Samenvatting Etnografie 1.5
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 4 – hond................................................................................................................................... 2
1
,Hoofdstuk 4 – hond
4.1 inleiding
Populatie/herkomst:
• hond werd gedomesticeerd zo’n 10.000 jaar vot
• aaseter in de buurt van de mens en ‘waarschuwer’
• nu gezelschapsdier, eerder betrokken bij primitieve jacht, als schaapshond; bewaken en
verdedigen van runderkuddes
• waak en verdedigingshonden, gevechtshonden
• trekdier op sneeuw en ijs
• in meer dan 20% van de Belgische gezinnen wordt minstens 1 hond aangehouden:
totale populatie wordt geschat op 1,1 miljoen
• gezelschapsdier, maar ook specifieke doeleinden
− politiehonden: afgericht voor waken en verdedigen
− reddingshonden: voor het opsporen van drenkelingen of personen die verdwaald
zijn of bedorven onder sneeuw
− blindengeleidehonden
− hulphonden: voor bv rolstoel patiënten
− circushonden: vooral poedels die vroeger werden gebruikt in het circus
− renhonden: vooral in Engeland renwedstrijden met windhonden
− transporthonden: verboden in west europa, vb om een slede te trekken
− truffelhonden: om de geur van truffel op te sporen
− voor werkproeven: herdershonden en jachthonden
4.2 uitwendige beoordeling van de hond
Algemeen:
• functionele gegevens: zie fysiologie (Ba2 DGK Vet Fys A en B, 120 uur)
• uitwendige beoordeling gebeurt in principe niet vanuit een economisch standpunt,
behalve in die gevallen wanneer het gaat over een ‘fit for purpose’ evaluatie voor
werkhonden
• voor showhonden gaat het over de beoordeleing van de mate waarin het dier voldoet
aan de rasstandaard
• regelmatig worden (internationale) hondententoonstellingen (inclusief
schoonheidswedstrijden) georganiseerd; één van de grootste is de ‘Crufts’in
Birmingham waar 10.000 honden te zien zijn; eerste keer georganiseerd door Charles
Crufts in 1886
• rasstandaard = een officieel aanvaarde beschrijving van de morfologische kenmerken
die kynologen hebben opgesteld waaraan dieren van elk ras moeten voldoen en van de
gebreken die op prijskampen een aanleiding zijn tot verminderde appreciatie tot
afkeuring
=> worden bevestigd door de FCI = federation cynologique internationale
2
, • onderdelen:
− algemene kenmerken, hoofd, ogen, oren, hals, voorhand, lichaam, achterhand,
staart, beharing, …
dynamica van de hond:
• honden zijn meer afgestemd op lengtesprongen dan op hoogtesprongen
• bij de stap komt de beenzetting overeen met die van het paard
• bij de draf onderscheidt men enkele varianten:
− gewone hondendraf (diagonale draf): de voorbenen worden iets vroeger
opgeheven dan de achterbenen: er wordt ‘ingetreden’; nogal gestrekte benen
− geworpen draf: meer verheven beenbewegingen die zeer goed lijken op die van
het paard
− langlijnige dieren ontwikkelen een rendraf, hierbij wordt ‘overgetreden’
− sommige rassen verplaatsen zich ook in telgang
• bij de galop onderscheidt men:
− gewone galop (renhonden)
− ‘spronggalop’: sterke beweging van gans het lichaam en sterke rug vereist: dier
springt beurtelings ‘vanuit de voorhand en vanuit de achterhand’; achterbenen
worden ruim voor de voorbenen geplaatst; er zijn 2 zweeffasen, één met de 4
poten verzameld, één met de vier poten gestrekt
Gewone galop sprongalop
3
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 4 – hond................................................................................................................................... 2
1
,Hoofdstuk 4 – hond
4.1 inleiding
Populatie/herkomst:
• hond werd gedomesticeerd zo’n 10.000 jaar vot
• aaseter in de buurt van de mens en ‘waarschuwer’
• nu gezelschapsdier, eerder betrokken bij primitieve jacht, als schaapshond; bewaken en
verdedigen van runderkuddes
• waak en verdedigingshonden, gevechtshonden
• trekdier op sneeuw en ijs
• in meer dan 20% van de Belgische gezinnen wordt minstens 1 hond aangehouden:
totale populatie wordt geschat op 1,1 miljoen
• gezelschapsdier, maar ook specifieke doeleinden
− politiehonden: afgericht voor waken en verdedigen
− reddingshonden: voor het opsporen van drenkelingen of personen die verdwaald
zijn of bedorven onder sneeuw
− blindengeleidehonden
− hulphonden: voor bv rolstoel patiënten
− circushonden: vooral poedels die vroeger werden gebruikt in het circus
− renhonden: vooral in Engeland renwedstrijden met windhonden
− transporthonden: verboden in west europa, vb om een slede te trekken
− truffelhonden: om de geur van truffel op te sporen
− voor werkproeven: herdershonden en jachthonden
4.2 uitwendige beoordeling van de hond
Algemeen:
• functionele gegevens: zie fysiologie (Ba2 DGK Vet Fys A en B, 120 uur)
• uitwendige beoordeling gebeurt in principe niet vanuit een economisch standpunt,
behalve in die gevallen wanneer het gaat over een ‘fit for purpose’ evaluatie voor
werkhonden
• voor showhonden gaat het over de beoordeleing van de mate waarin het dier voldoet
aan de rasstandaard
• regelmatig worden (internationale) hondententoonstellingen (inclusief
schoonheidswedstrijden) georganiseerd; één van de grootste is de ‘Crufts’in
Birmingham waar 10.000 honden te zien zijn; eerste keer georganiseerd door Charles
Crufts in 1886
• rasstandaard = een officieel aanvaarde beschrijving van de morfologische kenmerken
die kynologen hebben opgesteld waaraan dieren van elk ras moeten voldoen en van de
gebreken die op prijskampen een aanleiding zijn tot verminderde appreciatie tot
afkeuring
=> worden bevestigd door de FCI = federation cynologique internationale
2
, • onderdelen:
− algemene kenmerken, hoofd, ogen, oren, hals, voorhand, lichaam, achterhand,
staart, beharing, …
dynamica van de hond:
• honden zijn meer afgestemd op lengtesprongen dan op hoogtesprongen
• bij de stap komt de beenzetting overeen met die van het paard
• bij de draf onderscheidt men enkele varianten:
− gewone hondendraf (diagonale draf): de voorbenen worden iets vroeger
opgeheven dan de achterbenen: er wordt ‘ingetreden’; nogal gestrekte benen
− geworpen draf: meer verheven beenbewegingen die zeer goed lijken op die van
het paard
− langlijnige dieren ontwikkelen een rendraf, hierbij wordt ‘overgetreden’
− sommige rassen verplaatsen zich ook in telgang
• bij de galop onderscheidt men:
− gewone galop (renhonden)
− ‘spronggalop’: sterke beweging van gans het lichaam en sterke rug vereist: dier
springt beurtelings ‘vanuit de voorhand en vanuit de achterhand’; achterbenen
worden ruim voor de voorbenen geplaatst; er zijn 2 zweeffasen, één met de 4
poten verzameld, één met de vier poten gestrekt
Gewone galop sprongalop
3