Nederlands 1
1. Kwaliteitsvol basisonderwijs
De hoofdopdracht van de leerkracht is onderwijzen, een activiteit die een hefboom is om kinderen tot
leren te brengen zodat ze inhoudelijk gewapend zijn en hun talenten kunnen ontplooien.
Vier pijlers zijn richtinggevend bij de voorbereiding en realisatie van krachtige leer- en
ontwikkelingsactiviteiten en stimuleren van leerwinst bij kinderen.
1.1 Pijler 1: Positief en verbindend leef- en leerklimaat
Een positieve, warme verbindende relatie tussen leerkracht en kinderen en kinderen onderling,
waarbij de klas als sociaal-emotionele, veilige omgeving wordt beleefd, draagt bij aan krachtige leer-
en ontwikkelingskansen voor elk kind. Van leerkrachten wordt een empathische, authentieke,
hechtende leerkrachtsstijl verwacht die cultuursensitief elk kind omarmt. Deze zijn essentiële
basisvaardigheden.
1.2 Pijler 2: Didactisch meesterschap: kwaliteit van instructie, vraagstelling, interactie
en feedback
De leerkracht staat centraal als motor om leer- en ontwikkelingsprocessen op gang te brengen, te
sturen, te leiden, te dirigeren naar effectieve leerwinst. Belangrijk: een goede, duidelijke,
gestructureerde instructie die vertrekt vanuit het activeren van bestaande voorkennis, waarbij
treffende voorbeelden en ondersteunende onderwijsleermiddelen worden gebruikt in betekenisvolle
contexten. Dit dient samen te gaan met de vraagstelling, de interactie, de feedback om de
vooropgestelde doelen te kunnen bereiken. Dit ontwikkelings-of leerproces moet nauwgezet
opgevolgd worden om een volgend lesaanbod uit te kunnen bouwen.
1.3 Pijler 3: Rijk milieu en iniatiefruimte
Jonge kinderen hebben een grote exploratie- en initiatiefdrang om de wereld te verkennen. De
leeromgeving moet dan ook georganiseerd worden met een brede rijke waaier aan ontwikkelings- en
leermaterialen en mogelijkheden tot samenwerking. Een leerkracht heeft hierbij een actieve rol om
mee te spelen, mee te denken, mee te ondersteunen, vertrekkend vanuit de interesse en
exploratiedrang van kinderen en hun diversiteit.
1.4 Pijler 4: Effectief klasmanagement en -organisatie
De drie voorgaande pijlers vormgeven in de klas lukt alleen als de leerkracht een effectieve
klasmanager is. Dit is het vermogen van de leerkracht om duidelijk richting en sturing te geven, zowel
op het gebied van leren als het gedrag van kinderen. Hierachter schuilen bepaalde routines, technieken
en processen.
1
,2. De taalontwikkeling
2.1 Hoe leren kinderen taal?
2.1.1 Taalontwikkeling, een multidimensioneel gebeuren
Verschillende factoren beïnvloeden het taalverwervingsproces. Een kind verwerft zijn taal door een
wisselwerking tussen zijn aangeboren taalvermogen en het taalaanbod van de volwassene. Daarnaast
is de taalontwikkeling ook verbonden met de algemene ontwikkeling op andere domeinen, zoals de
sensomotorische ontwikkeling, de cognitieve ontwikkeling en de sociaal-emotionele ontwikkeling.
Taalontwikkeling en algemene ontwikkeling
De basisvoorwaarde voor een vlotte taalontwikkeling is dat het kind een normale anatomische en
neurologische ontwikkeling heeft: goede spraak- en gehoororganen en een zenuwstelsel dat een
normaal rijpingsproces vertoont. We onderscheiden hierbij
• De sensori-motorische ontwikkeling: omvat de sensorische ontwikkeling van de zintuigen (vooral
zien en horen) en de motorische ontwikkeling (leren bewegen, kruipen, lopen, enz…)
Bvb: de mondholte van een baby is kleiner, de tong neemt meer plaats
Aangeboren sensori-motorische vermogen: bvb slechthorend kind heeft minder aanleg
• De cognitieve ontwikkeling: omvat de ontwikkeling van het denk-en leervermogen, de werking van
het geheugen, de algemene intelligentie
Bvb: een baby “weet” niet wat een eend is, dat het een “eend” noemt
Aangeboren cognitief vermogen: bvb kind met down syndroom heeft minder aanleg
• De sociaal-emotionele ontwikkeling: heeft betrekking op de ontwikkeling van de gevoelswereld
van het kind en zijn interactie met andere mensen.
