PATHOFYSIOLOGIE EN
PATHOLOGISCHE BIOCHEMIE
Algemene samenvatting
Samenvatting van de hoorcolleges
Herhaling van delen van de fysiologie
Samenvattingen van belangrijke artikels
20256-2026
,INHOUD
H1: Algemene inleiding – normaal VS pathologisch ......................................................................................................... 2
Wat is normaal?............................................................................................................................................................ 2
Precisie van een meting ................................................................................................................................................ 4
Accuraatheid van een meting ....................................................................................................................................... 4
Diagnose stelling: hoe en wat? ..................................................................................................................................... 4
Klinisch rederneren....................................................................................................................................................... 7
Prevalentie en incidentie .............................................................................................................................................. 7
H2: Waterhuishouding en -pathologie ............................................................................................................................. 9
Algemene inleiding ....................................................................................................................................................... 9
Herhaling ADH en het RAS-systeem ........................................................................................................................... 14
Storingen in de waterhuishouding ............................................................................................................................. 15
Shock = urgentie ......................................................................................................................................................... 33
H3: Zuur-base evenwicht ................................................................................................................................................ 34
Algemene inleiding ..................................................................................................................................................... 34
Afwijkingen van het zuur-base evenwicht .................................................................................................................. 38
Bepalen van de zuur-base status van het bloed ......................................................................................................... 48
H4: Mineralen ................................................................................................................................................................. 51
Kalium ......................................................................................................................................................................... 51
Calcium ....................................................................................................................................................................... 56
Fosfor .......................................................................................................................................................................... 71
Magnesium ................................................................................................................................................................. 74
Ijzer ............................................................................................................................................................................. 79
micromineralen .......................................................................................................................................................... 83
H5: Vet- en koolhydraatstofwisseling ............................................................................................................................. 86
Vetstofwisseling – vetzuren en lipiden ....................................................................................................................... 86
Vetstofwisseling – vertering en absorptie van lipiden................................................................................................ 86
Vetstofwisseling – metabolisme van vet in het lichaam............................................................................................. 88
Vetstofwisseling – afwijkingen in het vetmetabolisme .............................................................................................. 89
Koolhydraatstofwisseling – resorptie ....................................................................................................................... 108
Koolhydraatstofwisseling – storingen in de resorptie .............................................................................................. 109
Koolhydraatstofwisseling – afwijkingen in het koolhydraatmetabolisme ................................................................ 111
H6: Eiwitstofwisseling ................................................................................................................................................... 118
Inleiding .................................................................................................................................................................... 118
Eiwitstofwisseling en N-eliminatie............................................................................................................................ 118
Lichaams en serumeiwitten ...................................................................................................................................... 118
Enzymologie.............................................................................................................................................................. 128
1
,H1: ALGEMENE INLEIDING – NORMAAL VS PATHOLOGISCH
WAT IS NORMAAL?
Bij het onderzoeken van dieren ga je kijken naar abnormaal gedrag en resultaat, maar wat is afwijkend en wat is
normaal? Als we de glucoseaarde in het bloed als voorbeeld nemen, kan dit sterk verschillen op bepaalde
momenten, maar ook tussen verschillende individuen. Of iets abnormaal is is dus afhankelijk van de situatie,
conditie, omgeving en het individu.
Om te beoordelen of iets abnormaal is wordt er vergeleken met referentiewaarden, voor de grootste groep van
patiënten zal dit kloppen, maar een kleiner deel zal toch van deze waarden afwijken zonder echt ziek te zijn. Je
gaat het abnormale gedrag of resultaat moeten koppelen aan klinische symptomen, anamnese en klachten, niet
alle afwijkingen beteken namelijk direct ziekte. Het is ook erg belangrijk om aan de eigenaar van het dier te
vragen of er veranderingen van het gedrag zijn over een bepaalde tijd ten opzichte van hoe het dier zich
normaalgesproken altijd gedraagt.
VOORBEELD – schurft bij lama’s
Schurft wordt veroorzaakt door een exoparasiet en geeft veel jeuk. Om binnen een groep lama’s te onderzoeken
bij welke dieren schurft aanwezig is ga je de krabsessies van de dieren scoren, dit is een objectieve parameter.
Deze parameter zal je dan gaan vergelijken met de bijhorende referentiewaarden. Hierbij moet je wel rekening
houden dat sommige lama’s van nature al meer krabben dan andere lama’s, bijvoorbeeld door een huidinfectie
in vroegere jaren of omdat ze het gewoon fijn vinden. Hierdoor is het mogelijk dat je een lama die helemaal geen
schurft heeft wel diagnosticeert met schurft door het vergelijken van de krabscore en referentiewaarde.
