HFST 1: PSYCHOLOGIE: EEN PALET VOL THEORIEEN
1. Wat is psychologie
A Onenigheid over de definitie
- Geen eenduidigheid over het object/studieonderwerp
- Object van de wetenschap is bij meeste wetenschappen goed te formuleren, zowel
intern als extern overeenstemming
- Bij psychologie intern als extern geen overeenstemming:
o Extern =tussen psychologie en andere wetenschappen
o Intern = verschillende theoretische stromingen binnen de psychologie +
daarmee samenhangende methode waarmee kennis wordt verworven
o Bv depressie: iemand die systeemtheoretisch werkt en iemand die werkt
volgens psychoanalyse, ook een psychiater en psycholoog benaderen het
ook verschillend dan weer socioloog
Gevolg = Rivaliserende, verschillende beschrijvingen en verklaringen over
eenzelfde onderwerp
bv: verschillende wetenschappelijke vragen over ADHD: psycholoog, arts, socioloog
B Een simpele definiëring van de psychologie
= “Psychologie is een wetenschap waarbij zowel het gedrag van mensen wordt
bestudeerd als de gevoelens en gedachten die mensen hebben bij het ervaren van hun
gedrag en de omstandigheden waarin dat plaatsvindt” (niet)
Gaat over wat mensen denken en voelen
Verschil andere wetenschappen: in psychologische theorieën vinden de beschrijving en
het begrijpen van het object vooral plaats op individueel niveau kijken meer naar de
beleving en waardering van gedrag
Typeren van een wetenschap a.d.h.v. 3 factoren:
- Soorten vragen en problemen (het object)
- Methoden en theorieën
o Wisselwerking tussen deze factoren
o Gevolg: grenzen tussen wetenschappen liggen niet vast
Bv: depressie, in verklaring en behandeling depressie sterke ontwikkeling
richting biologisch en medisch denken in tegenstelling met jaren 60 en 70
waar nadruk werd gelegd op maatschappelijke bepaaldheid van psychische
stoornissen
- Maatschappelijk draagvlak
o = af te leiden uit weerklank in de maatschappij
o Westerse wereld heeft sterke weerklank psychologie = gepsychologiseerde
wereld (maatschappelijk draagvlak is in westerse SL dus groter
o Maatschappelijk draagvlak ligt niet per definitie vast
, 2. Theorieën
= referentiekaders verschillende theorieën gebruikt, waardoor eenzelfde verschijnsel
verschillend verklaard wordt
Bv: uiteenlopende verklaringen bij eetstoornissen: ontstaan vanuit functioneren gezin,
traumatische ervaringen, karakter patiënt, sommige achterhaald zoals dat alle mensen
met een eetstoornis in hun jeugd het slachtoffer zijn van een traumatische ervaring
- Bieden interpretaties waarmee verschijnselen bekeken en verhelderd worden
- Grote verscheidenheid
A functies van theorieën
- Systematiseren of ordenen
o Wetenschappelijke kennisverwerving geschiedt volgens expliciete regels:
Duidelijke en controleerbaar
Herhaalbaar of repliceerbaar
o Wetenschappers kennen geen objectieve waarneming = want hun
waarneming is theoriegeladen hun referentiekader bepaalt wat ze zien
- Verklaren en voorspellen van gedrag
- Heuristische functie
o Een theorie is nooit of, zij levert weer nieuwe ideeën op, stimuleren van
nieuwe ideeën
3. Kenmerken van psychologische stromingen
- Een stroming heeft een geschiedenis
- Een stroming heeft een mensbeeld
A Geschiedenis van theoretische stromingen
- Altijd een historische ontwikkeling
- Altijd invloed van cultuur en tijdstip van ontstaan
- Stromingen reageerden op elkaar
- Vaak sprake van wisselende modes; slingerbeweging
- Stromingen maken gebruik van elkaars inzichten
- Nadruk op effectiviteit van een methode/behandeling
Historische ontwikkeling
- Lange geschiedenis
- Start wetenschappelijke psychologie: 150 jaar geleden, filosofische tradities al
vele eeuwen oud
- 1889: eerste internationale congres voor de psychologie
o Men dacht dat het mensheid zou helpen bij vinden van haar bestemming
o Manier waarop doel realiseren liepen meningen uiteen:
