Farmacologie
Hoofdstuk 1: Analgetica (GTF)
1. Inleiding
1.1 Wat zijn analgetica?
Analgetica = pijnstillers.
Werking: blokkeren alarmsignalen naar de hersenen, maar heffen de
oorzaak van de pijn niet op.
Kunnen worden onderverdeeld in:
o Niet-narcotische analgetica (zoals paracetamol, NSAID's).
o Narcotische analgetica (opioïden) (zoals morfine, fentanyl).
1.2 Definitie van pijn
Pijn is subjectief: "Pijn is wat de patiënt zegt dat het is en ontstaat wanneer
hij/zij het zegt."
Afhankelijk van:
o Lichamelijke toestand (bijv. vermoeidheid).
o Psychologische factoren (bijv. angst, stress).
Eerste symptoom van weefselschade.
2. Ontstaan van pijn
PGL komen vrij door het kapotgaan van fosforlipiden komt fosforlipase A2 wij.
Enzyme arachidonzuur wordt door COX 1 & 2 omgezet in PGL
2.1 Fysiologische processen achter pijn
Weefselbeschadiging → afgifte van histamine, bradykinine, serotonine en
prostaglandines (PGL).
Activatie van pijnreceptoren in de zenuwuiteinden → elektrische prikkel
naar de hersenen → bewustwording van pijn.
Endogene opiaten (endorfines) onderdrukken de pijnsignalen
2.2 Rol van prostaglandines (PGL) in pijn
PGL ontstaan uit fosfolipiden via fosfolipase A2 → arachidonzuur →
prostaglandines.
Functies van PGL:
o Pijngevoeligheid verhogen.
o Bloedplaatjesaggregatie beïnvloeden (belangrijk bij bloedstolling).
o Vasodilatatie of -constrictie reguleren.
o Maagzuurproductie remmen (bescherming maagwand).
o Bronchoconstrictie veroorzaken.
o Baarmoedercontractie stimuleren.
2.3 COX-enzymen en pijn
COX-1: betrokken bij homeostase en bescherming van maag, bloedplaatjes
en nieren (goede doorbloeding).
, COX-2: geactiveerd bij ontstekingen en zorgt voor pijn en zwelling.
NSAID’s remmen beide enzymen, wat zowel voordelen als bijwerkingen
geeft.
-> liefst enkel COX2 remmen, maar komt niet veel voor
3. Pijnbehandeling
3.1 Mogelijkheden voor pijnbestrijding
Neurostimulatie (bijv. TENS, ruggenmergstimulatie).
Lokale anesthesie (bijv. lidocaïne-injecties).
Psychosociale ondersteuning (bijv. ontspanningstechnieken).
Fysische maatregelen (bijv. ijskompressen, massage).
Chirurgie (bij structurele problemen).
Geneesmiddelen (analgetica).
3.2 Principes van medicamenteuze pijnbestrijding
1e gedachte: Oorzaak wegnemen indien mogelijk.
Start met een hoge dosis om snel therapeutisch effect te krijgen.
Medicatie op vaste tijden geven voor constante werking.
Ook ‘s nachts medicatie indien nodig.
Bijwerkingen preventief behandelen (bijv.
laxeermiddelen bij opioïden).
-> bij onvoldoende werking volgende stap ondernemen
3.3 WHO-pijnladder
Stap 1: Niet-opioïde analgetica (bijv. paracetamol,
NSAID’s).
Stap 2: Zwakke opioïden (bijv. codeïne, tramadol) +
mogelijk stap 1.
Stap 3: Sterke opioïden (bijv. morfine, fentanyl) +
mogelijk co-analgetica.
4. Niet-narcotische analgetica
4.1. Paracetamol
1e keus: veilig in therapeutische dosis, geen teratogene effecten
Dafalgan 500mg-1g, Perfusalgan
4.1.1 Werking
Matige pijnstiller, koortsverlagend (antipyretisch).
Remt COX-2 in de hersenen en het ruggenmerg. (pijn en zwelling)
Geen ontstekingsremmende werking.
4.1.2 Bijwerkingen en risico’s
Leverbeschadiging bij overdosis (>6 g/dag).
Weinig effect op pgl-synthese
Antidoot bij overdosis: N-acetylcysteïne (Lysomucil®).