Bvb: samen aandacht delen: naar de bal kijken met mama, een baby kan dat niet.
Aangeboren sociaal-emotioneel vermogen: bvb kind met autisme heeft minder aanleg
Externe stimuli: een geïsoleerd kind dat opgroeit zonder contact met de buitenwereld (enkel radio),
ontwikkelt weinig taal.
2
,De ontwikkeling op deze drie domeinen is van groot belang voor de taalontwikkeling. Om de
verschillende spraakklanken van zijn taal correct te kunnen produceren moet het kind enerzijds de
klanken uit zijn omgeving goed kunnen waarnemen en anderzijds een goede sensori-motorische
controle hebben over de beweging van lippen, tong, … Bovendien is er een constante wisselwerking
tussen taal en denken, en dus hangt taalontwikkeling nauw samen met de verwerving van cognitieve
vaardigheden. Tot slot verwerft het kind zijn taal in interactie met volwassenen en andere kinderen,
dus speelt het een grote rol hoe het kind zich voelt en hoe vlot het sociale contacten kan leggen.
Aangeboren taalvermogen
Een verschil tussen mens en dier is dat de mens aangeboren taalcapaciteiten heeft, waardoor hij talen
kan leren. Dit is het aangeboren taalvermogen of de taalaanleg. Kinderen hebben dit aangeboren
taalvermogen nodig om tot een goede taalontwikkeling te komen. Niet ieder kind heeft echter
evenveel taalaanleg, hierin zijn grote verschillen.
Verschillende componenten van de hersenen zijn verantwoordelijk voor de taalontwikkeling. Bij
beschadiging van een hersengebied dat belangrijk is voor de taalontwikkeling, nemen andere gebieden
die taak over. Bij jonge kinderen verloopt dat vlotter dan bij oudere kinderen of bij volwassenen. De
hersenen zijn heel flexibel tijdens de eerste zeven levensjaren = de kritische periode. Tijdens deze
periode leert het kind het grootste deel van zijn moedertaal. Na deze kritische periode kan een kind
nog taal leren maar dat gaat minder vlot en hij zal niet meer hetzelfde niveau bereiken.
De taalaanleg staat los van eventuele lichamelijke problemen, bij slechthorende kinderen is er niets
mis met de aanleg tot taalleren. Deze kinderen hebben wel minde gunstige sensori-motorische
voorwaarden.
Taalaanbod
Het aangeboren taalvermogen is niet voldoende, een kind kan geen taal leren als het niet in contact
komt met die taal. Kinderen leren dankzij het taalaanbod van ouders en opvoeders. Kinderen die
opgroeien in een Nederlandse omgeving leren Nederlands, kinderen die opgroeien in een Franse
omgeving leren Frans, … Kinderen die vanaf hun geboorte twee talen horen, leren vanaf jonge leeftijd
beide talen. Welke talen een kind leert heeft niet te maken met de taalaanleg of met andere
ontwikkelingsdomeinen, maar wel met het taalaanbod.
• Taalaanbod = de taal die het kind hoort vanaf zijn geboorte.
• Brede omgevingstaal = taal die niet specifiek tot het kind gericht is. Mama praat met papa terwijl
het kind in dezelfde kamer speelt. Uit deze taal leert het kind niet zoveel.
• Verzorgerstaal / Child directed speech / motherese (/fatherese) = taal die specifiek tot het kind
gericht wordt. De ouders en opvoeders passen hun taalaanbod automatisch aan als ze tegen
kinderen praten. Hieruit leert het kind veel meer.
