1.1 inleiding 4
1.2 voorkennis vuurwapens en munitie 5
1.2.1 vuurwapens 5
1.2.2 de loop 6
1.2.3 vuurritme: repeteer, semiautomatisch en automatisch 7
1.2.4 trekkersmechanismen 7
1.2.5 voorladers en achterladers 7
1.2.6 afvuringsmechanismen 8
1.2.7 wapenwet 8 juni 2006 8
1.2.8 munitie 9
1.2.9 werking pistool 10
1.3 onderzoek op de plaats delict 10
1.4 ballistisch onderzoek schotwonden 12
1.5 specifiek ballistisch onderzoek 13
1.5.1 onderzoek van het vuurwapen, hulzen en projectielen 14
2 FEDERALE GERECHTELIJKE POLITIE VAN ARRONDISSEMENT LEUVEN (FGP LEUVEN) 17
2.1 federale recherche vs lokale recherche 17
2.2 beleidspijlers FGP 18
2.2.1 informatiegestuurd 19
2.2.2 recherchemanagement 20
2.2.2.1 kernpunten 20
2.2.2.2 krachtlijn 21
2.2.3 operationaliteit en expertise 22
2.2.3.1 kernpunten 22
2.2.3.2 geïntegreerde afstapping 23
2.2.3.3 nut van sporen 24
2.2.4 steun en synergieën 25
2.2.5 trends 25
3 IT FEDERALE COMPUTER CRIME UNIT (FCCU) 26
3.1 inleiding 26
3.2 cybercrime classificatie en entiteiten 28
3.3 federale computer crime unit 29
3.3.1 ICT forensics 29
3.4 in beslagname van data 31
3.4.1 wetboek van strafvordering 31
3.4.2 vorderen van derden 33
3.4.3 inbeslagname van data 33
3.4.4 exploitatie 34
4 VERKEERSDESKUNDIGE 35
1
,4.1 inleiding 35
4.2 indeling naar bepaalde types ongeval 35
4.2.1 vluchtmisdrijven 36
4.2.2 voetgangers- en fietseraanrijdingen 37
4.2.3 dode-hoek-ongeval - digitale tachograaf 38
4.2.4 vrachtwagenongeval - camera tankstation 39
4.2.5 motorfiets ongeval – crashtest 39
4.2.6 ongeval bij duisternis 39
4.3 indeling naar bepaalde onderzoekswijzen 40
4.3.1 verklaringen 40
4.3.2 onderzoek 40
4.3.3 helmen – biomechanica – euroncap 43
4.3.4 opname van sporen op het wegdek 43
4.3.5 dashcam en GPS-trackers 44
4.3.6 simulatieprogramma’s 44
4.3.7 studie van de vermijdbaarheid (causaliteit) 44
4.4 cases 45
4.5 besluit 45
5 FGP LEUVEN SECTIE MOORD 46
5.1 situering binnen politielandschap 46
5.2 opdrachten en taken 48
5.3 politioneel onderzoek 48
5.4 mijlpalen 49
5.5 vertalen van de richtlijnen en wetgeving 49
5.6 case: Julie Quintens 50
6 KWALITEITSNORMEN IN FORENSISCH LABORATORIUMONDERZOEK 51
6.1 introductie: wat is kwaliteit? 51
6.2 kwaliteitsnormen 51
6.2.1 normen en standaarden 52
6.2.1.1 ISO 17025 53
6.2.2 kwaliteitsmanagementsysteem 53
6.2.2.1 audits 55
6.3 certificatie en accreditatie 56
6.3.1 BELAC 56
6.4 kwaliteit en forensisch DNA onderzoek 57
6.5 conclusie 59
7 BRANDDESKUNDIGE: ONDERZOEK VAN BRANDOORZAKEN 60
7.1 doel 60
7.1.1 de opzettelijke brandstichting 60
7.1.2 de onopzettelijke brandstichting 61
7.1.3 de vernieling van gebouwen, … door het veroorzaken van een ontploffing 61
7.2 inleiding 62
2
,7.3 onderzoek van de brandplaats 63
7.3.1 algemeen onderzoek 63
7.3.2 specifieker onderzoek 64
7.3.3 andere technieken en hulpmiddelen 65
7.4 motivatie om brand te stichten 66
7.5 aanwijzingen voor brandstichting = knipperlichten 66
7.6 mogelijke accidentele brandoorzaken 70
8 KRUITRESTEN EN BRANDVERSNELLERS 72
8.1 Gun Shot Residues (GSR) 72
8.1.1 inleiding 72
8.1.2 monstername 73
8.1.3 analyse 73
8.1.4 interpretatie van de resultaten 74
8.1.5 weergave van de resultaten 74
8.2 opsporing van brandversnellers 74
8.2.1 inleiding 74
8.2.2 monstername 75
8.2.3 analyse 75
8.2.3.1 gaschromatografie 76
8.2.3.2 massaspectrometrie 76
9 ISOTOPENONDERZOEK / ISOTOPENGEOCHEMIE 78
9.1 isotopen 78
9.1.1 isotopen en fractionatie 78
9.1.2 radiogene isotopen 79
9.2 archeologische en forensische toepassing 80
9.3 conclusie 81
3
, MULTIDISCIPLINAIRE FORENSISCHE WETENSCHAPPEN - Bram Bekaert
1 FORENSISCHE BALLISTIEK
1.1 inleiding
enkele vragen:
• worden projectielen steeds gestopt die men op een voertuig schiet? nee
• heeft iemand die zelfmoord pleegt steeds 1 IN-schotwonde? nee (meerderen mogelijk)
• kan de standplaats van de schutter steeds bepaald worden aan de hand van de vindplaatsen van
de hulzen? nee want rekening houden met ondergrond, ...