Overdosering: hepatoxiciteit met ictusu soms fatale necrose na 24-48u
-> bij volwassene vanaf 10g en met risicofactoren en chronisch gebruik
vanaf 4g
-> kinderen vanaf 150mg/kg
-> acetylcysteïne IV als antidood
Analgetica-hoofdpijn
4.1.3 Dosering
, Volwassenen: 500-1000 mg 4x/d met 4u tussen voor max 4weken
!alcoholisme: max 3g/d en 8u tussen inname!
Kinderen: 10 mg/kg om de 6 uur.
-> interactie met orale anticonceptie: verminderde plasmaconcentratie
4.1.4 Farmacokinetiek
PO: 100% BB werkt via de maag en werkt na 25-45 min
4.1.5 Paracetamol bij zwangerschap en borstvoeding
= 1e keus
Diffusie door placenta
Veilig bij therapeutische dosis
-> foetale leverintoxicatie, foetaal nierlijden, hemolytische anemie
Geen tetratogene effecten
Geen verlengde bloedingstijd
4.2. !!!!!NSAID’s (bv. ibuprofen, diclofenac, naproxen)!!!!!
4.2.1 Werking
Remmen COX-1 en COX-2 → pijnstilling, koortsverlaging,
ontstekingsremming.
4.2.2 Bijwerkingen!!!!!!!
Maagzweren, bloedingen (door COX-1-remming).
Maag en darmaandoeningen
bloedinrisico
Nierinsufficiëntie (door verminderde bloedtoevoer naar de nieren).
Verhoogd risico op hart- en vaatziekten.
Bronchospasmen bij astmapatiënten.
-> interacties: lithium, verminderde werking antihypertensiva/diuretica,
versterking anticoagulantia
4.2.3 zwangerschap en borstvoeding
Voorkeur niet tijdens zwangerschap
Trim 1: klein risico abortus kortdurend
Trim 2: verminderd renale bloedflow => oligiohydramnios
Trim 3: niet
->vertsoring bloedstolling
-> verlengde arbeid
-> vroegtijdig sluiten ductus arteriosis
-> oligurie
Kan tijdens borstvoeding
4.3 Salicylaten en acetylsalicylzuur
4.3.1 Werking
Pijnstillend, koortswerend en anti-inflammatoir
Verhinderd PGL-Synthese + !invloed bloedstolling!
Remming COX1&2
4.3.2 Dosis
= 4-6x/d 300g !max 4g/d!
4.3.2 Zwangerschap en borstvoeding
!verhindering pgl-synthese bij moeder & kind!
Tetratogeniteit trim 1
, Trim 3 vermijden
-> vroegtijdig sluiten ductus arteriosus
-> renale dysfunctie (oligohydramnion)
-> verlengde bloedingstijd !partus, ppbloeding, stollingstoornis baby!
Therapeutisch: lage dosis ter preventie van HT, PET, IUGR door betere
doorbloeding placenta
5. Narcotische analgetica (opioïden)
-> werkt op bewustzijn
Afgeleid van papaver
5.1 Werking
Sterke pijnstillers, werken op het centrale zenuwstelsel (CZS).
Geen ontstekingsremmende of koortsverlagende werking.
Binden aan opioïdreceptoren en blokkeren pijnsignalen. (neurontransmitter
kan niet doorvloeien naar neuron)
Toedieningswijzen
o PO
o Sublinguaal
o Rectaal
o Transdermaal
o IM
o IV
o SC
o epiduraal
5.2 Bijwerkingen
Slaperigheid, euforie, ademhalingsdepressie.
Obstipatie (moet behandeld worden met laxeermiddelen).
Misselijkheid en braken.
Jeuk
hypothermie
Verslavingsgevaar.
5.3 indicaties 5.4 Conta-indicaties
Chronische pijn Acute AH-depressie
Palliatieve Coma
Operaties Verhoogde intracraniële druk
Verhoogd risico paralytische
ileus
Zwangerschap en borstvoeding
5. 5 Voorbeelden
Zwakke opioïden: codeïne, tramadol.
Sterke opioïden: morfine, fentanyl, oxycodon.
Antidoot bij overdosis: Naloxon (Narcan®).
Zuivere agonisten: codeïne, fentanyl, oxycodon, tramadol
Gemengde agonisten: buprenorfine (epidurale!)