Het taalgebruik van de opvoeder heeft een grote voorbeeldfunctie: met een voldoende en aangepast
taalaanbod kan de opvoeder de taalontwikkeling van het kind duidelijk stimuleren. Het kind gebruikt
dat taalaanbod om woordbetekenissen en taalregels uit te proberen en af te leiden. Er is een duidelijk
verband tussen het taalaanbod dat een kind krijgt en zijn woordenschatverwerving. In gezinnen waar
ouders veel praten tegen kinderen, veel voorlezen en elke “wat is dat?-vraag” beantwoorden,
ontwikkelen de kinderen een grotere woordenschat. De stimulering van de taalverwerving gebeurt
het beste spontaan en spelenderwijs (niet te bewust), als we gewoon met het kind praten, voorlezen
of zingen. De taalontwikkeling is vooral een creatief proces waarbij het kind zelf op zoek gaat naar de
middelen om zijn gedachten en gevoelens in taal uit te drukken.
3
, De wisselwerking tussen aangeboren taalvermogen en taalaanbod
Kinderen kunnen op een korte tijd het ingewikkeld taalsysteem onder de knie krijgen. Dit lukt hen
dankzij een goede wisselwerking tussen het aangeboren taalvermogen en het taalaanbod. Kinderen
leren een taal door imitatie en door creativiteit. Die creativiteit merk je op in de kinderlijke woorden
die ze uitvinden (bvb: tienentwintig voor dertig, smeervlees voor pastei, …). Deze vormen getuigen van
een creatieve toepassing van een reeks regels; ze lijken bijna altijd wel op bestaande vormen
(negenentwintig, smeerkaas, …)
In het taalaanbod zoekt het kind naar regelmatigheden: het vormt voor zichzelf veronderstellingen
over de taal, dan toetst het die veronderstellingen aan de praktijk. Bevestigt het taalaanbod zijn
formulering, dan wordt de veronderstelling een regel. Komt het niet overeen, dan herformuleert het
kind zijn veronderstelling (alles grotendeels onbewust).
Aangeboren taalvermogen = motor van een auto
Taalaanbod = brandstof voor de auto
Bereikt de brandstof de motor, dan komt het taalverwervingsmechanisme op gang. Is de brandstof
bovendien goed afgestemd op de motor van dat ene kind, dan rijdt de taalauto comfortabel.
2.1.2 De taalontwikkeling stimuleren via interactie
Interactievaardigheden zijn alle vaardigheden die je als kleuterleraar inzet terwijl je met kleuters
communiceert. De systematische, voortdurende interactie tussen jou en de kleuter is de motor van
taalontwikkeling. De kunst bestaat erin om met minder taalvaardige of stille kleuters niet in taalarme
gesprekken te vervallen maar ook met hen rijke interacties aan te gaan. Dat kan je doen door:
- Enthousiaste vragen stellen en aandachtig luisteren naar de antwoorden
- Duidelijke, concrete opdrachten geven
- Doorvragen wanneer de kleuter iets vertelt
- Reflecteren over wat ze hebben geleerd
- … De hele dag door in interactie
2.1.3 Interactievaardigheden: taalaanbod, taalruimte en feedback
Drie vaardigheden zijn cruciaal voor goede gesprekken met kleuters: de drie taalgroeimiddelen:
taalaanbod, taalruimte en feedback.
A) Taalaanbod: gaat over de taal die je als leerkracht gebruikt. Je dient als model, je daagt de
kleuters uit door rijke taal te gebruiken. Je maakt volzinnen met een uitgebreide woordenschat
uit de dagelijkse spreektaal en de abstracte schooltaal. Je praat over het hier en nu, maar ook
over het daar en toen en over de toekomst. Je koppelt woorden aan beelden en beelden aan
woorden: taal ondersteunen met beeldmateriaal en gebaren, en alles wat je doet benoemen
met taal.
B) Taalruimte: gaat over de ruimte en de mogelijkheden die je aan kleuters geeft om gedachten,
redeneringen en ervaringen met elkaar te delen. Je kijkt warm en uitnodigend, toont interesse,
daagt de kleuters uit door goede vragen te stellen en voldoende denk-en spreektijd te geven
in geplande en ongeplande gespreksmomenten. Je ondersteunt de kleuters wanneer het
moeilijk gaat.
