DEEL 2 MUSCULOSKETAAL STELSEL (TRAUMATOLOGIE, ORTHOPEDIE, REUMATOLOGIE)
H4 – traumatologie
➔ diagnostiek en behandeling van acute letsels aan bewegings apparaat, variërend van
botbreuken (fracturen) tot schade aan gewrichten, spieren en pezen.
4.1 fracturen / breuken
= onderbreking in structurele continuïteit van het bot of botcortex.
Elk bot kan breken wanneer inwerkende kracht de elastische capaciteit & dragende kracht van
bot overschrijdt.
oorzaak
- acuut letsel (trauma)
- repetitieve microtrauma’s bij overbelasting (=stressfractuur)
- onderliggende aandoening die bot verzwakt (=pathologische fractuur), bv. osteoporose
of aanwezigheid van tumoraal weefsel (botkanker, botmetastasen).
4.1.1 Classificatie van fracturen
1. Breukpatroon
Verschillende vormen: dwars, lengte (lineair), schuin of
spiraalvormig.
Locatie-onafhankelijk: kan overal voorkomen, midden van bot
(diafyse), bij groeischijven of binnenin gewricht.
2. Speciale types fracturen
✓ Groenhoutfractuur: Onvolledige breuk - bot buigt
aan ene kant en breekt aan andere kant. Komt
vooral voor bij kinderen.
✓ Comminutieve fractuur: bot is in meer dan twee
stukken verbrijzeld. Dit is een instabiele breuk.
✓ Avulsiefractuur: pees of ligament trekt een stukje
bot los.
✓ Impactiefractuur: Botdelen zijn in elkaar gedrukt.
Bij wervels heet dit een indeukingsfractuur.
3. Verplaatsing
= botfragmenten verschoven na de breuk, richten op positie van het distale fragment; bv.
dwarse radiusfractuur met posterieure verplaatsing en hoekstand van de pols.
, 4. Open vs. gesloten fracturen
open fractuur : overliggende huid doorbroken -> botfragment naar buiten gekomen of
uitwendige wonde diep genoeg om bot te bereiken.
➔ hoog infectierisico ! = behandeling urgent en chirurgisch (spoelen, debridement,
stabilisatie), + antibiotica.
4.1.2 Klinisch beeld
• Pijn.
• Zwelling
• blauwe plekken (ecchymose)
• instabiliteit
• functieverlies.
Onderscheid: Alleen pijn en zwelling zijn niet genoeg om een breuk van een kneuzing te
onderscheiden.
Duidelijke signalen: Abnormale stand, vreemde beweeglijkheid of een open wond (open
fractuur).
Bevestiging: medische beeldvorming -> röntgenfoto of CT-scan.
4.1.3 Botheling
= fragmenten weer aan elkaar te laten groeien.
1. Primaire (directe) botheling
➢ Kenmerk: Botfragmenten sluiten perfect aan zonder 'callus' (tussenstof).
➢ Voorwaarde: enkel bij perfecte stand en absolute stabiliteit.
➢ Praktijk: Komt in de realiteit bijna nooit voor.
2. Secundaire (indirecte) botheling
➢ Fase 1: Hematoom en ontsteking (week 1)
o Bloeding rond breuk vormt een hematoom.
o Ontstekingscellen ruimen dode botresten op.
➢ Fase 2: Zachte callus (week 2-3)
o Vorming van een brug van bindweefsel en kraakbeen.
o breuk wordt minder beweeglijk, nog niet belastbaar.
, ➢ Fase 3: Harde callus (week 4-12)
o Kraakbeen verandert in onregelmatig bot.
o verbinding wordt steviger en zichtbaar op röntgenfoto's.
➢ Fase 4: Remodeling (maanden tot jaren)
o Overtollig bot afgebroken; nieuw bot gevormd volgens de belastingslijnen.
o Het bot krijgt oorspronkelijke, sterke structuur terug.
Let op: Kleine breuken in 1e week vaak onzichtbaar op een röntgenfoto (Rx) en pas later
zichtbaar tijdens het herstelproces.
4.1.4 Behandelprincipes
1. Reductie (Stand herstellen)
terugbrengen van botfragmenten naar normale stand, cruciaal bij verplaatsing of risico op vaat-
/zenuwletsel.
✓ Gesloten reductie: Handmatige manipulatie of tractie (vaak onder sedatie).
✓ Open reductie: Chirurgische ingreep voor nauwkeurige positionering (nodig bij bijv.
gewrichtsbreuken).
2. Stabilisatie (Vastzetten)
bot in de juiste stand geneest.
• Gips/Spalk (Conservatief): Voor stabiele
breuken. In acute fase altijd ruimte laten voor
zwelling. Gewrichten boven en onder de breuk
worden mee vastgezet.
• Functionele brace: zodra er harde callus is;
staat gecontroleerde beweging toe.
• Interne fixatie (Chirurgisch): platen, schroeven of pennen (nagels) in lichaam.
