Psychologie
Hoofdstukken 8 en 10: waarom doet die dat? / kiezen en oordelen
Inleiding – hoofdstuk 8
Causale attributie (of de vraag waarom iemand zich zo
gedraagt)
Waar leggen we de oorzaak van ons eigen gedrag en dat van anderen? Waaraan
schrijven we successen en mislukking toe?
Dit bepaalt ons gevoel en gedrag (bv. therapietrouwheid, trainingsarbeid, stress,
faalangst)
- Alle mensen zijn amateurpsychologen: mensen zoeken steeds naar redelijke
verklaring van gedrag
- Interne vs. externe attributies: persoon of situatie is hoofdoorzaak van gedrag
- Voorkeur voor interne attributies bij anderen omwille van figuur-achtergrond:
situatie vormt slechts de achtergrond waartegen we anderen waarnemen (=
fundamentele attributiefout, althans in het Westen)
- De normatieve attributietheorie van Kelley: het covariatiemodel
o Drie mogelijke oorzaken van gedrag
1. De persoon
2. De situatie
3. Het moment (specifieke omstandigheid)
o Mensen zoeken systematisch met alle beschikbare informatie naar de
oorzaak van gedrag
- Consistentie: gedraagt deze persoon zich steeds op dezelfde manier?
- Consensus: gedragen anderen zich ook zo in deze situatie?
- Kenmerkendheid: lokken andere situaties bij deze persoon hetzelfde gedrag uit?
Of is het typisch voor deze situatie?
- Het covariatiemodel: mensen maken attributies op een logische, rationele
manier, namelijk:
o Interne oorzaken worden aangehaald als: consensus laag, consistentie
hoog, kenmerkendheid laag
o Externe oorzaken worden aangehaald als: consensus hoog, consistentie
laag, kenmerkendheid hoog
o Model uitvoerig onderzocht (> 1000 publicaties): mensen gedragen zich
meestal volgens het model maar er zijn enkele opvallende uitzonderingen
Consensus-informatie wordt onderbenut!
NIsbett & Borgida (1975): mensen maken wel gebruik van consistentie- en
kenmerkendheidsinformatie, maar ze maken systematisch te weinig gebruik van
consensus-informatie
Bv. bij gedetailleerde beschrijving van Milgrams experiment (62.5% ging tot einde in
basisconditie): toch nog veel persoonsattributies wanneer gevraagd wordt om het
gedrag van personen in een gelijkaardig experiment te verklaren!
1
,De fundamentele attributiefout (of correspondence bias)
Geobserveerde persoon = figuur (op achtergrond van situatie)
Onderschatting situationele invloed (zie ook gebrek aan consensusinformatie)
Nabespreking – hoofdstuk 8
Samenvatting – hoofdstuk 8
Worden priesters pedofielen of worden pedofielen priesters?
Beschuldigingen van seksueel misbruik van kinderen door priesters en nonnen
Onderzoek raakte in België in stroomversnelling toen Roger Vangheluwe in april
2010 aftrad als bisschop van Brugge: had 2 neefjes misbruikt (5 & 18 jaar)
Pedofielen: laag zelfbeeld willen dat compenseren door te kiezen voor beroep met
hoog aanzien en waarbij ze makkelijk met kinderen in contact kunnen komen
Huub Oosterhuis: legde oorzaak van seksueel afwijkend gedrag bij het celibataire
keurslijf
- Priester moet aseksueel wezen zijn onmogelijk
o Begint op jonge leeftijd dus is onhoudbaar
- Door celibaat mis je elke vorm van warm lichamelijk contact ze gaan op zoek
naar noodseks
o Via gemakkelijkste weg
Kinderen, moeten geen verantwoording afleggen en maken zichzelf wijs
dat een kind strelen eigenlijk geen seks is
Komen in spiraal van zelfbegoocheling terecht
Causale attributie of de vraag waarom iemand zich zo gedraagt
Attributietheorie = theorie die verklaart hoe mensen hun eigen gedrag en het gedrag
van anderen verklaren en waaraan ze successen en mislukkingen toeschrijven
Wortels attributietheorie: in het werk van Fritz Heider (1958)
- Stelde dat alle mensen amateurswetenschappers zijn bij hun pogingen om het
gedrag van anderen te begrijpen
o Mensen zoeken informatie tot ze een redelijke verklaring van het gedrag
in kwestie kunnen formuleren
- Bepaald gedrag toeschrijven aan het karakter of de persoonlijkheid van diegene
die iets doet ofwel aan de situatie
o Aan persoon zelf: interne attributie
o Aan situatie: externe attributie
We hebben de neiging om interne attributies te verkiezen boven externe attributies
wat het gedrag van anderen betreft
2000: Benjamin Karney en Thomas Bradbury
- Gedrag kan zowel aan interne als externe factoren worden toegeschreven, en
de gepercipieerde oorzaak van het gedrag kan vooral persoonlijke relaties
kleuren
- Tevreden partners:
o Interne attributies voor positieve gedragingen
2
, o Externe attributies voor negatieve gedragingen
- Ongelukkige partners:
o Positieve gedragingen aan situatie
o Negatieve gedragingen aan persoon
1967, 1973: Harold Kelley
- Werkte ideeën van Heider uit tot een normatieve theorie
o Een ideale theorie over hoe mensen te werk zouden moeten gaan bij het
zoeken naar de oorzaken van gedrag
o Gaf ook beschrijving van hoe mensen de oorzaak van gedrag bepalen in
het dagelijkse leven
- Volgens Kelleys covariatiemodel verklaren mensen gedrag in termen van 3
mogelijke oorzaken:
1. De persson
2. De situatie
3. Het moment
o Die 3 mogelijke attributies zijn vooral af te leiden uit 3 bronnen van
informatie
1. Consistentie: gedraag deze persoon zich steeds op dezelfde manier?
2. Consensus: gedragen anderen zich op dezelfde manier in deze situatie?
3. Kenmerkendheid: lokken andere situaties bij deze persoon hetzelfde
gedrag uit?
Lage consensus en kenmerkendheid, hoge consistentie: persoon interne
attributie
Hoge consensus en kenmerkendheid, lage consistentie: situatie externe
attributie
Hoge kenmerkendheid, lage consensus en consistentie: moment
Kelleys model is gebasserd op de basisveronderstelling dat mensen hun attributies
op een rationele, logische manier maken
Gebrek aan consensus
In bekende experiment over gehoorzaamheid van Stanley Milgram: 62.5%
gehoorzaamde het bevel om een andere deelnemer dodelijke elektrische shocks toe
te dienen
- 1993: Plous
o Veel mensen schrijven het gedrag toe aan persoonlijke karakteristieken,
eerder dan aan de specifieke situatie
Hechten dus bij hun attributies te weinig belang aan
consensusinformatie en wijken dus af van Kelleys model
1975: Richard Nisbett en Eugene Borgida
- Mensen gebruiken informatie over consistentie en kenmerkendheid bij het
zoeken naar de oorzaak van gedrag, maar maken systematisch te weinig
gebruik van consensusinformatie
- 1ste studie:
o Proefpersonen kregen verloop van experiment te horen, zogenaamd over
‘huidgeleiding’
Eerder uitgevoerd door Richard Nisbett en Stanley Schachter (1966)
o 32/34 proefpersonen waren bereid om elektrische shocks te ontvangen
die zo sterk waren dat bij toediening hun arm een shockbeweging
vertoonde
- 2de studie:
3
Hoofdstukken 8 en 10: waarom doet die dat? / kiezen en oordelen
Inleiding – hoofdstuk 8
Causale attributie (of de vraag waarom iemand zich zo
gedraagt)
Waar leggen we de oorzaak van ons eigen gedrag en dat van anderen? Waaraan
schrijven we successen en mislukking toe?
Dit bepaalt ons gevoel en gedrag (bv. therapietrouwheid, trainingsarbeid, stress,
faalangst)
- Alle mensen zijn amateurpsychologen: mensen zoeken steeds naar redelijke
verklaring van gedrag
- Interne vs. externe attributies: persoon of situatie is hoofdoorzaak van gedrag
- Voorkeur voor interne attributies bij anderen omwille van figuur-achtergrond:
situatie vormt slechts de achtergrond waartegen we anderen waarnemen (=
fundamentele attributiefout, althans in het Westen)
- De normatieve attributietheorie van Kelley: het covariatiemodel
o Drie mogelijke oorzaken van gedrag
1. De persoon
2. De situatie
3. Het moment (specifieke omstandigheid)
o Mensen zoeken systematisch met alle beschikbare informatie naar de
oorzaak van gedrag
- Consistentie: gedraagt deze persoon zich steeds op dezelfde manier?
- Consensus: gedragen anderen zich ook zo in deze situatie?
- Kenmerkendheid: lokken andere situaties bij deze persoon hetzelfde gedrag uit?
Of is het typisch voor deze situatie?
- Het covariatiemodel: mensen maken attributies op een logische, rationele
manier, namelijk:
o Interne oorzaken worden aangehaald als: consensus laag, consistentie
hoog, kenmerkendheid laag
o Externe oorzaken worden aangehaald als: consensus hoog, consistentie
laag, kenmerkendheid hoog
o Model uitvoerig onderzocht (> 1000 publicaties): mensen gedragen zich
meestal volgens het model maar er zijn enkele opvallende uitzonderingen
Consensus-informatie wordt onderbenut!
NIsbett & Borgida (1975): mensen maken wel gebruik van consistentie- en
kenmerkendheidsinformatie, maar ze maken systematisch te weinig gebruik van
consensus-informatie
Bv. bij gedetailleerde beschrijving van Milgrams experiment (62.5% ging tot einde in
basisconditie): toch nog veel persoonsattributies wanneer gevraagd wordt om het
gedrag van personen in een gelijkaardig experiment te verklaren!