4
1. Kwaliteitsvol basisonderwijs
De hoofdopdracht van de leerkracht is onderwijzen, een activiteit die een hefboom is om kinderen tot
leren te brengen zodat ze inhoudelijk gewapend zijn en hun talenten kunnen ontplooien.
Vier pijlers zijn richtinggevend bij de voorbereiding en realisatie van krachtige leer- en
ontwikkelingsactiviteiten en stimuleren van leerwinst bij kinderen.
1.1 Pijler 1: Positief en verbindend leef- en leerklimaat
Een positieve, warme verbindende relatie tussen leerkracht en kinderen en kinderen onderling,
waarbij de klas als sociaal-emotionele, veilige omgeving wordt beleefd, draagt bij aan krachtige leer-
en ontwikkelingskansen voor elk kind. Van leerkrachten wordt een empathische, authentieke,
hechtende leerkrachtsstijl verwacht die cultuursensitief elk kind omarmt. Deze zijn essentiële
basisvaardigheden.
1.2 Pijler 2: Didactisch meesterschap: kwaliteit van instructie, vraagstelling, interactie
en feedback
De leerkracht staat centraal als motor om leer- en ontwikkelingsprocessen op gang te brengen, te
sturen, te leiden, te dirigeren naar effectieve leerwinst. Belangrijk: een goede, duidelijke,
gestructureerde instructie die vertrekt vanuit het activeren van bestaande voorkennis, waarbij
treffende voorbeelden en ondersteunende onderwijsleermiddelen worden gebruikt in betekenisvolle
contexten. Dit dient samen te gaan met de vraagstelling, de interactie, de feedback om de
vooropgestelde doelen te kunnen bereiken. Dit ontwikkelings-of leerproces moet nauwgezet
opgevolgd worden om een volgend lesaanbod uit te kunnen bouwen.
1.3 Pijler 3: Rijk milieu en iniatiefruimte
Jonge kinderen hebben een grote exploratie- en initiatiefdrang om de wereld te verkennen. De
leeromgeving moet dan ook georganiseerd worden met een brede rijke waaier aan ontwikkelings- en
leermaterialen en mogelijkheden tot samenwerking. Een leerkracht heeft hierbij een actieve rol om
mee te spelen, mee te denken, mee te ondersteunen, vertrekkend vanuit de interesse en
exploratiedrang van kinderen en hun diversiteit.
1.4 Pijler 4: Effectief klasmanagement en -organisatie
De drie voorgaande pijlers vormgeven in de klas lukt alleen als de leerkracht een effectieve
klasmanager is. Dit is het vermogen van de leerkracht om duidelijk richting en sturing te geven, zowel
op het gebied van leren als het gedrag van kinderen. Hierachter schuilen bepaalde routines, technieken
en processen.
1
,2. De taalontwikkeling
2.1 Hoe leren kinderen taal?
2.1.1 Taalontwikkeling, een multidimensioneel gebeuren
Verschillende factoren beïnvloeden het taalverwervingsproces. Een kind verwerft zijn taal door een
wisselwerking tussen zijn aangeboren taalvermogen en het taalaanbod van de volwassene. Daarnaast
is de taalontwikkeling ook verbonden met de algemene ontwikkeling op andere domeinen, zoals de
sensomotorische ontwikkeling, de cognitieve ontwikkeling en de sociaal-emotionele ontwikkeling.
Taalontwikkeling en algemene ontwikkeling
De basisvoorwaarde voor een vlotte taalontwikkeling is dat het kind een normale anatomische en
neurologische ontwikkeling heeft: goede spraak- en gehoororganen en een zenuwstelsel dat een
normaal rijpingsproces vertoont. We onderscheiden hierbij
• De sensori-motorische ontwikkeling: omvat de sensorische ontwikkeling van de zintuigen (vooral
zien en horen) en de motorische ontwikkeling (leren bewegen, kruipen, lopen, enz…)
Bvb: de mondholte van een baby is kleiner, de tong neemt meer plaats
Aangeboren sensori-motorische vermogen: bvb slechthorend kind heeft minder aanleg
• De cognitieve ontwikkeling: omvat de ontwikkeling van het denk-en leervermogen, de werking van
het geheugen, de algemene intelligentie
Bvb: een baby “weet” niet wat een eend is, dat het een “eend” noemt
Aangeboren cognitief vermogen: bvb kind met down syndroom heeft minder aanleg
• De sociaal-emotionele ontwikkeling: heeft betrekking op de ontwikkeling van de gevoelswereld
van het kind en zijn interactie met andere mensen.