• Distributie van observaties/data
• Wanneer is de gemeten bloedwaarde normaal en valt het binnen een normaal bereik?
• Distributie van de data: observaties in een populatie
• Gaussiaanse of Normaalverdeling:
o μ = o en σ^2 = 1
o 95% van de data liggen binnen μ 2*SD
Als je van een groep mensen een bepaalde biologische parameter gaat meten, is deze bijna altijd wel normaal
verdeeld. Deze normaalverdeling kan je dan gebruiken als referentiewaarde, waarbij je kan kijken naar het
gemiddelde, de standaardafwijking en de mediaan. De mediaan is NIET hetzelfde als het gemiddelde, de mediaan
is de middelste waarde, waarbij er precies even veel waardes hoger als lager liggen dan die bepaalde waarde.
Bij deze onderzoeken moet er rekening gehouden worden met eventuele cofounders, dit is een factor, anders
dan diegene die onderzocht wordt, die de ziekte of symptomen zou kunnen veroorzaken. Deze kunnen
diergebonden, pre-analytisch, analytisch en pro-analytisch zijn.Vaak wordt er bij deze onderzoeken gebruik
gemaakt van een boxplot, hierin kan je de interkwartielafstand (IQR), ondergrens, bovengrens, mediaan, 4
kwartielen en de outliers aflezen. Dit is een belangrijke grafiek om te kennen!
2
, • Bepalen van referentie-intervallen
• Neem een random staal van een gezonde populatie en
bepaal μ en SD
• Interval = μ X*SD, waarbij de keuze van X kan variëren
o Meestal X = 2, het interval omvat dan 95% van
de data
o Gevolg: 5% kans dat een gezond dier als ziek wordt beschouwd
o Concept van vals positief (α) en vals negatief (β)
o Concept sensitiviteit en specificiteit
Als je de glucosewaarden in het bloed gaat meten van een groep gezonde mensen en een groep mensen met
diabetes zullen deze waarden verschillen. Beide geven dan een eigen normaalverdeling voor die eigen groep,
maar als je ze naast elkaar legt zal de piek niet overlappen. Er zijn dus verschillen tussen de groepen, maar deze
vallen wel binnen eenzelfde interval, de populaties komen naast elkaar te liggen.
Bij het diagnosticeren is er de mogelijkheid om niet zieke mensen wel als ziek te diagnosticeren, dit is een type-
1 fout. Hoe meer type-1 fouten er gemaakt worden, hoe groter de β-groep wodt, dus de groep met vals positief
geteste mensen. Andersom is het ook mogelijk, dat je mensen als gezond diagnosticeerd die eigenlijk wel ziek
zijn, dit is een type-2 fout. Een groot aantal type-2 fouten resulteert dus in een grote α-groep, de groep met vals
negatief getest mensen.
De threshold is de drempel- of grendwaarde is de grootte van het staal, in dit geval 125ml. Je kan het aantal type-
1 fouten verminderen, dus de t α-waarde verkleinen, door de threshold te verhogen, door in dit geval meer
bloed af te nemen. Dit zorgt ervoor dat je minder vals positieve en dus meer echt gezonde mensen zal
diagnosticeren. Alleen zorgt het verhogen van de threshold anderzijds wel voor het verhogen van het aantal
type-2 fouten en dus de vals negatieve mensen, je zal dus meer mensen als gezond diagnosticeren die eigenlijk
ziek zijn. Het verhogen van de threshold zorgt dus voor een kleinere α-groep en grotere β-groep, verkleinen doet
het tegenovergestelde. Je moet hier dus een juiste balans tussen vinden en zo de juiste treshold kiezen.
• Sensitiviteit = de kans dat een echt ziek dier ook als ziek wordt gediagnosticeerd
o 1 – β (groep vals negatieven)
• Specificiteit = de kans dat een echt gezond dier ook als gezond wordt beschouwd
o 1 – α (groep vals positieven)
Aan de hand van de tabel hieronder kan je verschillende waarden berekenen:
• Sensitiviteit = A/(A+C)
• Specificiteit = D/(B+D)
• Positief voorspellende waarde = A/(A+B)
• Negatief voorspellende waarde = D/(C+D)
Wanneer je een erg hoge sensitiviteit en specificiteit
hebt, zou dit theoretisch een heel sterke test moeten
zijn, maar bij een ziekte met een erg lage prevalentie
zie je dat je dan een veel te lage PPV en NPV krijgt en
de test eigenlijk niet bruikbaar is. Er worden dan veel
patiënten vals positief en negatief gediagnosticeerd.
De PPV hangt dus af van de prevalentie van een
ziekte! Bij ziekten met een hogere prevalentie is de
test dan wel veel bruikbaarder.
