1.1 Waarom sociologie in gezinswetenschappen?` ....................................................................... 4
1.2 (Selectief) waarnemen en referentiekader ............................................................................. 4
1.3 Ontstaan van sociologie........................................................................................................... 4
1.4 Wat is sociologie ...................................................................................................................... 5
2.1 1e taak: de empirisch-analytische of de cijferaar ..................................................................... 6
2.2 2e taak: de kritische taak of de mythejager ............................................................................. 6
2.3 3e taak: de praktische taak of de levenskunstenaar ................................................................ 6
2.4 1e houding: belangstelling voor samenhang ............................................................................ 7
2.5 2e houding: afstandelijke betrokkenheid ................................................................................. 7
2.6 3e houding: empirisch gezind................................................................................................... 7
2.7 4e houding: respectvol ............................................................................................................. 7
2.8 5e houding: methodische verwondering ................................................................................. 7
3.1 Paradoxale onzekerheid .......................................................................................................... 8
3.2 De kijk van 5 hedendaagse sociologen .................................................................................... 8
4.1 Ulrich Beck ............................................................................................................................. 10
4.2 Risicomaatschappij ................................................................................................................ 10
4.3 4 kenmerken van de mondiale risicomaatschappij ............................................................... 10
4.4 Drie fasen bij de overgang naar een risicomaatschappij ....................................................... 10
5.1 Historisch perspectief ............................................................................................................ 11
5.2 Case: ecologische voetafdruk ................................................................................................ 11
5.3 Case: de klimaatopwarming (klimaatcrisis) ........................................................................... 11
6.1 Globalisering in de economie ................................................................................................ 12
6.2 Verschuivingen op de arbeidsmarkt ...................................................................................... 12
6.3 Gevolgen ................................................................................................................................ 12
7.1 Historisch perspectief ............................................................................................................ 13
7.2 Keuzes .................................................................................................................................... 13
7.3 Risico’s ................................................................................................................................... 13
7.4 Kanttekeningen...................................................................................................................... 13
2
,8.1 Hartmut Rosa – 3 soorten versnelling ................................................................................... 14
8.2 3 tijdsparadoxen .................................................................................................................... 14
8.3 Collectieve ritmes en de nood aan tijdsbeleid ....................................................................... 14
9.1 Geschiedenis van migratie in België ...................................................................................... 15
9.2 Nu: superdiversiteit ............................................................................................................... 15
9.3 Taalgebruik ............................................................................................................................ 16
10.1 Kosmopolitische blik .............................................................................................................. 17
10.2 Transnationaliteit................................................................................................................... 17
3
, Inleiding
1.1 Waarom sociologie in gezinswetenschappen?`
Omdat: je maar goed met mensen kan werken, wanneer je oog hebt voor de maatschappelijke
context. Die bepaalt immers mee welke kansen en problemen mensen tegenkomen.In welke
wereld of samenleving leven en werken we? Hoe werken de structuren erin? Dat kader heb je nodig
als hulpverlener.
1.2 (Selectief) waarnemen en referentiekader
We nemen waar vanuit een bepaald gezichtspunt, en wie we zijn stuurt onze waarneming. Onze
waarneming is dus selectief. We interpreteren wat we zien ook nog selectief, vanuit ons
referentiekader. Sociologie wil ons helpen systematisch en vanuit verschillende perspectieven te
leren waarnemen. Inzicht in de selectiviteit van onze waarneming is een cruciaal startpunt voor
sociologie maar ook voor hulpverlening.
Volgens klassiek socioloog Erving Goffman: ‘the social construction of reality’. Ons beeld van de
werkelijheid is sociaal geconstrueerd. Hij onderscheidde 3 vormen van selectiviteit.
