Theoretische criminologie en
victimologie
Denken als een criminoloog: ontwikkeling van een
wetenschap genaamd criminologie
1. WAT IS WETENSCHAPPELIJK DENKEN?
2. IS CRIMINOLOGIE EEN WETENSCHAP?
3. WAT IS HET CRIMINOLOGISCH ONDERZOEKSOBJECT?
4. (DE CRIMINOLOGISCHE VERBEELDING)
Denken over bestraffing ≠ criminologie
Historisch perspectief:
- Criminaliteit en bestraffing = deel van geschiedenis van de
menselijke samenleving, politie ontwikkeling, maatschappelijke
ontwikkeling etc.
- Criminologische wetenschappelijk denken is NIET van alle tijden ->
het denken over criminaliteit en bestraffing wel
Wetenschap en wetenschappelijk denken kent ook
ontstaansgeschiedenis
Verschillende soorten kennisproductie
- Historicitiet maakt deel uit van hoe wij onderzoek ontwerp kunnen
bekijken
“popular” “academic” criminologisch denken
iedereen heeft een mening over maatschappelijk criminologische
vraagstukken “common sense” denken: gewone mens, politiek,
ideologie, media, beeldvorming, othering (= we spreken alsof we zelf
niet behoren tot onderzoeksobject)
criminologen bestuderen het wetenschappelijk
1. WAT IS WETENSCHAPPELIJK DENKEN
Wetenschap is “zoekend” waarnemen:
o Wetenschappers zijn eeuwig op zoek
o Afbakenen/isoleren: focus naar 1 bepaalde vraag
o “zoeklichttheorie” Karl Popper: we zien enkel datgene wat
theorieën ons doen verwachten => kennis is eigenlijk nooit
1
, objectief of neutraal => wetenschappers moeten hun ervan
bewust zijn en minimaliseren
o wetenschappelijk denken is selectief
= sterkte want we kunnen diep inzoomen
= zwakte want wat wij bestuderen is zo complex waardoor
je door selectiviteit dingen wegdenkt -> mag je niet
vergeten als wetenschapper
o De VRAAG bepaalt waar de onderzoeker naar kijkt
o Waarnemen is geen evidentie: onderzoeken, observeren,
meten, bevragen..
Wetenschap is een praktijk van handelen om waarnemingen te
kunnen doen => leidt tot kennis
Wetenschappelijke kennis is abstracte kennis die op een
systematische, objectieve en logische wijze verkregen en getoetst
werd of toetsbaar is, en die een zo precies mogelijk omschreven
deel van de werkelijkheid verklaart of tracht te verklaren
Klassieke visie op wetenschap:
1. 3 premissen geïnspireerd op natuurwetenschappen &
positivisme
a) Orde en rationaliteit veronderstellen wetmatigheden
De wereld is een voorspelbare, ordelijke structuur die we
kunnen begrijpen door rationeel onderzoek uit te voeren,
omdat gebeurtenissen niet willekeurig zijn maar volgens
wetmatigheden verlopen
b) Mens is enige kennend wezen
2
, c) De scheiding tussen subject en object: onderzoeker staat
BUITEN object dat hij observeert
2. Wetenschapper actief op zoek => waarnemingen doen
o Wetenschapper ondervraagt de natuur zoals een rechter een
getuige ondervraagt
o Systematiek en gerichtheid (vraagstelling & methode)
3. Wetenschapper plaatst zich BUITEN gebeuren (scheiding
subject / object)
4. Controle & toetsing
o Procedure en tests (vb. onderzoek opnieuw laten uitvoeren
door andere onderzoekers, andere onderzoekers betrekken
bij analyse)
o Intersubjectiviteit: wetenschap wordt objectiever als
verschillende onderzoekers hetzelfde resultaat waarnemen
o Falsificatieprincipe (Popper): je kan een theorie niet
definitief bewijzen maar je kan wel bewijzen dat ze onjuist is
Het denken mag zich niet onderwerpen BEHALVE aan de feiten
Wetenschap (kennisproductie) = praktijk van handelen
gekenmerkt door:
1. Voortbouwen op bestaande kennis (falsificatie)
2. Vragende problematiserende houding ten aanzien van
onderzoeksobject = systematisch stellen van JUISTE vragen
3. Systematisch stellen van handelingen als
oplossingsprocedure voor de gestelde vragen (hoe/methode)
4. Alle waarnemingen onvoorwaardelijk meenemen (=
waarheid))
5. Logica = ordening van waarneming (categoriseren,
groepering is betekenisvol)
6. Classificatie = “labelling” (vb. verschillende gedragingen
worden misdrijf -> kwalificatieproces)
7. Ordenen van classificatie -> begrippen
8. Van het particuliere naar het algemeen belang (en
omgekeerd)
a. veralgemening vereenvoudiging
b. De criminologische verbeelding
3
, 9. Controverse: beweringen kunnen doen die controleerbaar
zijn voor/door anderen = toetsbaarheid
o Doelstelling is getoetste kennis
o Twijfel, consensus
o Falsificatie stand van de kennis
MAAR kritische bedenkingen bij klassieke visie: diversiteit en
pluraliteit aan wetenschappelijke praktijken:
1. Het experiment kan eigenlijk niet volledig geïsoleerd
worden, experiment gebeurt in werkelijke situatie (vb.
