1. Situering in ruimte en tijd
1.1. Geografische situering
Centraal staat de smalle kuststrook aan de oostelijke Middellandse Zee, die zich uitstrekt van de zee tot aan
de Syro-Arabische woestijn, en van Anatolië in het noorden tot aan de Sinaïwoestijn in het zuiden. Dit gebied
wordt vaak Syro-Palestina genoemd, een benaming die om verschillende redenen als problematisch wordt
beschouwd. De regio grenst aan Egypte, Anatolië en Mesopotamië, namelijk drie gebieden waar tijdens de
Oudheid machtige beschavingen ontstonden. Samen met Mesopotamië vormt Syro-Palestina de zogenaamde
Vruchtbare Sikkel, een halve maan van vruchtbare gebieden rond de Syro-Arabische woestijn (zie linkse foto).
Syro-Palestina functioneerde door zijn ligging voortdurend als een kruispunt van mensen en culturen. Langs
de zee had het gebeid sterke verbindingen met het bredere Middellandse Zeegebied, terwijl het binnenland
werd doorkruist door belangrijke handelsroutes naar Egypte en Mesopotamië. De voornaamste handels- en
militaire route liep vanaf Egypte langs de kuststrook naar het noorden om dan bij Megiddo het binnenland in
te buigen en liep verder langs Hazor naar Damascus. Vanuit Damascus leidde de route via Tadmor (Palmyra)
naar Mari aan de Eufraat, terwijl een alternatieve route via Aleppo ook de Eufraat kon bereiken. Met behulp
van deze netwerken en strategische ligging was de geschiedenis van Syro-Palestina nauw verweven met die
van de omliggende grootmachten Egypte en Mesopotamië, en stond de regio vaak onder hun directe invloed.
1.1.1. Benaming van het gebied
Zoals vermeld is de naam Syro-Palestina dus niet onomstreden, want sommige onderzoekers vinden de term
anachronistisch (niet passend in huidige tijd) aangezien hij stamt van de Romeinse provincie Syria Palaestina
en dus niet past bij de meeste periodes die worden behandeld in dit vak. Daarnaast dragen de woorden Syrië
en Palestina vandaag geopolitieke connotaties die sommige geleerden problematisch vinden, waardoor men
gaat gebruikmaken van de neutrale term Levant, dat betekent ‘land van de opgaande zon’ omdat het gebied
zich aan de oostelijke Middellandse Zeekust bevindt, of spreekt men algemeen van het Oude Nabije Oosten.
Voor het zuidelijke deel van Syro-Palestina speelt ook een naamprobleem, waardoor het gebeid kan worden
aangeduid als de Zuidelijke Levant, Palestina, Israël, het Land van de Bijbel of het Heilig Land. Onderzoekers
uit Israël verwijzen naar dit gebied met de term ‘Erets Israel’ om onderscheid te maken met het staatkundig
Israël. In de Oudheid kwam ook de naam Kanaän voor, dat terug te vinden is in wetenschappelijke publicaties.
, 1.1.2. Geografie van Syro-Palestina (!)
Syro-Palestina bestaat uit vier parallelle reliëfzones die van noord naar zuid lopen, namelijk de kustvlakte, het
westelijk bergland, de centrale vallei & het oostelijk bergland/plateau. De kustvlakte wisselt sterk in breedte,
want bijvoorbeeld bij de oude stad Ugarit is ze breed (25 km), maar in Libanon is ze heel smal en komen de
bergen als het ware tot de zee. Het westelijke bergland wordt gevormd door de Jebel Ansariyah in Syrië en
het Libanongebergte, en bereikt zijn grootste hoogte in het Libanongebergte met 3083 m. De centrale vallei
maakt deel uit van de Grote Slenk en wordt van noord naar zuid gevormd door de Orontes-vallei, Beqa-vallei
en de Arabah tussen de Dode Zee en Rode Zee. Het oostelijke bergland is in het noorden een plateau, in het
zuiden eerder een reliëf met Anti-Libanon, om dan in het oosten in de Syro-Arabische woestijn over te gaan.
