100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Wereldoriëntatie 1

Rating
-
Sold
-
Pages
41
Uploaded on
02-03-2026
Written in
2024/2025

Samenvatting van 41 pagina's voor het vak Wereldoriëntatie 1 aan de Odisee (Wereldoriëntatie 1)

Institution
Course

Content preview

Wereldoriëntatie 1
1. Planten en zwammen in de herfst

1.1 Inleiding

Wat zijn planten?
Organismen waarbij bladgroen aanwezig is, dat een belangrijke rol speelt bij fotosynthese. Door
fotosynthese kunnen planten hun eigen voedsel aanmaken, wat hen uniek maakt onder de levende
organismen.

Planten worden ingedeeld in verschillende categorieën op basis van bouw en voortplanting
- Wieren
- Mossen
- Paardenstaarten
- Varens
- Zaadplanten: naaktzadigen en bedektzadigen

1.2 Het blad
1.2.1 Delen van een blad

➔ Bladschijf en bladsteel
➔ Het blad zit met een bladsteel vast aan de tak of stengel. De hoek
tussen bladsteel en tak is de bladoksel, waarin een okselknop te
vinden is. Bij een zittend blad ontbreekt de bladsteel of is die heel
kort.
➔ Aan weerszijde van de bladsteel kunnen twee blaadjes ingeplant
zijn: de steunblaadjes.
➔ De bladschijf is samengesteld uit nerven met ertussen het
bladmoes. Nerven zijn vaatbundels die in het blad verder
stromen en waardoor het sap stroomt. De dikke centrale nerf is
de hoofdnerf; verder zijn er de zijnerven en aders.
➔ De groene kleur van het bladmoes is te wijten aan
bladgroenkorrels.

1.2.2 Kenmerken van bladeren
• Aantal bladschijven
➔ Enkelvoudig blad = bestaat uit één enkele
bladschijf, in de bladoksel is er steeds een
okselknop
➔ Samengesteld blad = bestaat uit
verschillende bladschijven, die op een
gemeenschappelijke bladsteel ingeplant
staan. Alleen in de oksel van die
gemeenschappelijke bladsteel is een
okselknop te vinden.


1

, • Nervatuur
Nerven = vaatbundels die door het blad lopen. De meest voorkomende types zijn:
- Veernervig: één hoofdnerf waaruit aan weerszijden zijnerven ontspringen
- Handnervig: de zijnerven ontspringen uit één punt aan de basis van de hoofdnerf
- Rechtnervig: de hoofdnerf is recht, de zijnerven ongeveer evenwijdig (bvb gras)
- Kromnervig: de hoofdnerf is recht, de zijnerven zijn krom

• Vorm van de bladschijf

A) Vorm van samengestelde bladeren

Naargelang de nervatuur zijn de bladeren veervormig of handvormig samengesteld, verder kan de
vorm van de afzonderlijke bladschijven beschreven worden.

B) Vorm van enkelvoudige bladeren
➢ Diep ingesneden enkelvoudige bladeren
Naargelang de diepte van de insnijdingen onderscheiden we:
- Gelobd: insnijdingen niet tot in het midden van de zijnerven
- Gespleten: insnijdingen tot het midden van de zijnerven
- Gedeeld: insnijdingen dieper dan het midden van de zijnerven

De vorm wordt verder beschreven aan de hand van de nervatuur. Bvb: veervormig gelobd, handvormig
gespleten, …

➢ Enkelvoudige bladeren waarbij de insnijdingen beperkt blijven tot de bladrand
Volgens de ligging van de grootste breedte van de bladschijf onderscheiden we:
- Grootste breedte op het midden: cirkelrond, ovaal, langwerpig, lancetvormig, ruitvormig
- Grootste breedte onder het midden: eirond, troffelvormig, driehoekig, hartvormig
- Grootste breedte boven het midden: omgekeerd eivormig, omgekeerd driehoekig
- Breedte overal ongeveer gelijk: lijnvormig, lintvormig, naaldvormig

Het blad kan symmetrisch of asymmetrisch zijn.
De bladvoet is bij veel bladeren spits, afgerond of vlak; maar kan ook andere bijzonderheden vertonen:
hartvormig, geoord, scheef, wigvormig

• De bladrand
- Gaaf: geen insnijdingen
- Gezaagd: insnijdingen scherp, uitstekels scherp
- Gegolfd of geschulpt: insnijdingen en uitstekels stomp
- Getand: insnijdingen stomp, uitsteeksels scherp
- Gekarteld: insnijdingen scherp, uitsteeksels stomp

• De bladstand
De bladstand = de rangschikking van de bladeren ten opzichte van elkaar op de stengel:
- Verspreide bladstand: één blad per knoop
- Tegenoverstaande bladstand: twee bladeren per knoop
- Kruisgewijs tegenoverstaande bladstand: twee bladeren per knoop, elk paar loodrecht op de
richting van het voorgaande en het volgende paar.
- Kransgewijze bladstand: meer dan twee bladeren staan in een krans op eenzelfde knoop

2

, • Andere kenmerken
Beharing, klieren en klierhaartjes, kleur en kleurverschil tussen boven- en onderzijde, vorm van
bladsteel, … zijn nog andere kenmerken waarmee je een blad kan beschrijven.

• Determineren van soorten
➔ Doe je met een determineertabel of met een app.