5.6 Producten
Fentanyl, sufentanyl (sufenta: epidurale)
Codeïne (nooit bij borstoeding)
Morfine
Piritramide
Methadon
Hoofdstuk 1: Analgetica (GTF)
1. Inleiding
1.1 Wat zijn analgetica?
Analgetica = pijnstillers.
Werking: blokkeren alarmsignalen naar de hersenen, maar heffen de
oorzaak van de pijn niet op.
Kunnen worden onderverdeeld in:
o Niet-narcotische analgetica (zoals paracetamol, NSAID's).
o Narcotische analgetica (opioïden) (zoals morfine, fentanyl).
1.2 Definitie van pijn
Pijn is subjectief: "Pijn is wat de patiënt zegt dat het is en ontstaat wanneer
hij/zij het zegt."
Afhankelijk van:
o Lichamelijke toestand (bijv. vermoeidheid).
o Psychologische factoren (bijv. angst, stress).
Eerste symptoom van weefselschade.
2. Ontstaan van pijn
PGL komen vrij door het kapotgaan van fosforlipiden komt fosforlipase A2 wij.
Enzyme arachidonzuur wordt door COX 1 & 2 omgezet in PGL
2.1 Fysiologische processen achter pijn
Weefselbeschadiging → afgifte van histamine, bradykinine, serotonine en
prostaglandines (PGL).
Activatie van pijnreceptoren in de zenuwuiteinden → elektrische prikkel
naar de hersenen → bewustwording van pijn.
Endogene opiaten (endorfines) onderdrukken de pijnsignalen
2.2 Rol van prostaglandines (PGL) in pijn
PGL ontstaan uit fosfolipiden via fosfolipase A2 → arachidonzuur →
prostaglandines.
Functies van PGL:
o Pijngevoeligheid verhogen.
o Bloedplaatjesaggregatie beïnvloeden (belangrijk bij bloedstolling).
o Vasodilatatie of -constrictie reguleren.
o Maagzuurproductie remmen (bescherming maagwand).
o Bronchoconstrictie veroorzaken.
o Baarmoedercontractie stimuleren.
2.3 COX-enzymen en pijn
COX-1: betrokken bij homeostase en bescherming van maag, bloedplaatjes
en nieren (goede doorbloeding).
, COX-2: geactiveerd bij ontstekingen en zorgt voor pijn en zwelling.
NSAID’s remmen beide enzymen, wat zowel voordelen als bijwerkingen
geeft.
-> liefst enkel COX2 remmen, maar komt niet veel voor
3. Pijnbehandeling
3.1 Mogelijkheden voor pijnbestrijding
Neurostimulatie (bijv. TENS, ruggenmergstimulatie).
Lokale anesthesie (bijv. lidocaïne-injecties).
Psychosociale ondersteuning (bijv. ontspanningstechnieken).
Fysische maatregelen (bijv. ijskompressen, massage).
Chirurgie (bij structurele problemen).
Geneesmiddelen (analgetica).
3.2 Principes van medicamenteuze pijnbestrijding
1e gedachte: Oorzaak wegnemen indien mogelijk.
Start met een hoge dosis om snel therapeutisch effect te krijgen.
Medicatie op vaste tijden geven voor constante werking.
Ook ‘s nachts medicatie indien nodig.
Bijwerkingen preventief behandelen (bijv.
laxeermiddelen bij opioïden).
-> bij onvoldoende werking volgende stap ondernemen
3.3 WHO-pijnladder
Stap 1: Niet-opioïde analgetica (bijv. paracetamol,
NSAID’s).
Stap 2: Zwakke opioïden (bijv. codeïne, tramadol) +
mogelijk stap 1.
Stap 3: Sterke opioïden (bijv. morfine, fentanyl) +
mogelijk co-analgetica.
4. Niet-narcotische analgetica
4.1. Paracetamol
1e keus: veilig in therapeutische dosis, geen teratogene effecten
Dafalgan 500mg-1g, Perfusalgan
4.1.1 Werking
Matige pijnstiller, koortsverlagend (antipyretisch).
Remt COX-2 in de hersenen en het ruggenmerg. (pijn en zwelling)
Geen ontstekingsremmende werking.
4.1.2 Bijwerkingen en risico’s
Leverbeschadiging bij overdosis (>6 g/dag).
Weinig effect op pgl-synthese
Antidoot bij overdosis: N-acetylcysteïne (Lysomucil®).