1.1.3. Klimaat van Syro-Palestina
Het reliëf bepaalt in hoge mate de neerslag en de daarmee verbonden vruchtbaarheid in Syro-Palestina. De
wind komt in de regio uit het zuidwesten over zee, waardoor de wolken het westelijke bergland ontmoeten en
omhoog worden gestuwd, met orografische neerslag tot gevolg. Hierdoor ontvangt het westelijke bergland
veruit de meeste neerslag, terwijl de centrale vallei relatief droog blijft. De hoogste bergen krijgen daarbij de
meeste neerslag tot 1600 mm per jaar en door de grote hoogte is sneeuwval op Libanon en Anti-libanon zeer
frequent. Ook loopt de hoeveelheid neerslag af van noord naar zuid, waarbij het noorden meer regen krijgt.
Het gebrek aan rivieren en het gebroken reliëf maken neerslag in Syro-Palestina bepalend voor de landbouw
en leefbaarheid. Globaal gelden volgende drempels om aan landbouw te doen: bij meer dan 400 mm neerslag
is landbouw goed mogelijk, bij 200-400 mm neerslag zijn wintergewassen mogelijk maar vooral geschikt als
steppe voor veeteelt & bij minder dan 200 mm neerslag is zelfs permanente veeteelt onmogelijk. Ook door
het reliëf liggen vruchtbare zones en woestijngebieden soms maar op enkele kilometers van elkaar, waardoor
veranderingen in neerslag grote effecten kan hebben. Historisch hebben kleine dalingen in jaarlijkse neerslag
geleid tot mislukte oogsten, verplaatsing naar vruchtbaarder gebied en demografische verschuivingen.
, Libanon Judese bergland Woestijn van Judea
Jordaan Dode Zee
1.2. Situering in tijd
1.2.1. Periodes, datering en methodologische problemen
De cursus gaat vooral over de periode van de Late Bronstijd tot de Romeinse tijd, waarbij naamgeving gebeurt
volgens archeologische (bv IJzertijd) en historische aanduidingen (bv Neo-Assyrische periode). De nadruk ligt
dus op het eerste millennium v.C., omdat er vanaf dan historische bronnen voor het eerst beschikbaar zijn.
Bij de studie van de Levant stuiten we vaak op dateringsproblemen omdat er voor het eerste millennium v.C.
relatief weinig dateerbare historische bronnen beschikbaar zijn. Veel gebeurtenissen worden in historische
bronnen gerapporteerd via de regeringsjaren van koningen (bv. ‘in het zevende jaar van koning Artaxerxes’),
waardoor historici vaak eerst een relatieve chronologie moeten opbouwen en die vervolgens gaan koppelen
aan enkele gelinkte maar wel absoluut gedateerde gebeurtenissen. De relatieve dateringen door middel van
archeologie (stratigrafie, typologie…) en de 14C-datering van organisch materiaal kunnen ondersteuning aan
de datering geven, maar deze zijn meestal niet voldoende om met zekerheid alles te kunnen dateren.
Het onderzoek naar de Zuidelijke Levant voor het eerste millennium v.C. is methodologisch heel interessant,
omdat het de ontstaansplaats is van de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament, maar ook het decor
vormt voor de meeste verhalen die erin voorkomen. Vroeg onderzoek werd daarom vooral gedreven door de
wens de bijbelse verhalen te verifiëren, waardoor men sprak van ‘Bijbelse archeologie/geschiedenis’. Maar
dit leverde problemen op, want dit leidde soms tot eenzijdige interpretaties en een te makkelijke acceptatie
van de Bijbel als historische bron. Tegenwoordig wordt de Bijbel nog steeds als bron gebruikt, maar kritisch
en gelijkaardig aan andere bewijsmaterialen, waardoor we niet meer spreken van een ‘Bijbelse geschiedenis’,
maar archeologen en historici streven naar de onafhankelijke discipline ‘geschiedenis van de Levant’.
