1. Les 2: Waarom mensen in de stad willen wonen
1.1 Steden, instituties en migratie in de Nederlanden: een inleiding
1.1.1 Vreemd volk in Athene
o Athene groeit in 431 v.C. tot grote stad: nieuwkomers die bijdragen aan economische
bedrijvigheid
– Arme Atheense burgers voelen zich sociaal en economisch bedreigd
– Nieuwkomers verliezen rechten
o Vergeleken met Sparta: vreemdelingen hadden amper rechten → meer als slaven
behandeld
1.1.2 Steden en instituties
o Lage Landen:
– Middeleeuwen = autonome bestuurseenheden ondergeschikt aan landsheer
– Republiek (eind 16e eeuw) = Staten-Generaal, hoge zelfbeschikking voor steden
– Begin 19e eeuw = macht bij nationale staat
o Steden aantrekkelijk door meer dan alleen arbeidsmarkt
o Noordwest-Europa aantrekkelijk door modern karakter
– Feodaliteit, loonarbeid, vrouwen op de arbeidsmarkt, ….
– Anders dan Zuid-Europa: instituties die familienetwerken vervangen (vb weeszorg)
Nieuwkomers: loskoppeling van familie en zorg → uiteenlopende vormen van steun
o 6 dimensies: politiek, economie, geografie, sociale structuur, cultuur en fysieke ruimte
1.1.3 De factor politiek
o Middeleeuwen: stad = zelfstandige juridische eenheid
– Plattelanders: stad aantrekkelijk door ontbreken van verplichtingen
Binnen stadsmuren was persoonlijke vrijheid veel groter
o Steden in westen van Nederlanden aantrekkelijker want minder uitsluiting dan bvb
Duitsland
o Veel mensen van de stad hadden zelf geen burgerschap dus maakte weinig uit voor
migranten
o Uitsluiting op basis van geloof
o Kerken betrokken bij onderstand van armen → vanaf 16 e eeuw ook wereldlijke autoriteiten
– Migrantenorganisaties → invloed op hoe migranten hun plek vinden
1.1.4 De factor economie
o Tot 18e eeuw hoog sterftecijfers: nieuwkomers nodig om inwoneraantal op peil te houden
o In steden vraag naar seizoensgebonden arbeid bvb bouwprojecten
– Werk is belangrijke aantrekkingsfactor
o Gilden: tot in moderne tijd belangrijke economische institutie
– Joden uitgesloten: specialiseerden zich in sectoren die niet aan gilden verbonden
waren
1.4.5 De factor geografie
o Steden ontwikkelen niet op eigen kracht → onderdeel van (inter)nationale netwerken
– Aantrekkingskracht bepaald door plaats in netwerk + ruimtelijke verschuivingen
1.1.6 De factor sociale structuur
o Bewoners arme wijken voelen geen onderlinge band → geen verantwoordelijkheidsgevoel
voor directe omgeving
1
1.1 Steden, instituties en migratie in de Nederlanden: een inleiding
1.1.1 Vreemd volk in Athene
o Athene groeit in 431 v.C. tot grote stad: nieuwkomers die bijdragen aan economische
bedrijvigheid
– Arme Atheense burgers voelen zich sociaal en economisch bedreigd
– Nieuwkomers verliezen rechten
o Vergeleken met Sparta: vreemdelingen hadden amper rechten → meer als slaven
behandeld
1.1.2 Steden en instituties
o Lage Landen:
– Middeleeuwen = autonome bestuurseenheden ondergeschikt aan landsheer
– Republiek (eind 16e eeuw) = Staten-Generaal, hoge zelfbeschikking voor steden
– Begin 19e eeuw = macht bij nationale staat
o Steden aantrekkelijk door meer dan alleen arbeidsmarkt
o Noordwest-Europa aantrekkelijk door modern karakter
– Feodaliteit, loonarbeid, vrouwen op de arbeidsmarkt, ….
– Anders dan Zuid-Europa: instituties die familienetwerken vervangen (vb weeszorg)
Nieuwkomers: loskoppeling van familie en zorg → uiteenlopende vormen van steun
o 6 dimensies: politiek, economie, geografie, sociale structuur, cultuur en fysieke ruimte
1.1.3 De factor politiek
o Middeleeuwen: stad = zelfstandige juridische eenheid
– Plattelanders: stad aantrekkelijk door ontbreken van verplichtingen
Binnen stadsmuren was persoonlijke vrijheid veel groter
o Steden in westen van Nederlanden aantrekkelijker want minder uitsluiting dan bvb
Duitsland
o Veel mensen van de stad hadden zelf geen burgerschap dus maakte weinig uit voor
migranten
o Uitsluiting op basis van geloof
o Kerken betrokken bij onderstand van armen → vanaf 16 e eeuw ook wereldlijke autoriteiten
– Migrantenorganisaties → invloed op hoe migranten hun plek vinden
1.1.4 De factor economie
o Tot 18e eeuw hoog sterftecijfers: nieuwkomers nodig om inwoneraantal op peil te houden
o In steden vraag naar seizoensgebonden arbeid bvb bouwprojecten
– Werk is belangrijke aantrekkingsfactor
o Gilden: tot in moderne tijd belangrijke economische institutie
– Joden uitgesloten: specialiseerden zich in sectoren die niet aan gilden verbonden
waren
1.4.5 De factor geografie
o Steden ontwikkelen niet op eigen kracht → onderdeel van (inter)nationale netwerken
– Aantrekkingskracht bepaald door plaats in netwerk + ruimtelijke verschuivingen
1.1.6 De factor sociale structuur
o Bewoners arme wijken voelen geen onderlinge band → geen verantwoordelijkheidsgevoel
voor directe omgeving
1