1) Selective exposure
Vb in de aula is jouw werkelijkheid heel anders dan van iemand die op dat moment in een
fabriek zware arbeid verricht, werkzoekenden zien een ander stuk samenleving dan
werkenden, afhankelijk van welke krant je leest krijg je ander nieuws te zien
2) Selective perception
Vb iedereen let op andere zaken, merkt andere zaken
3) Selective retetion
vb laat 10 mensen naar 1 nieuwsuitzending kijken, en ze zullen andere dingen onthouden
1.3 Ontstaan van sociologie
We denken vaak pas na over dingen wanneer onze routines verstoord worden en
vanzelfsprekendheden wegvallen: als de elektriciteit in huis platligt, merk je pas waarvoor je die
allemaal nodig hebt… of als COVID-19 uitbreekt… of het internet een week platligt… Dat geldt ook
voor de samenleving. Zaken worden pas in vraag gesteld, wanneer er zich een probleem voordoet.
Dit noemen we de normatieve kracht van de feitelijkheid.
Sociologie ontstond na een aantal veranderingen in de samenleving eind 19e eeuw:
- De industriële revolutie
- De opkomst van kapitalisme
- Opkomst van en onderscheid tussen de staat en de maatschappij oa door de teloorgang
van een door God gewilde orde -> wanneer de samenleving door ons gebouwd wordt en
niet van hogerhand gewild, kunnen we bvb sociale problemen in vraag stellen/veranderen
Sociologie moest bijdragen aan stabiliteit en verandering. Er waren 2 stromingen: enerzijds een
restauratiementaliteit, anderzijds maatschappijkritiek (oa Karl Marx, Emile Durkheim, Max Weber).
1.3.1 Sociologie als sociale fysica
Binnen de context van de 19e eeuw kenden de exacte wetenschappen grote vooruitgang.
Grondlegger van de sociologie August Comte haalde hier zijn inspiratie voor de sociologie als een
soort ‘sociale fysica’. Sociologie zou de wetten van het menselijk samenleven moeten ontdekken.
Dat beeld is allang achterhaald. Sociologie bestudeert sociale processen die doorheen de tijd
veranderen. Ijzer smelt altijd op dezelfde temperatuur…
4
1.2 (Selectief) waarnemen en referentiekader ............................................................................. 4
1.3 Ontstaan van sociologie........................................................................................................... 4
1.4 Wat is sociologie ...................................................................................................................... 5
2.1 1e taak: de empirisch-analytische of de cijferaar ..................................................................... 6
2.2 2e taak: de kritische taak of de mythejager ............................................................................. 6
2.3 3e taak: de praktische taak of de levenskunstenaar ................................................................ 6
2.4 1e houding: belangstelling voor samenhang ............................................................................ 7
2.5 2e houding: afstandelijke betrokkenheid ................................................................................. 7
2.6 3e houding: empirisch gezind................................................................................................... 7
2.7 4e houding: respectvol ............................................................................................................. 7
2.8 5e houding: methodische verwondering ................................................................................. 7
3.1 Paradoxale onzekerheid .......................................................................................................... 8
3.2 De kijk van 5 hedendaagse sociologen .................................................................................... 8
4.1 Ulrich Beck ............................................................................................................................. 10
4.2 Risicomaatschappij ................................................................................................................ 10
4.3 4 kenmerken van de mondiale risicomaatschappij ............................................................... 10
4.4 Drie fasen bij de overgang naar een risicomaatschappij ....................................................... 10
5.1 Historisch perspectief ............................................................................................................ 11
5.2 Case: ecologische voetafdruk ................................................................................................ 11
5.3 Case: de klimaatopwarming (klimaatcrisis) ........................................................................... 11
6.1 Globalisering in de economie ................................................................................................ 12
6.2 Verschuivingen op de arbeidsmarkt ...................................................................................... 12
6.3 Gevolgen ................................................................................................................................ 12
7.1 Historisch perspectief ............................................................................................................ 13
7.2 Keuzes .................................................................................................................................... 13
7.3 Risico’s ................................................................................................................................... 13
7.4 Kanttekeningen...................................................................................................................... 13
2
,8.1 Hartmut Rosa – 3 soorten versnelling ................................................................................... 14
8.2 3 tijdsparadoxen .................................................................................................................... 14
8.3 Collectieve ritmes en de nood aan tijdsbeleid ....................................................................... 14
9.1 Geschiedenis van migratie in België ...................................................................................... 15
9.2 Nu: superdiversiteit ............................................................................................................... 15
9.3 Taalgebruik ............................................................................................................................ 16
10.1 Kosmopolitische blik .............................................................................................................. 17
10.2 Transnationaliteit................................................................................................................... 17
3
, Inleiding
1.1 Waarom sociologie in gezinswetenschappen?`
Omdat: je maar goed met mensen kan werken, wanneer je oog hebt voor de maatschappelijke
context. Die bepaalt immers mee welke kansen en problemen mensen tegenkomen.In welke
wereld of samenleving leven en werken we? Hoe werken de structuren erin? Dat kader heb je nodig
als hulpverlener.
