dus wel de essentie of
Eidos
- Wat is die essentie bij Plato: het idee
Een idee en essentie zijn beiden volmaakte vormen
Maar idee = transcendent
Essentie = immanent (je kan die niet zien!)
- Essentie kan je niet zien!
- Die zit in de dingen, is immanent aan de dingen (innerlijk) & werkt als
een kracht
- Een kracht die de materie samenhoudt en maakt dat het dat ding is
- De essentie van handtas – bevindt zich in de dingen als een kracht
In materie (het stoffelijke) trekt een kracht, dat is volmaakte vorm &
houdt samen
Essentie van iets in ons woordgebruik: een algemeenheid
- De ideeënwereld is als het ware in de zichtbare werkelijkheid gezakt
- Want de essentie zit nu in de dingen, die we wel kunnen zien (maar de
essentie niet!)
Die kracht kunnen we enkel met het verstand abstraheren
Door te abstraheren enkel nog een algemeen begrip overhouden
Dat kunnen we dan in een definitie uitdrukken
- Verschil idee & essentie: is enkel de plaats waar het zich bevindt
- Het zijn beide volmaakte vormen, eeuwig, maar de plaats is anders
- De essentie kan je niet losmaken van materie
Je kan bvb. niet krabben in handtas tot je de essentie vindt en die
apart leggen