1
,De fundamentele attributiefout (of correspondence bias)
Geobserveerde persoon = figuur (op achtergrond van situatie)
Onderschatting situationele invloed (zie ook gebrek aan consensusinformatie)
Nabespreking – hoofdstuk 8
Samenvatting – hoofdstuk 8
Worden priesters pedofielen of worden pedofielen priesters?
Beschuldigingen van seksueel misbruik van kinderen door priesters en nonnen
Onderzoek raakte in België in stroomversnelling toen Roger Vangheluwe in april
2010 aftrad als bisschop van Brugge: had 2 neefjes misbruikt (5 & 18 jaar)
Pedofielen: laag zelfbeeld willen dat compenseren door te kiezen voor beroep met
hoog aanzien en waarbij ze makkelijk met kinderen in contact kunnen komen
Huub Oosterhuis: legde oorzaak van seksueel afwijkend gedrag bij het celibataire
keurslijf
- Priester moet aseksueel wezen zijn onmogelijk
o Begint op jonge leeftijd dus is onhoudbaar
- Door celibaat mis je elke vorm van warm lichamelijk contact ze gaan op zoek
naar noodseks
o Via gemakkelijkste weg
Kinderen, moeten geen verantwoording afleggen en maken zichzelf wijs
dat een kind strelen eigenlijk geen seks is
Komen in spiraal van zelfbegoocheling terecht
Causale attributie of de vraag waarom iemand zich zo gedraagt
Attributietheorie = theorie die verklaart hoe mensen hun eigen gedrag en het gedrag
van anderen verklaren en waaraan ze successen en mislukkingen toeschrijven
Wortels attributietheorie: in het werk van Fritz Heider (1958)
- Stelde dat alle mensen amateurswetenschappers zijn bij hun pogingen om het
gedrag van anderen te begrijpen
o Mensen zoeken informatie tot ze een redelijke verklaring van het gedrag
in kwestie kunnen formuleren
- Bepaald gedrag toeschrijven aan het karakter of de persoonlijkheid van diegene
die iets doet ofwel aan de situatie
o Aan persoon zelf: interne attributie
o Aan situatie: externe attributie
We hebben de neiging om interne attributies te verkiezen boven externe attributies
wat het gedrag van anderen betreft
2000: Benjamin Karney en Thomas Bradbury
- Gedrag kan zowel aan interne als externe factoren worden toegeschreven, en
de gepercipieerde oorzaak van het gedrag kan vooral persoonlijke relaties
kleuren
- Tevreden partners:
o Interne attributies voor positieve gedragingen
2
, o Externe attributies voor negatieve gedragingen
- Ongelukkige partners:
o Positieve gedragingen aan situatie
o Negatieve gedragingen aan persoon
1967, 1973: Harold Kelley
- Werkte ideeën van Heider uit tot een normatieve theorie
o Een ideale theorie over hoe mensen te werk zouden moeten gaan bij het
zoeken naar de oorzaken van gedrag
o Gaf ook beschrijving van hoe mensen de oorzaak van gedrag bepalen in
het dagelijkse leven
- Volgens Kelleys covariatiemodel verklaren mensen gedrag in termen van 3
mogelijke oorzaken:
1. De persson
2. De situatie
3. Het moment
o Die 3 mogelijke attributies zijn vooral af te leiden uit 3 bronnen van
informatie
1. Consistentie: gedraag deze persoon zich steeds op dezelfde manier?
2. Consensus: gedragen anderen zich op dezelfde manier in deze situatie?
3. Kenmerkendheid: lokken andere situaties bij deze persoon hetzelfde
gedrag uit?
Lage consensus en kenmerkendheid, hoge consistentie: persoon interne
attributie
Hoge consensus en kenmerkendheid, lage consistentie: situatie externe
attributie
Hoge kenmerkendheid, lage consensus en consistentie: moment
Kelleys model is gebasserd op de basisveronderstelling dat mensen hun attributies
op een rationele, logische manier maken
Gebrek aan consensus
In bekende experiment over gehoorzaamheid van Stanley Milgram: 62.5%
gehoorzaamde het bevel om een andere deelnemer dodelijke elektrische shocks toe
te dienen
- 1993: Plous
o Veel mensen schrijven het gedrag toe aan persoonlijke karakteristieken,
eerder dan aan de specifieke situatie
Hechten dus bij hun attributies te weinig belang aan
consensusinformatie en wijken dus af van Kelleys model
1975: Richard Nisbett en Eugene Borgida
- Mensen gebruiken informatie over consistentie en kenmerkendheid bij het
zoeken naar de oorzaak van gedrag, maar maken systematisch te weinig
gebruik van consensusinformatie
- 1ste studie:
o Proefpersonen kregen verloop van experiment te horen, zogenaamd over
‘huidgeleiding’
Eerder uitgevoerd door Richard Nisbett en Stanley Schachter (1966)
o 32/34 proefpersonen waren bereid om elektrische shocks te ontvangen
die zo sterk waren dat bij toediening hun arm een shockbeweging
vertoonde
- 2de studie:
3