• welke sporen bevinden zich mogelijk op een huls na een schot? kunnen er heel veel zijn meestal
voldoende om wapen te identificeren
ballistiek:
• = de leer die het gedrag van munitie bestudeert
• onderverdeling
o inwendige ballistiek
= de weg die de kogel aflegt binnen het geweer
▪ intermediaire ballistiek
= eens de kogel de loop verlaten heeft
o uitwendige ballistiek
= vanaf de kogel uit het wapen komt tot het bereiken van het doelwit
o eind- of terminale ballistiek
= interactie van het projectiel met het doel
forensische ballistiek geeft vooral antwoord op:
• werd de huls / het projectiel afgevuurd met het aangetroffen vuurwapen(s)?
• werd er gevuurd met verschillende vuurwapens? hoeveel wapens werden er gebruikt?
• met welk type en merk vuurwapen werd er gevuurd? (indien vuurwapen niet aanwezig was)
• wat is de wettelijke categorie van het gebruikte vuurwapen?
• waar stond de schutter? wat was zijn / haar houding? heeft hij / zij gemikt, gericht geschoten?
• wat was de schotafstand?
• was het schot onbedoeld (menselijke factoren) of accidenteel (tekortkoming van het vuurwapen)?
• is het wapensysteem dodelijk?
4
,1.2 voorkennis vuurwapens en munitie
1.2.1 vuurwapens
revolvers trommel, vast op vuurwapen handvuurwapen
→ huls wordt meegenomen want blijft in
de trommel
diringer trommel, vast op vuurwapen
pistolen lader:
enkel geschraagd
dubbel geschraagd
→ huls valt uit het pistool
⇒ komt op PD terecht
machinepistolen lader: grote capaciteit
→ kan schouder of handwapen zijn
geweren lader: grote capaciteit
of
magazijn: vast op het vuurwapen
→ schouderwapens
machinegeweren schakels: automatisch
⇒ heel veel patronen op een korte termijn
gladloopwapens lader
of
magazijn: vast op het vuurwapen
5
, 1.2.2 de loop
getrokken loop klasse kenmerken:
• aantal trekken
o breedte bodem (BC) + veld (DE) + flanken = 1 trek
▪ bovenzijde van de trek is het veld, maakt insnijding in de huls
▪ veldimpressies = sporen op de huls door het veld
• draaizin (kogel draait om rechtdoor te vliegen)
o linkse trekken G: kaliber (veld tot veld)
o rechtse trekken (meeste wapens) AB: flank
• afmeting trekken BC: bodem
o breedte bodem (BC) CD: flank
o breedte veld (DE) DE: veld
o kaliber (G) CF: rib
▪ metrisch bv. 9x19 mm, 7,65 br AE: 1 trek
▪ angelsaksisch bv. 38 spl, .32 auto
o spoed (hoek°)
• type
o flanken snijden heel goed in projectiel, waardoor er trekken zichtbaar worden
o conventioneel = duidelijke flanken (meeste wapens)
o polygonaal = geen flanken (moeilijk om trekken op te onderscheiden)
• boren en afwerken van de loop (diepboren, ruimen, lappen)
• wijze van vervaardiging getrokken lopen
o wegnemen van materiaal
▪ hook cutter
▪ shrape cutter
▪ broach methode
o koud vervormen
▪ button methode
▪ hamering
o wegnemen van materiaal: electro-chemisch
gladloop:
• projectielen draaien niet rond en worden dus sneller instabiel
• gauge = kaliber
• choke = meestal vernauwing aan het einde van een gladloop
o soorten
▪ full (80%)
▪ impoved modified (70%)
▪ modified (60%)
▪ impoved cylinder
▪ cylinder (40%)
→ x% hagel binnen een cirkel van diameter 75 cm op een schotafstand van 35m
6