3
PATHOLOGISCHE BIOCHEMIE
Algemene samenvatting
Samenvatting van de hoorcolleges
Herhaling van delen van de fysiologie
Samenvattingen van belangrijke artikels
20256-2026
,INHOUD
H1: Algemene inleiding – normaal VS pathologisch ......................................................................................................... 2
Wat is normaal?............................................................................................................................................................ 2
Precisie van een meting ................................................................................................................................................ 4
Accuraatheid van een meting ....................................................................................................................................... 4
Diagnose stelling: hoe en wat? ..................................................................................................................................... 4
Klinisch rederneren....................................................................................................................................................... 7
Prevalentie en incidentie .............................................................................................................................................. 7
H2: Waterhuishouding en -pathologie ............................................................................................................................. 9
Algemene inleiding ....................................................................................................................................................... 9
Herhaling ADH en het RAS-systeem ........................................................................................................................... 14
Storingen in de waterhuishouding ............................................................................................................................. 15
Shock = urgentie ......................................................................................................................................................... 33
H3: Zuur-base evenwicht ................................................................................................................................................ 34
Algemene inleiding ..................................................................................................................................................... 34
Afwijkingen van het zuur-base evenwicht .................................................................................................................. 38
Bepalen van de zuur-base status van het bloed ......................................................................................................... 48
H4: Mineralen ................................................................................................................................................................. 51
Kalium ......................................................................................................................................................................... 51
Calcium ....................................................................................................................................................................... 56
Fosfor .......................................................................................................................................................................... 71
Magnesium ................................................................................................................................................................. 74
Ijzer ............................................................................................................................................................................. 79
micromineralen .......................................................................................................................................................... 83
H5: Vet- en koolhydraatstofwisseling ............................................................................................................................. 86
Vetstofwisseling – vetzuren en lipiden ....................................................................................................................... 86
Vetstofwisseling – vertering en absorptie van lipiden................................................................................................ 86
Vetstofwisseling – metabolisme van vet in het lichaam............................................................................................. 88
Vetstofwisseling – afwijkingen in het vetmetabolisme .............................................................................................. 89
Koolhydraatstofwisseling – resorptie ....................................................................................................................... 108
Koolhydraatstofwisseling – storingen in de resorptie .............................................................................................. 109
Koolhydraatstofwisseling – afwijkingen in het koolhydraatmetabolisme ................................................................ 111
H6: Eiwitstofwisseling ................................................................................................................................................... 118
Inleiding .................................................................................................................................................................... 118
Eiwitstofwisseling en N-eliminatie............................................................................................................................ 118
Lichaams en serumeiwitten ...................................................................................................................................... 118
Enzymologie.............................................................................................................................................................. 128
1
,H1: ALGEMENE INLEIDING – NORMAAL VS PATHOLOGISCH
WAT IS NORMAAL?
Bij het onderzoeken van dieren ga je kijken naar abnormaal gedrag en resultaat, maar wat is afwijkend en wat is
normaal? Als we de glucoseaarde in het bloed als voorbeeld nemen, kan dit sterk verschillen op bepaalde
momenten, maar ook tussen verschillende individuen. Of iets abnormaal is is dus afhankelijk van de situatie,
conditie, omgeving en het individu.
Om te beoordelen of iets abnormaal is wordt er vergeleken met referentiewaarden, voor de grootste groep van
patiënten zal dit kloppen, maar een kleiner deel zal toch van deze waarden afwijken zonder echt ziek te zijn. Je
gaat het abnormale gedrag of resultaat moeten koppelen aan klinische symptomen, anamnese en klachten, niet
alle afwijkingen beteken namelijk direct ziekte. Het is ook erg belangrijk om aan de eigenaar van het dier te
vragen of er veranderingen van het gedrag zijn over een bepaalde tijd ten opzichte van hoe het dier zich
normaalgesproken altijd gedraagt.
VOORBEELD – schurft bij lama’s
Schurft wordt veroorzaakt door een exoparasiet en geeft veel jeuk. Om binnen een groep lama’s te onderzoeken
bij welke dieren schurft aanwezig is ga je de krabsessies van de dieren scoren, dit is een objectieve parameter.
Deze parameter zal je dan gaan vergelijken met de bijhorende referentiewaarden. Hierbij moet je wel rekening
houden dat sommige lama’s van nature al meer krabben dan andere lama’s, bijvoorbeeld door een huidinfectie
in vroegere jaren of omdat ze het gewoon fijn vinden. Hierdoor is het mogelijk dat je een lama die helemaal geen
schurft heeft wel diagnosticeert met schurft door het vergelijken van de krabscore en referentiewaarde.