, 1.2.2. Bronstijd
1.2.2.1. Vroeg- en Midden-Brons periode (3300-1600 v.C.)
De Levant werd al tijdens het neolithicum bevolkt en behoorde tot een van de gebieden waar de Neolithische
Revolutie zich voor het eerst heeft voorgedaan. Tijdens de Bronstijd ontwikkelden zich de eerste belangrijke
urbane centra, waarbij Megiddo zelfs al in de Vroeg-Brons periode (3300-2300 v.C.) belangrijk was. Na een
korte terugval aan het begin van de Midden-Brons periode (2300-2000 v.C.) ontstond in het tweede deel van
de Midden-Brons periode (2000-1600 v.C.) een hernieuwde urbanisatie en het ontstaan van regionale staten,
waarbij de invloed van de Levant zich ook tijdelijk uitbreidde naar de omliggende rijken. Het Egyptische Rijk
ging na de twaalfde dynastie sterk achteruit, waardoor in de Tweede Tussenperiode (1650-1550 v.C.) de uit
de Levant afkomstige Hyksos aan de macht kwam in Noord-Egypte en hun hoofdstad Avaris stichtten. Maar
ook in Mesopotamië vestigden Amorietisch dynastieën zich en domineerden lange tijd, bv onder Hammurabi.
1.2.2.2. Laat-Brons periode (1600-1200 v.C.)
In de Laat-Brons periode kwam de Levant grotendeels onder buitenlands bestuur met het zuiden onder een
sterke Egyptische invloed, terwijl het noorden eerst gecontroleerd werd door de Hurrieten en later door de
Hettieten. Rond 1550 v.C. vestigde de achttiende dynastie het Nieuwe Rijk in Egypte, waarna de Hyksos werd
verdreven uit Egypte. Om zowel hernieuwde inmenging van de Levantijnen te voorkomen als de opkomst van
machtige noordelijke rijken tegen te houden, nam de Egyptische inmenging van de Zuidelijke Levant sterk toe.
Toetmosis I trok de Levant binnen en bereikte de Eufraat, wat tot confrontaties met het Mitanni Rijk leidde.
Onder Toetmosis II en Hatsjepsut verminderde deze militaire druk, waardoor de Mitanni bijna de volledige
Levant in zijn macht kreeg. Pas onder Toetmosis III (1457-1425 v.C.) werd hun heerschappij doorbraken met
een militaire campagne die zijn hoogtepunt bereikte in de slag van Megiddo, dat staat afgebeeld op de tempel
van Karnak (zei foto rechts). Vanaf dat moment kwam de zuidelijke Levant onder stevige Egyptische controle.
In de 14de eeuw v.C. verzwakte de militaire greep van Egypte op de Levant, maar juist die periode werd goed
gedocumenteerd dankzij de vondst van het Amarna-archief. Dit bestond uit 380 diplomatieve brieven en is
teruggevonden in farao Echnaton’s hoofdstad Achet-Aton (Tell el-Amarna). De inhoud van de brieven bestond
uit de correspondentie tussen Egypte en andere grootmachten, en tonen een zwak centraal gezag en dalende
macht van Egypte in de regio, omdat lokale vorsten herhaaldelijk om militaire hulp vroegen tegen opstanden.
Een boeiend element uit de Amarna-brieven zijn de zogenaamde Apiru, dat waarschijnlijk niet de aanduiding
is van een etnische groep maar eerder van een sociale groep van uitgeslotenen die soms steden bedreigden
en soms met hen samenwerkten. Hoewel gelijkenis in naam met de ‘Ivrim’ (Hebreeën), die later het koninkrijk
Israël en Judae zouden stichten, een verband suggereert, blijft deze onzeker en is deze ook niet bewezen.
, Aan het begin van de Laat-Brons periode (1595 v.C.) ontstond er door de Hettietische expansies in Anatolië en
Noord-Syrië een machtsvacuüm waaruit het Mitanni-Rijk kon opstaan. Deze drongen vanuit het noorden in
Syrië binnen en bouwden een rijk waarvan de hoofdstad Wassukanni nog steeds niet is geïdentificeerd. Over
de Mitanni is niet veel bekend, want de meeste informatie over hen komt uit externe bronnen, bv. het Amarna-
archief, de teksten van Aalalakh… Namen van Mitanni-koningen zijn dan weer uit Egyptische bronnen bekend.