• Externe fixatie: frame aan de buitenkant van het lichaam, vaak bij open wonden of
ernstig letsel.
3. Mobilisatie (Bewegen)
Herstel van functie en voorkomen van stijfheid.
• Acute fase: Hoogstand (elevatie) tegen zwelling en voorzichtig bewegen van vrije delen
(bijv. tenen).
• Vervolg: Zodra het kan, actief bewegen en de belasting rustig opbouwen.
• Preventie: niet-aangedane gewrichten (zoals de schouder bij een polsbreuk) bewegen.
, 4.1.5 Complicaties
1. Acute Fase (Direct)
➢ Zenuw- en vaatletsels: Beschadiging van nabijgelegen
structuren.
!! CMS controleren: Circulatie, Motoriek en Sensibiliteit.
➢ Compartimentsyndroom: Urgente noodsituatie -> extreme druk/zwelling in
spiercompartiment -> bloedtoevoer stopt -> weefselsterfte.
o symptomen 5 P's: Pijn (extreem), Palor (bleek), Paresthesie (tinteling), Parese
(verlamming), Pulselessness (geen hartslag voelbaar).
o Behandeling: Directe operatie (fasciotomie) om druk te ontlasten.
➢ Vetembool: Vet uit beenmerg in bloedbaan (vaak bij breuken van dijbeen of
scheenbeen).
o Symptoom: Plotselinge benauwdheid (dyspneu).
o Behandeling: Ondersteunend en snelle fixatie van de breuk.
2. Chronische Fase (Later)
➢ Avasculaire necrose (AVN): Botweefsel sterft af
door onderbroken bloedtoevoer .
o Risicoplekken: Femurkop (heup) en os
scaphoideum (pols).
➢ Genezingsproblemen:
o Non-union: Bot groeit niet meer aan elkaar zonder operatie.
o Delayed union: Vertraagde genezing.
o Malunion: Bot groeit vast in een verkeerde stand (leidt bij volwassenen tot
functieverlies).
➢ CRPS (Südeck dystrofie): chronisch pijnsyndroom na een letsel.
o symptomen: Extreme pijn, zwelling, kleurverandering van de huid en stijfheid.
o Behandeling: Intensieve pijn- en kinesitherapie.
4.2 Gewrichts- en weke delen letsels
Niet elk letsel is een breuk, maar maakt het niet minder serieus.
Letsels zonder fractuur
• Weke delen: Dit omvat letsels aan gewrichten, ligamenten (banden), spieren en pezen.
H4 – traumatologie
➔ diagnostiek en behandeling van acute letsels aan bewegings apparaat, variërend van
botbreuken (fracturen) tot schade aan gewrichten, spieren en pezen.
4.1 fracturen / breuken
= onderbreking in structurele continuïteit van het bot of botcortex.
Elk bot kan breken wanneer inwerkende kracht de elastische capaciteit & dragende kracht van
bot overschrijdt.
oorzaak
- acuut letsel (trauma)
- repetitieve microtrauma’s bij overbelasting (=stressfractuur)
- onderliggende aandoening die bot verzwakt (=pathologische fractuur), bv. osteoporose
of aanwezigheid van tumoraal weefsel (botkanker, botmetastasen).
4.1.1 Classificatie van fracturen
1. Breukpatroon
Verschillende vormen: dwars, lengte (lineair), schuin of
spiraalvormig.
Locatie-onafhankelijk: kan overal voorkomen, midden van bot
(diafyse), bij groeischijven of binnenin gewricht.
2. Speciale types fracturen
✓ Groenhoutfractuur: Onvolledige breuk - bot buigt
aan ene kant en breekt aan andere kant. Komt
vooral voor bij kinderen.
✓ Comminutieve fractuur: bot is in meer dan twee
stukken verbrijzeld. Dit is een instabiele breuk.
✓ Avulsiefractuur: pees of ligament trekt een stukje
bot los.
✓ Impactiefractuur: Botdelen zijn in elkaar gedrukt.
Bij wervels heet dit een indeukingsfractuur.
3. Verplaatsing
= botfragmenten verschoven na de breuk, richten op positie van het distale fragment; bv.
dwarse radiusfractuur met posterieure verplaatsing en hoekstand van de pols.
, 4. Open vs. gesloten fracturen
open fractuur : overliggende huid doorbroken -> botfragment naar buiten gekomen of
uitwendige wonde diep genoeg om bot te bereiken.
➔ hoog infectierisico ! = behandeling urgent en chirurgisch (spoelen, debridement,
stabilisatie), + antibiotica.
4.1.2 Klinisch beeld
• Pijn.
• Zwelling
• blauwe plekken (ecchymose)
• instabiliteit
• functieverlies.
Onderscheid: Alleen pijn en zwelling zijn niet genoeg om een breuk van een kneuzing te
onderscheiden.