Overdosering: hepatoxiciteit met ictusu soms fatale necrose na 24-48u
-> bij volwassene vanaf 10g en met risicofactoren en chronisch gebruik
vanaf 4g
-> kinderen vanaf 150mg/kg
-> acetylcysteïne IV als antidood
Analgetica-hoofdpijn
4.1.3 Dosering
, Volwassenen: 500-1000 mg 4x/d met 4u tussen voor max 4weken
!alcoholisme: max 3g/d en 8u tussen inname!
Kinderen: 10 mg/kg om de 6 uur.
-> interactie met orale anticonceptie: verminderde plasmaconcentratie
4.1.4 Farmacokinetiek
PO: 100% BB werkt via de maag en werkt na 25-45 min
4.1.5 Paracetamol bij zwangerschap en borstvoeding
= 1e keus
Diffusie door placenta
Veilig bij therapeutische dosis
-> foetale leverintoxicatie, foetaal nierlijden, hemolytische anemie
Geen tetratogene effecten
Geen verlengde bloedingstijd
4.2. !!!!!NSAID’s (bv. ibuprofen, diclofenac, naproxen)!!!!!
4.2.1 Werking
Remmen COX-1 en COX-2 → pijnstilling, koortsverlaging,
ontstekingsremming.
4.2.2 Bijwerkingen!!!!!!!
Maagzweren, bloedingen (door COX-1-remming).
Maag en darmaandoeningen
bloedinrisico
Nierinsufficiëntie (door verminderde bloedtoevoer naar de nieren).
Verhoogd risico op hart- en vaatziekten.
Bronchospasmen bij astmapatiënten.
-> interacties: lithium, verminderde werking antihypertensiva/diuretica,
versterking anticoagulantia
4.2.3 zwangerschap en borstvoeding
Voorkeur niet tijdens zwangerschap
Trim 1: klein risico abortus kortdurend
Trim 2: verminderd renale bloedflow => oligiohydramnios
Trim 3: niet
->vertsoring bloedstolling
-> verlengde arbeid
-> vroegtijdig sluiten ductus arteriosis
-> oligurie
Kan tijdens borstvoeding
4.3 Salicylaten en acetylsalicylzuur
4.3.1 Werking
Pijnstillend, koortswerend en anti-inflammatoir
Verhinderd PGL-Synthese + !invloed bloedstolling!
Remming COX1&2
4.3.2 Dosis
= 4-6x/d 300g !max 4g/d!
4.3.2 Zwangerschap en borstvoeding
!verhindering pgl-synthese bij moeder & kind!
Tetratogeniteit trim 1
, Trim 3 vermijden
-> vroegtijdig sluiten ductus arteriosus
-> renale dysfunctie (oligohydramnion)
-> verlengde bloedingstijd !partus, ppbloeding, stollingstoornis baby!
Therapeutisch: lage dosis ter preventie van HT, PET, IUGR door betere
doorbloeding placenta
5. Narcotische analgetica (opioïden)
-> werkt op bewustzijn
Afgeleid van papaver
5.1 Werking
Sterke pijnstillers, werken op het centrale zenuwstelsel (CZS).
Geen ontstekingsremmende of koortsverlagende werking.
Binden aan opioïdreceptoren en blokkeren pijnsignalen. (neurontransmitter
kan niet doorvloeien naar neuron)
Toedieningswijzen
o PO
o Sublinguaal
o Rectaal
o Transdermaal
o IM
o IV
o SC
o epiduraal
5.2 Bijwerkingen
Slaperigheid, euforie, ademhalingsdepressie.
Obstipatie (moet behandeld worden met laxeermiddelen).
Misselijkheid en braken.
Jeuk
hypothermie
Verslavingsgevaar.
5.3 indicaties 5.4 Conta-indicaties
Chronische pijn Acute AH-depressie
Palliatieve Coma
Operaties Verhoogde intracraniële druk
Verhoogd risico paralytische
ileus
Zwangerschap en borstvoeding
5. 5 Voorbeelden
Zwakke opioïden: codeïne, tramadol.
Sterke opioïden: morfine, fentanyl, oxycodon.
Antidoot bij overdosis: Naloxon (Narcan®).
Zuivere agonisten: codeïne, fentanyl, oxycodon, tramadol
Gemengde agonisten: buprenorfine (epidurale!)
5.6 Producten
Fentanyl, sufentanyl (sufenta: epidurale)
Codeïne (nooit bij borstoeding)
Morfine
Piritramide
Methadon