Bvb: samen aandacht delen: naar de bal kijken met mama, een baby kan dat niet.
Aangeboren sociaal-emotioneel vermogen: bvb kind met autisme heeft minder aanleg
Externe stimuli: een geïsoleerd kind dat opgroeit zonder contact met de buitenwereld (enkel radio),
ontwikkelt weinig taal.
2
,De ontwikkeling op deze drie domeinen is van groot belang voor de taalontwikkeling. Om de
verschillende spraakklanken van zijn taal correct te kunnen produceren moet het kind enerzijds de
klanken uit zijn omgeving goed kunnen waarnemen en anderzijds een goede sensori-motorische
controle hebben over de beweging van lippen, tong, … Bovendien is er een constante wisselwerking
tussen taal en denken, en dus hangt taalontwikkeling nauw samen met de verwerving van cognitieve
vaardigheden. Tot slot verwerft het kind zijn taal in interactie met volwassenen en andere kinderen,
dus speelt het een grote rol hoe het kind zich voelt en hoe vlot het sociale contacten kan leggen.
Aangeboren taalvermogen
Een verschil tussen mens en dier is dat de mens aangeboren taalcapaciteiten heeft, waardoor hij talen
kan leren. Dit is het aangeboren taalvermogen of de taalaanleg. Kinderen hebben dit aangeboren
taalvermogen nodig om tot een goede taalontwikkeling te komen. Niet ieder kind heeft echter
evenveel taalaanleg, hierin zijn grote verschillen.
Verschillende componenten van de hersenen zijn verantwoordelijk voor de taalontwikkeling. Bij
beschadiging van een hersengebied dat belangrijk is voor de taalontwikkeling, nemen andere gebieden
die taak over. Bij jonge kinderen verloopt dat vlotter dan bij oudere kinderen of bij volwassenen. De
hersenen zijn heel flexibel tijdens de eerste zeven levensjaren = de kritische periode. Tijdens deze
periode leert het kind het grootste deel van zijn moedertaal. Na deze kritische periode kan een kind
nog taal leren maar dat gaat minder vlot en hij zal niet meer hetzelfde niveau bereiken.
De taalaanleg staat los van eventuele lichamelijke problemen, bij slechthorende kinderen is er niets
mis met de aanleg tot taalleren. Deze kinderen hebben wel minde gunstige sensori-motorische
voorwaarden.
Taalaanbod
Het aangeboren taalvermogen is niet voldoende, een kind kan geen taal leren als het niet in contact
komt met die taal. Kinderen leren dankzij het taalaanbod van ouders en opvoeders. Kinderen die
opgroeien in een Nederlandse omgeving leren Nederlands, kinderen die opgroeien in een Franse
omgeving leren Frans, … Kinderen die vanaf hun geboorte twee talen horen, leren vanaf jonge leeftijd
beide talen. Welke talen een kind leert heeft niet te maken met de taalaanleg of met andere
ontwikkelingsdomeinen, maar wel met het taalaanbod.
• Taalaanbod = de taal die het kind hoort vanaf zijn geboorte.
• Brede omgevingstaal = taal die niet specifiek tot het kind gericht is. Mama praat met papa terwijl
het kind in dezelfde kamer speelt. Uit deze taal leert het kind niet zoveel.
• Verzorgerstaal / Child directed speech / motherese (/fatherese) = taal die specifiek tot het kind
gericht wordt. De ouders en opvoeders passen hun taalaanbod automatisch aan als ze tegen
kinderen praten. Hieruit leert het kind veel meer.