Duidelijke signalen: Abnormale stand, vreemde beweeglijkheid of een open wond (open
fractuur).
Bevestiging: medische beeldvorming -> röntgenfoto of CT-scan.
4.1.3 Botheling
= fragmenten weer aan elkaar te laten groeien.
1. Primaire (directe) botheling
➢ Kenmerk: Botfragmenten sluiten perfect aan zonder 'callus' (tussenstof).
➢ Voorwaarde: enkel bij perfecte stand en absolute stabiliteit.
➢ Praktijk: Komt in de realiteit bijna nooit voor.
2. Secundaire (indirecte) botheling
➢ Fase 1: Hematoom en ontsteking (week 1)
o Bloeding rond breuk vormt een hematoom.
o Ontstekingscellen ruimen dode botresten op.
➢ Fase 2: Zachte callus (week 2-3)
o Vorming van een brug van bindweefsel en kraakbeen.
o breuk wordt minder beweeglijk, nog niet belastbaar.
, ➢ Fase 3: Harde callus (week 4-12)
o Kraakbeen verandert in onregelmatig bot.
o verbinding wordt steviger en zichtbaar op röntgenfoto's.
➢ Fase 4: Remodeling (maanden tot jaren)
o Overtollig bot afgebroken; nieuw bot gevormd volgens de belastingslijnen.
o Het bot krijgt oorspronkelijke, sterke structuur terug.
Let op: Kleine breuken in 1e week vaak onzichtbaar op een röntgenfoto (Rx) en pas later
zichtbaar tijdens het herstelproces.
4.1.4 Behandelprincipes
1. Reductie (Stand herstellen)
terugbrengen van botfragmenten naar normale stand, cruciaal bij verplaatsing of risico op vaat-
/zenuwletsel.
✓ Gesloten reductie: Handmatige manipulatie of tractie (vaak onder sedatie).
✓ Open reductie: Chirurgische ingreep voor nauwkeurige positionering (nodig bij bijv.
gewrichtsbreuken).
2. Stabilisatie (Vastzetten)
bot in de juiste stand geneest.
• Gips/Spalk (Conservatief): Voor stabiele
breuken. In acute fase altijd ruimte laten voor
zwelling. Gewrichten boven en onder de breuk
worden mee vastgezet.
• Functionele brace: zodra er harde callus is;
staat gecontroleerde beweging toe.
• Interne fixatie (Chirurgisch): platen, schroeven of pennen (nagels) in lichaam.
• Externe fixatie: frame aan de buitenkant van het lichaam, vaak bij open wonden of
ernstig letsel.
3. Mobilisatie (Bewegen)
Herstel van functie en voorkomen van stijfheid.
• Acute fase: Hoogstand (elevatie) tegen zwelling en voorzichtig bewegen van vrije delen
(bijv. tenen).
• Vervolg: Zodra het kan, actief bewegen en de belasting rustig opbouwen.
• Preventie: niet-aangedane gewrichten (zoals de schouder bij een polsbreuk) bewegen.
, 4.1.5 Complicaties
1. Acute Fase (Direct)
➢ Zenuw- en vaatletsels: Beschadiging van nabijgelegen
structuren.
!! CMS controleren: Circulatie, Motoriek en Sensibiliteit.
➢ Compartimentsyndroom: Urgente noodsituatie -> extreme druk/zwelling in
spiercompartiment -> bloedtoevoer stopt -> weefselsterfte.
o symptomen 5 P's: Pijn (extreem), Palor (bleek), Paresthesie (tinteling), Parese
(verlamming), Pulselessness (geen hartslag voelbaar).
o Behandeling: Directe operatie (fasciotomie) om druk te ontlasten.
➢ Vetembool: Vet uit beenmerg in bloedbaan (vaak bij breuken van dijbeen of
scheenbeen).
o Symptoom: Plotselinge benauwdheid (dyspneu).
o Behandeling: Ondersteunend en snelle fixatie van de breuk.
2. Chronische Fase (Later)
➢ Avasculaire necrose (AVN): Botweefsel sterft af
door onderbroken bloedtoevoer .
o Risicoplekken: Femurkop (heup) en os
scaphoideum (pols).
➢ Genezingsproblemen:
o Non-union: Bot groeit niet meer aan elkaar zonder operatie.
o Delayed union: Vertraagde genezing.
o Malunion: Bot groeit vast in een verkeerde stand (leidt bij volwassenen tot
functieverlies).
➢ CRPS (Südeck dystrofie): chronisch pijnsyndroom na een letsel.
o symptomen: Extreme pijn, zwelling, kleurverandering van de huid en stijfheid.
o Behandeling: Intensieve pijn- en kinesitherapie.
4.2 Gewrichts- en weke delen letsels
Niet elk letsel is een breuk, maar maakt het niet minder serieus.
Letsels zonder fractuur
• Weke delen: Dit omvat letsels aan gewrichten, ligamenten (banden), spieren en pezen.