• Distributie van observaties/data
• Wanneer is de gemeten bloedwaarde normaal en valt het binnen een normaal bereik?
• Distributie van de data: observaties in een populatie
• Gaussiaanse of Normaalverdeling:
o μ = o en σ^2 = 1
o 95% van de data liggen binnen μ 2*SD
Als je van een groep mensen een bepaalde biologische parameter gaat meten, is deze bijna altijd wel normaal
verdeeld. Deze normaalverdeling kan je dan gebruiken als referentiewaarde, waarbij je kan kijken naar het
gemiddelde, de standaardafwijking en de mediaan. De mediaan is NIET hetzelfde als het gemiddelde, de mediaan
is de middelste waarde, waarbij er precies even veel waardes hoger als lager liggen dan die bepaalde waarde.
Bij deze onderzoeken moet er rekening gehouden worden met eventuele cofounders, dit is een factor, anders
dan diegene die onderzocht wordt, die de ziekte of symptomen zou kunnen veroorzaken. Deze kunnen
diergebonden, pre-analytisch, analytisch en pro-analytisch zijn.Vaak wordt er bij deze onderzoeken gebruik
gemaakt van een boxplot, hierin kan je de interkwartielafstand (IQR), ondergrens, bovengrens, mediaan, 4
kwartielen en de outliers aflezen. Dit is een belangrijke grafiek om te kennen!
2
, • Bepalen van referentie-intervallen
• Neem een random staal van een gezonde populatie en
bepaal μ en SD
• Interval = μ X*SD, waarbij de keuze van X kan variëren
o Meestal X = 2, het interval omvat dan 95% van
de data
o Gevolg: 5% kans dat een gezond dier als ziek wordt beschouwd
o Concept van vals positief (α) en vals negatief (β)
o Concept sensitiviteit en specificiteit
Als je de glucosewaarden in het bloed gaat meten van een groep gezonde mensen en een groep mensen met
diabetes zullen deze waarden verschillen. Beide geven dan een eigen normaalverdeling voor die eigen groep,
maar als je ze naast elkaar legt zal de piek niet overlappen. Er zijn dus verschillen tussen de groepen, maar deze
vallen wel binnen eenzelfde interval, de populaties komen naast elkaar te liggen.
Bij het diagnosticeren is er de mogelijkheid om niet zieke mensen wel als ziek te diagnosticeren, dit is een type-
1 fout. Hoe meer type-1 fouten er gemaakt worden, hoe groter de β-groep wodt, dus de groep met vals positief
geteste mensen. Andersom is het ook mogelijk, dat je mensen als gezond diagnosticeerd die eigenlijk wel ziek
zijn, dit is een type-2 fout. Een groot aantal type-2 fouten resulteert dus in een grote α-groep, de groep met vals
negatief getest mensen.
De threshold is de drempel- of grendwaarde is de grootte van het staal, in dit geval 125ml. Je kan het aantal type-
1 fouten verminderen, dus de t α-waarde verkleinen, door de threshold te verhogen, door in dit geval meer
bloed af te nemen. Dit zorgt ervoor dat je minder vals positieve en dus meer echt gezonde mensen zal
diagnosticeren. Alleen zorgt het verhogen van de threshold anderzijds wel voor het verhogen van het aantal
type-2 fouten en dus de vals negatieve mensen, je zal dus meer mensen als gezond diagnosticeren die eigenlijk
ziek zijn. Het verhogen van de threshold zorgt dus voor een kleinere α-groep en grotere β-groep, verkleinen doet
het tegenovergestelde. Je moet hier dus een juiste balans tussen vinden en zo de juiste treshold kiezen.
• Sensitiviteit = de kans dat een echt ziek dier ook als ziek wordt gediagnosticeerd
o 1 – β (groep vals negatieven)
• Specificiteit = de kans dat een echt gezond dier ook als gezond wordt beschouwd
o 1 – α (groep vals positieven)
Aan de hand van de tabel hieronder kan je verschillende waarden berekenen:
• Sensitiviteit = A/(A+C)
• Specificiteit = D/(B+D)
• Positief voorspellende waarde = A/(A+B)
• Negatief voorspellende waarde = D/(C+D)
Wanneer je een erg hoge sensitiviteit en specificiteit
hebt, zou dit theoretisch een heel sterke test moeten
zijn, maar bij een ziekte met een erg lage prevalentie
zie je dat je dan een veel te lage PPV en NPV krijgt en
de test eigenlijk niet bruikbaar is. Er worden dan veel
patiënten vals positief en negatief gediagnosticeerd.
De PPV hangt dus af van de prevalentie van een
ziekte! Bij ziekten met een hogere prevalentie is de
test dan wel veel bruikbaarder.
3