• In de kleuterklas
- Laat kinderen een blad wrijven en ruiken
- Droog samen herfstbladeren en maak er een kijkboek van
- Speel met droge bladeren: gooien, er door lopen, …
- Laat de kinderen een blad tekenen: omtrek of frottagetechniek (nervatuur)

1.3 Bomen en heesters
1.3.1 Bouw van een boom

- Wortels = zeer uitgebreid, sterk vertakt wortelgestel
➔ Functie: bevestiging van de boom in de bodem en opneming van water en mineralen
- Stam = de stengel van de plant, bij bomen en heesters houtachtig en stevig
➔ Functie: ondersteuning en transport van water, mineralen en suikers
- Kruin = opgebouwd uit sterk vertakte takken en twijgen met bladeren
➔ Functie: In de bladeren gebeuren belangrijke levensverrichtingen: fotosynthese,
ademhaling en verdampingµ
- Eindknop: De twijgjes van een boom eindigen in een knop, daar wordt de twijg langer
(lengtegroei of hoogtegroei)
- Vertakkingen groeien vanuit de okselknoppen van de bladeren: de kruin wordt voller
- Diktegroei: de stam en de takken worden elk jaar dikker. De stam van een boom wordt veel
dikker dan die van een struik of heester (→ bestaat vaak uit verschillende dunne stammetjes)

1.3.2 De houtige stengel
• Dwarse doorsnede




• Diktegroei
Tussen hout en bast ligt een dunne laag: het cambium = delingsweefsel, dat naar de ene zijde hout
vormt en naar de andere zijde bastweefsel. Eens gevormd delen de cellen van hout en bast niet meer.
Het is door de activiteit van het cambium dat de boom elk jaar dikker wordt. Dit gebeurt periodisch
(enkel in de lente en in de zomer), daarom zien we jaarringen.


3

, • Hout en jaarringen
In het hout gebeurt het opwaarts transport van water: van de wortels naar de bladeren, door lange
vaten. Deze houtvaten hebben geen levende celinhoud meer, de zijwanden bevatten houtstof. Dankzij
de stevige wanden van de houtvaten wordt de stam steviger.

De cellen waaruit de houtvaten opgebouwd worden zijn gevormd door het cambium. In de lente vormt
het cambium wijde vaten (licht gekleurde voorjaarshout) en in de zomer vormt het vaten met ene
kleine porie (donker gekleurde zomerhout). Vanaf september staakt het cambium zijn activiteit , en
begint in de lente opnieuw met de productie van wijde vaten → zo ontstaan de jaarringen. De overgang
van lentehout naar zomerhout gaat vrij geleidelijk, maar tussen het hout van twee jaren ontstaat een
scherpe grens.
➔ Een jaarring = een lichte band lentehout en een donkere band zomerhout

Kernhout = de oudste delen van het hout; zorgt voor de stevigheid (wordt daarom gebruikt voor
meubels). Hier vindt geen transport van water en mineralen meer plaats; enkel in de jongste delen
(spinthout) vindt het opwaarts transport plaats.

• Bast, schors en merg
De bast bestaat uit vaten waarin een neerwaarts transport van water met suiker gebeurt: van de
bladeren naar de stam en de wortels.

De bastvaten bevatten wel nog levende cellen met celinhoud. Het water en de opgeloste suikers
worden via zeefplaatjes door de zeefvaten vervoerd.

De schors = een dode laag die door de diktegroei van de stam te nauw wordt, scheurt en afbladert.
Door onderliggende lagen wordt steeds nieuwe schorsweefsel gevormd. Dit schorsweefsel is
ondoordringbaar voor water en beschermt de onderliggende lagen tegen uitdroging, het weer en
parasieten en ziekten.

Het merg = een opslagplaats van reservevoedsel. Vanuit de bast lopen de mergstralen die zorgen voor
het transport van de suikers van de bast naar het merg en omgekeerd. Op de doorsnede van een jonge
twijg zien we centraal het merg; in oudere twijgen en stammen verdwijnt het merg.

Planten kunnen zich beschermen tegen dieren met doorns en stekels:
• Een doorn = hard, stekend uitsteeksel aan een plant, verbonden met het inwendige van de stengel,
kan je niet gemakkelijk afbreken.
• Een stekel = hard, scherp, kegelvormig uitgroeisel, niet verbonden met het inwendige van een
stengel, kan je gemakkelijk afbreken.

1.3.3 Loofbomen verliezen hun bladeren
• Wat nemen we waar in de natuur?
Zie herfstexploratie

• Bescherming tegen uitdrogen
Als het warm genoeg is, neemt een boom water op uit de bodem langs de wortels. Wanneer het kouder
wordt (herfst en winter) vermindert of stopt de wateropname. Maar de bladeren blijven water
verdampen; de boom zou uitdrogen als de bladeren blijven staan. Daarom werpt de boom zijn
bladeren af tegen dat er geen wateropname meer mogelijk is.

4

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
March 2, 2026
Number of pages
41
Written in
2024/2025
Type
SUMMARY

Subjects

$9.15
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
morganejanssens

Get to know the seller

Seller avatar
morganejanssens Odisee Hogeschool
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
2
Member since
2 weeks
Number of followers
0
Documents
9
Last sold
1 week ago

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Trending documents

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions