ONZE SOCIALE ZEKERHEID
INLEIDING
Bekijk het filmpje en beantwoord volgende vragen:
1. Wie nam initiatief?
Werknemersorganisaties (WNs)
Vooral mutualiteiten (MOB = mutualiteiten/ ziekenfondsen)
Werklozenkassen
Vakbonden
Zij waren de eersten die sociale beschermingen organiseerden omdat zij bescherming
zelf moesten opbouwen (er was nog geen staatshulp).
Werkgevers (WGs)
Voorzorgkassen
Kinderbijslagkassen
Werkgevers richtten eigen kassen op om hun werknemers te ondersteunen én (vaak) om
sociale rust te bevorderen.
De overheid
Regels vast te leggen
Financiering te garanderen
Systemen te verplichten
2. Waaruit bestond dit? Voor wie bedoeld?
Werknemers
Organiseerden solidariteitsfondsen: ziektekosten, werkloosheid, steun
aan arbeiders
Bescherming van arbeiders tegen ziekte, ouderdom, werkloosheid,
arbeidsongevallen, …
Werkgevers
Richtten voorschot- en voorzorgfondsen op, en kinderbijslagkassen
Gericht op hun werknemers, maar met voordeel voor henzelf (minder
sociale onrust, meer stabiliteit)
Overheid
Ontwikkelde formeel wettelijk systeem van sociale zekerheid, met:
o Sociale verzekeringen
o Uitkeringen voor wie inkomen verliest
o Staatswaarborg (ASLK)
o Subsidies
Gericht op de volledige bevolking, vooral werkende mensen maar later
ook:
o Gezinnen (kinderbijslag)
o Kwetsbare groepen
o Mensen zonder inkomen (bestaansminimum)
De overheid maakte het systeem uniform, verplicht en beschermd door wetgeving.
1
, 3. Wanneer nam men initiatief?
De sociale zekerheid ontstond geleidelijk tussen eind 19e eeuw en 1944, door:
Slechte arbeidsomstandigheden tijdens de industrialisering (geen
verzekering, extreme armoede, hoge risico’s, …)
Druk van vakbonden en arbeidersbeweging (dwongen zo overheid tot
actie)
Werkgevers die sociale rust wilden
De grote crises en WO II
1944: Besluitswet (dé doorbraak: de basis van het huidige Belgische
systeem van sociale zekerheid)
Enkele conclusies:
Het sociale zekerheidsstelsel is geleidelijk opgebouwd sinds de Besluitwet van 1944.
Eerst werden werknemers en ambtenaren beschermd, later zelfstandigen en uiteindelijk
ook niet-werkenden. Het systeem wordt beheerd door drie partners: werknemers en
werkgevers samen (paritair), onder toezicht van de overheid.
WAT IS SOCIALE ZEKERHEID
Sociale zekerheid (in enge zin, Bismarck) = het geheel van voorzieningen die
bescherming bieden tegen de nadelige inkomensgevolgen van welbepaalde
omstandigheden, de zogenaamde “sociale risico’s”. Dit zijn risico’s die verband houden
met het feit dat we werken, zoals het risico om dat werk te verliezen of niet meer te
kunnen uitvoeren wegens ziekte of ouderdom. De sociale zekerheid omvat traditioneel 7
takken, die gekoppeld zijn aan 7 sociale risico’s:
De werkloosheidsverzekering
De ziekte- en invaliditeitsverzekering (ZIV) (inclusief moederschap)
2
, De gezinsbijslag
Het rust- en overlevingspensioen
De jaarlijkse vakantie
De beroepsziekte verzekering
De arbeidsongevallenverzekering
Sociale bijstand (in ruime zin, Beveridge) = het geheel van voorzieningen die eenieders
bestaanszekerheid moeten waarborgen (! Geen link met werk!). Het gaat om
minimumvoorzieningen die worden uitgekeerd aan personen die om een of andere reden
geen aanspraak kunnen maken op uitkeringen uit de traditionele takken. We noemen ze
daarom ook wel “residuaire” of restvoorzieningen. Meer concreet gaat het om de
volgende voorzieningen:
Het leefloon
De tegemoetkoming aan personen met een handicap
De gewaarborgde gezinsbijslag
De inkomensgarantie voor ouderen (= IGO)
Mogelijke examenvraag: stel je hebt een chirurg die goed verdient en die heeft een echtgenote die
ook een job doet, maar na een tijdje verliest zij die job. Komt zij in aanmerking voor een
werkloosheidsuitkering? de reden dat je zo’n uitkering krijgt is dat je hebt bijgedragen aan het
systeem en dit heeft mevrouw gedaan. Zij kan dus een werkloosheidsuitkering krijgen. Ze zal geen
leefloon krijgen, want ze is niet behoeftig.
Of personen behoeftig zijn, wordt gecheckt via een “middelentoets’ waarbij de overheid controleert
of de persoon in kwestie al dan niet over voldoende middelen beschikt om zelfstandig in zijn
levensonderhoud te kunnen voorzien. Hierbij wordt rekening gehouden met alle middelen (uit
arbeid, alimentatiegeld, spaargeld, …).
Vergelijking:
Sociale zekerheid Sociale bijstand
Gekoppeld aan de werkstatus Niet gekoppeld aan de werkstatus
Gefinancierd door bijdragen die de sociaal Gefinancierd door belastinggeld (= fiscale
verzekerden betalen op hun inkomen inkomsten)
Behoeftig zijn geen voorwaarde Behoeftig zijn is een voorwaarde
Uitkering is gekoppeld aan het loon en dus Uitbetalen van forfaitaire
de werkstatus minimumbedragen die voor elke
behoeftige gelijk zijn
BASISPRINCIPES VAN ONZE SOCIALE ZEKERHEID
Er bestaan 2 soorten voorzieningen in onze sociale zekerheid:
Inkomensvervangende uitkeringen (of vervangingsinkomen)
o Bijvoorbeeld ziekte-uitkeringen, werkloosheidsuitkeringen, pensioen, …
Inkomensaanvullende uitkeringen (of kostenvergoeding)
o Kindergeld, terugbetaling van de arts of tandarts, terugbetaling van
medicatie
3
, Bepaalde risico’s hebben tot gevolg dat het arbeidsinkomen van de werknemer geheel of
gedeeltelijk en al dan niet tijdelijk wegvalt. In die gevallen zal de sociale zekerheid
tussenkomen om het inkomensverlies op te vangen en “inkomensvervangende
uitkeringen” uitbetalen, zoals bij arbeidsongeschiktheid door ziekte.
Sociale risico’s hunnen er ook toe leiden dat de uitgaven van de werknemer toenemen.
Zo kan een ziekte niet alleen leiden tot (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid maar ook zware
medische kosten met zich meebrengen. In dat geval zal de sociale zekerheid
“inkomensaanvullende uitkeringen” uitbetalen. Die kunnen een forfaitair bedrag
omvatten dan wel de terugbetaling van gemaakte kosten.
Ons socialezekerheidsstelsel is gebaseerd op 2 basisprincipes: verzekering en solidariteit.
Verzekering: je betaalt een premie (= RSZ-bijdrage) en als een afgesproken risico
(wettelijk bepaald) zich voordoet (bijvoorbeeld werkloosheid), dan krijg je een
uitkering.
Solidariteit: verplicht karakter, herverdeling, gedeeltelijke overheidsfinanciering:
o Solidariteit van de werkenden
o Solidariteit van de burgers
Verplicht karakter: sociale zekerheid is niet iets waar voor je kunt kiezen of niet kunt kiezen, het is
een verplicht systeem waar iedereen aan mee moet doen (wanneer je zou mogen kiezen, dan
kiezen de meesten om hier niet aan mee te doen omdat het geld kost. Als je al weinig betaald
wordt, heb je de luxe niet om iets aan de kant te zeggen. Ook zorgt een verplicht karakter dat de
slechte risico’s ook verzekerd zijn, bijvoorbeeld wanneer je ziek wordt. Voor deze redenen heeft dit
een verplicht karakter).
Herverdeling: de inkomsten komen van de RSZ-bijdragen (13,07% op je loon). Dit verschilt niet bij
mensen hun loon. Procentueel draag je evenveel bij maar je betaald wel veel meer. Aan de
uitkeringskant zitten we wel met een loongrens, je krijgt een percentage van je laats verdiende
loon, maar niet als je 30 000 euro per maand verdiende want dat is onbetaalbaar. De loongrens is
hier 4 000 euro, terwijl je wel je 13,07% hebt betaald op je RSZ-bijdrage.
Mensen die nooit ziek worden, dragen bij voor mensen die vaak ziek zijn en ook degene die
pensioenen betalen, betalen voor iets waar ze misschien in de toekomst zelf nooit recht op gaan
hebben.
WERKT ONZE SOCIALE ZEKERHEID?
Zonder sociale zekerheid zou 40,9% van de bevolking in armoede leven. Nu is dat 14,7%.
Zonder sociale zekerheid zou 91,5% van de 65- plussers in armoede leven. Nu is dan
23,2%, zonder sociale zekerheid zou 74,9% van de huishoudens met een werkloos
gezinshoofd in armoede leven. Zonder werkloosheidsuitkeringen zou dat 55,3% zijn. Nu is
dat 31,2%.
STRUCTUUR VAN ONZE SOCIALE ZEKERHEID
Gezien de sociale bijstand los staat van iemands werkstatus, is het systeem van de
sociale bijstand gelijk voor werknemers, zelfstandigen, ambtenaren. De sociale zekerheid
daarentegen verschilt voor deze 3 categorieën van werkenden. Elke categorie heeft zijn
eigen stelsel van sociale zekerheid.
4