Via deze Egyptische bronnen weten we dat koning Sjausjtatar de confrontatie aanging met farao Toetmosis III
bij de slag van Megiddo, maar toch de invloed van de Mitanni in Syrië en richting Assyrië wist uit te breiden.
In de eerste helft van de 14de eeuw v.C. verzwakte de macht van de Mitanni in het voordeel van de Hettieten
die in het gebied kwamen opzetten. Onder de Hettietische koning Suppiluliuma I werd het westelijk deel van
het Mitanni-Rijk in 1330 v.C. een vazalgebied, terwijl het oosten van het rijk aan de Assyriërs verloren ging, maar
uiteindelijk werd ook het hartland van de Mitanni een vazalgebied als bufferzone tegen de Assyriërs die in het
zuiden van Mesopotamië sterk kwamen opzetten. De Hettieten organiseerden hun rijk via het systeem van de
Hettietische prinsen die toezicht hielden op lokale vazalkoningen van verschillende vazalsteden (bv. Aleppo).
Na een periode van verminderde Egyptische aandacht voor de Levant,
hernieuwde farao Seti I (1294-1279 v.C.) militaire activiteit in de regio,
onder meer gericht tegen de stad Qadesh. Zijn opvolger was de grote
farao Ramses II (1279-1213 v.C.) die de Egyptische invloed in de Levant
probeerde verder uit te breiden. In 1275 v.C. werd hij door de Hettieten
verrast bij Qadesh en zelfs bijna verslaan, maar Ramses wist net op tijd
de linies te doorbreken en zo de Slag van Qadesh onbeslist te houden.
Hoewel Ramses de veldslag presenteerde als een overwinning, onder andere op zijn Abu Simbel tempel, waren
de gevolgen op het terrein eerder in het voordeel van de Hettieten, maar toch bleef het zuiden van de Levant
in handen van de Egyptenaren. Onder Hattusili III kwam het tussen Egypte en de Hettieten tot een verdrag,
dat bezegeld werd met het huwelijk tussen Ramses II en een Hettietische prinses, en waarmee een stabiele
machtsbalans werd bereikt. Zo kon Ramses zich ook op zijn grootschalige bouwprojecten in Egypte richten.
Ramses’ opvolger farao Merneptah (1213-1203 v.C.) vermeldt in een inscriptie voor het eerst de zogenaamde
Zeevolkeren, die tegen het eind van de 13de eeuw v.C. een ingrijpende impact op het oostelijke Middellandse
Zeegebied hadden. De Zeevolkeren zijn mede verantwoordelijk voor de ondergang van het Hettietische rijk
en de vernietiging van stadsstaten zoals Ugarit, Alalakh en Hazor, maar ook van de eilanden Kreta en Cyprus.
Ze verzwakten de Egyptische macht en vestigden zich als een nieuwe bevolkingsgroep in de Zuidelijke Levant.
In de Laat-Brons periode kende de Noordelijke Levant veel belangrijke
stadsstaten. Een archeologisch/historisch interessante stad is Ugarit,
dat tijdens de 13de eeuw v.C. grote welvaart bereikte door overzeese
handel en door opbrengsten van wijn, olijfolie, hout en purper. De stad
koos bij de slag van Qadesh de kant van de Hettieten en profiteerde van
de relatieve stabiliteit na het Egyptisch-Hettitische verdrag. De stad is
belangrijk voor onze kennis uit die periode, want er is veel opgegraven,
zoals tekstmateriaal in zeven verschillende talen. Ugarit besloeg ca. 30
hectare met een acropolis (O), paleizencomplex (W) en woonwijken,
waardoor we veel weten over het dagelijke leven. De huizen waren van
natuursteen + hout en bestaan uit twee verdiepingen met gelijkvloers
opslag- en werkplaatsen & op de bovenverdieping woonruimten.