Het taalgebruik van de opvoeder heeft een grote voorbeeldfunctie: met een voldoende en aangepast
taalaanbod kan de opvoeder de taalontwikkeling van het kind duidelijk stimuleren. Het kind gebruikt
dat taalaanbod om woordbetekenissen en taalregels uit te proberen en af te leiden. Er is een duidelijk
verband tussen het taalaanbod dat een kind krijgt en zijn woordenschatverwerving. In gezinnen waar
ouders veel praten tegen kinderen, veel voorlezen en elke “wat is dat?-vraag” beantwoorden,
ontwikkelen de kinderen een grotere woordenschat. De stimulering van de taalverwerving gebeurt
het beste spontaan en spelenderwijs (niet te bewust), als we gewoon met het kind praten, voorlezen
of zingen. De taalontwikkeling is vooral een creatief proces waarbij het kind zelf op zoek gaat naar de
middelen om zijn gedachten en gevoelens in taal uit te drukken.
3
, De wisselwerking tussen aangeboren taalvermogen en taalaanbod
Kinderen kunnen op een korte tijd het ingewikkeld taalsysteem onder de knie krijgen. Dit lukt hen
dankzij een goede wisselwerking tussen het aangeboren taalvermogen en het taalaanbod. Kinderen
leren een taal door imitatie en door creativiteit. Die creativiteit merk je op in de kinderlijke woorden
die ze uitvinden (bvb: tienentwintig voor dertig, smeervlees voor pastei, …). Deze vormen getuigen van
een creatieve toepassing van een reeks regels; ze lijken bijna altijd wel op bestaande vormen
(negenentwintig, smeerkaas, …)
In het taalaanbod zoekt het kind naar regelmatigheden: het vormt voor zichzelf veronderstellingen
over de taal, dan toetst het die veronderstellingen aan de praktijk. Bevestigt het taalaanbod zijn
formulering, dan wordt de veronderstelling een regel. Komt het niet overeen, dan herformuleert het
kind zijn veronderstelling (alles grotendeels onbewust).
Aangeboren taalvermogen = motor van een auto
Taalaanbod = brandstof voor de auto
Bereikt de brandstof de motor, dan komt het taalverwervingsmechanisme op gang. Is de brandstof
bovendien goed afgestemd op de motor van dat ene kind, dan rijdt de taalauto comfortabel.
2.1.2 De taalontwikkeling stimuleren via interactie
Interactievaardigheden zijn alle vaardigheden die je als kleuterleraar inzet terwijl je met kleuters
communiceert. De systematische, voortdurende interactie tussen jou en de kleuter is de motor van
taalontwikkeling. De kunst bestaat erin om met minder taalvaardige of stille kleuters niet in taalarme
gesprekken te vervallen maar ook met hen rijke interacties aan te gaan. Dat kan je doen door:
- Enthousiaste vragen stellen en aandachtig luisteren naar de antwoorden
- Duidelijke, concrete opdrachten geven
- Doorvragen wanneer de kleuter iets vertelt
- Reflecteren over wat ze hebben geleerd
- … De hele dag door in interactie
2.1.3 Interactievaardigheden: taalaanbod, taalruimte en feedback
Drie vaardigheden zijn cruciaal voor goede gesprekken met kleuters: de drie taalgroeimiddelen:
taalaanbod, taalruimte en feedback.
A) Taalaanbod: gaat over de taal die je als leerkracht gebruikt. Je dient als model, je daagt de
kleuters uit door rijke taal te gebruiken. Je maakt volzinnen met een uitgebreide woordenschat
uit de dagelijkse spreektaal en de abstracte schooltaal. Je praat over het hier en nu, maar ook
over het daar en toen en over de toekomst. Je koppelt woorden aan beelden en beelden aan
woorden: taal ondersteunen met beeldmateriaal en gebaren, en alles wat je doet benoemen
met taal.
B) Taalruimte: gaat over de ruimte en de mogelijkheden die je aan kleuters geeft om gedachten,
redeneringen en ervaringen met elkaar te delen. Je kijkt warm en uitnodigend, toont interesse,
daagt de kleuters uit door goede vragen te stellen en voldoende denk-en spreektijd te geven
in geplande en ongeplande gespreksmomenten. Je ondersteunt de kleuters wanneer het
moeilijk gaat.
4