1.2 (Selectief) waarnemen en referentiekader
We nemen waar vanuit een bepaald gezichtspunt, en wie we zijn stuurt onze waarneming. Onze
waarneming is dus selectief. We interpreteren wat we zien ook nog selectief, vanuit ons
referentiekader. Sociologie wil ons helpen systematisch en vanuit verschillende perspectieven te
leren waarnemen. Inzicht in de selectiviteit van onze waarneming is een cruciaal startpunt voor
sociologie maar ook voor hulpverlening.
Volgens klassiek socioloog Erving Goffman: ‘the social construction of reality’. Ons beeld van de
werkelijheid is sociaal geconstrueerd. Hij onderscheidde 3 vormen van selectiviteit.
1) Selective exposure
Vb in de aula is jouw werkelijkheid heel anders dan van iemand die op dat moment in een
fabriek zware arbeid verricht, werkzoekenden zien een ander stuk samenleving dan
werkenden, afhankelijk van welke krant je leest krijg je ander nieuws te zien
2) Selective perception
Vb iedereen let op andere zaken, merkt andere zaken
3) Selective retetion
vb laat 10 mensen naar 1 nieuwsuitzending kijken, en ze zullen andere dingen onthouden
1.3 Ontstaan van sociologie
We denken vaak pas na over dingen wanneer onze routines verstoord worden en
vanzelfsprekendheden wegvallen: als de elektriciteit in huis platligt, merk je pas waarvoor je die
allemaal nodig hebt… of als COVID-19 uitbreekt… of het internet een week platligt… Dat geldt ook
voor de samenleving. Zaken worden pas in vraag gesteld, wanneer er zich een probleem voordoet.
Dit noemen we de normatieve kracht van de feitelijkheid.
Sociologie ontstond na een aantal veranderingen in de samenleving eind 19e eeuw:
- De industriële revolutie
- De opkomst van kapitalisme
- Opkomst van en onderscheid tussen de staat en de maatschappij oa door de teloorgang
van een door God gewilde orde -> wanneer de samenleving door ons gebouwd wordt en
niet van hogerhand gewild, kunnen we bvb sociale problemen in vraag stellen/veranderen
Sociologie moest bijdragen aan stabiliteit en verandering. Er waren 2 stromingen: enerzijds een
restauratiementaliteit, anderzijds maatschappijkritiek (oa Karl Marx, Emile Durkheim, Max Weber).
1.3.1 Sociologie als sociale fysica
Binnen de context van de 19e eeuw kenden de exacte wetenschappen grote vooruitgang.
Grondlegger van de sociologie August Comte haalde hier zijn inspiratie voor de sociologie als een
soort ‘sociale fysica’. Sociologie zou de wetten van het menselijk samenleven moeten ontdekken.
Dat beeld is allang achterhaald. Sociologie bestudeert sociale processen die doorheen de tijd
veranderen. Ijzer smelt altijd op dezelfde temperatuur…
4