Europese deelnemers: opvatting dat psychologie over een
alomvattende theorie van psychisch functioneren moest beschikken
VS: pragmatische stroming, kennis moest dienstbaar zijn aan
concrete maatschappelijke doelstellingen, die moesten dan
theorievormig bepalen
, - Ontstaan van verschillende stromingen scholen, vergelijkbaar vorming politieke
problemen
- Toen bestreden scholen elkaar, elk hun eigen begrippen, …
Cultuurhistorische bepaaldheid
- Psychologische stromingen = product van de tijd
- Verklaren waarom bepaalde stromingen op een bepaald moment ontstonden
- Voorzagen in de behoefte van die periode
- Vertegenwoordigen W&N die op dat moment belangrijk waren
Op elkaar reageren
= als een dominante stroming een bepaald aspect verwaarloosd, zal een nieuwe en
‘concurrerende’ stroming juist dat aspect benadrukken
Slingerbeweging
Bv: Jaren 50 een non-directieve vorm van hulpverlening als reactie op autoritaire vormen
van hulpverlening in jaren 80 en 90 was de slinger weer op ‘terugweg’
Gebruikmaken van elkaar
= stromingen die samenwerken, een ‘fusie
Bv: opkomst mindfulness, gebruikt door veel therapeuten ongeacht hun oorspronkelijke
school
Nadruk op effectiviteit
Theorie en de daarop gebaseerde behandeling moet bewijzen dat ze een juist inzicht
biedt, dus dat ze werkt = evidence based
Evidence based:
o Afkomstig uit de medische wetenschap
o Wetenschappelijk bewijs uit kwantitatief en kwalitatief onderzoek
B mensbeelden bij theoretische stromingen
= doe ‘de mens’ opgevat wordt
= visie op de kenmerkende eigenschappen van de mens
Beinvloed door historische, culturele en religieuze invloeden bv: huidige
westerse cultuur: gelijkheid van mensen en de mensenrechten, ‘oude Grieken’
kenden opvatting dat slaven en vrouwen geen volwaardige mensen waren
Consequenties voor opvattingen over gezondheid en ziekte
2 aspecten van een mensbeeld:
- Beschrijving van kenmerkende eigenschappen
- Een verwijzing naar hoe mensen behoren te zijn/hoe ze zich moeten gedragen
, Doelbeeld = morele visie =daarin staat centraal hoe een mens zich hoort te gedragen,
we sturen ermee ons eigen handelen aan en beoordelen het gedrag van anderen
4. Indeling van theoretische stromingen
A Mensbeelden in de psychologie
Hoe hoger het niveau, hoe complexer het gedrag (moderne opvatting dat alle 3 de
niveaus aanwezig zijn in menselijk gedrag)
Mechanistische mensbeeld: de mens als machine
- De mens is als een machine, samengesteld uit afzonderlijke delen
- onderdelen bewaren hun afzonderlijke eigenschappen
- mensen beschreven als mechanieken die door externe en/of innerlijke krachten
worden voortbewogen
- houdt in dat delen van mensen zelfstandig bestudeerd kunnen worden
- mensen kunnen bestudeerd worden los van sociale of materiele omgeving waarin
ze functioneren
- bv: Behaviorisme
4 implicaties:
- geen principieel onderscheid tussen mensen en dieren
o beide opgevat als machines, waarbij mens hooguit ingewikkelder is
- verklaringsmodel = lineair causaal
o 1 of meerdere oorzaken voor gedrag (causaal)
o Verband tussen oorzaak en gedrag is rechtlijnig (lineair)
- Geheel is gelijk aan de som der delen
o Er wordt vanuit gegaan dat we alle onderdelen bekend zijn, we het geheel
kennen
- Invloed van de omgeving is niet essentieel
o Iets zelfstandig bestuderen zonder daarbij rekening te houden met de
omgeving waarin ze verkeren
Organistische mensbeeld: de mens als levend organisme
- Mensen zijn als groeiende organismen, als één geheel
- Vergelijkingen met dieren kunnen zinvol zijn
- Interne dynamiek: onderdelen beïnvloeden elkaar en zijn niet los van elkaar te
zien
- Externe dynamiek: organisme staat in verbinding met zijn omgeving, wordt
beïnvloed door de omgeving en beïnvloed zelf de omgeving
- Bv: theorie over gezinsinteractiesysteem, cognitieve psychologie en biologische
psychologie