gevangenis)
Eigenlijk nooit bewijzen, ze doen ons de werkelijkheid
beter begrijpen
2. Het object van onderzoek: we onderzoeken mensen, geen
dieren => moeilijk/gevaarlijk
Object is ‘manipuleerbaar’, heeft subjectiviteit => geen
controle over wat mensen denken/zeggen
3. Buiten het lab:
o De oncontroleerbaarheid van de wereld
o De oncontroleerbaarheid van sociale wezens
2 generische kenmerken of constraints (= algemene eigenschappen
of beperkingen die voor een hele klasse van objecten of systemen gelden)
1. “objectiviteit” (B. Latour): mogen object niet misleiden,
ruimte geven
2. Collectief karakter van kennis vanwege systematische op-de-
proefstelling
Met kennisproductie moet je altijd in het collectieve
geplaatst worden, positioneren ten aanzien van wat
anderen denken
Wetenschap is constant in beweging door:
o Controverse (meningsverschillen, kritiek, discussies)
leidt tot andere inzichten + wetenschappelijke kennis blijft hier
ALTIJD vatbaar voor
wordt ingezet in politieke debatten
o Toetsing
o Falsificatie: weerleggen of ontkrachten van een theorie door
empirisch bewijs
4
victimologie
Denken als een criminoloog: ontwikkeling van een
wetenschap genaamd criminologie
1. WAT IS WETENSCHAPPELIJK DENKEN?
2. IS CRIMINOLOGIE EEN WETENSCHAP?
3. WAT IS HET CRIMINOLOGISCH ONDERZOEKSOBJECT?
4. (DE CRIMINOLOGISCHE VERBEELDING)
Denken over bestraffing ≠ criminologie
Historisch perspectief:
- Criminaliteit en bestraffing = deel van geschiedenis van de
menselijke samenleving, politie ontwikkeling, maatschappelijke
ontwikkeling etc.
- Criminologische wetenschappelijk denken is NIET van alle tijden ->
het denken over criminaliteit en bestraffing wel
Wetenschap en wetenschappelijk denken kent ook
ontstaansgeschiedenis
Verschillende soorten kennisproductie
- Historicitiet maakt deel uit van hoe wij onderzoek ontwerp kunnen
bekijken
“popular” “academic” criminologisch denken
iedereen heeft een mening over maatschappelijk criminologische
vraagstukken “common sense” denken: gewone mens, politiek,
ideologie, media, beeldvorming, othering (= we spreken alsof we zelf
niet behoren tot onderzoeksobject)
criminologen bestuderen het wetenschappelijk
1. WAT IS WETENSCHAPPELIJK DENKEN
Wetenschap is “zoekend” waarnemen:
o Wetenschappers zijn eeuwig op zoek
o Afbakenen/isoleren: focus naar 1 bepaalde vraag
o “zoeklichttheorie” Karl Popper: we zien enkel datgene wat
theorieën ons doen verwachten => kennis is eigenlijk nooit
1
, objectief of neutraal => wetenschappers moeten hun ervan
bewust zijn en minimaliseren
o wetenschappelijk denken is selectief
= sterkte want we kunnen diep inzoomen
= zwakte want wat wij bestuderen is zo complex waardoor
je door selectiviteit dingen wegdenkt -> mag je niet
vergeten als wetenschapper
o De VRAAG bepaalt waar de onderzoeker naar kijkt
o Waarnemen is geen evidentie: onderzoeken, observeren,
meten, bevragen..
Wetenschap is een praktijk van handelen om waarnemingen te
kunnen doen => leidt tot kennis
Wetenschappelijke kennis is abstracte kennis die op een
systematische, objectieve en logische wijze verkregen en getoetst
werd of toetsbaar is, en die een zo precies mogelijk omschreven
deel van de werkelijkheid verklaart of tracht te verklaren
Klassieke visie op wetenschap:
1. 3 premissen geïnspireerd op natuurwetenschappen &
positivisme
a) Orde en rationaliteit veronderstellen wetmatigheden
De wereld is een voorspelbare, ordelijke structuur die we
kunnen begrijpen door rationeel onderzoek uit te voeren,
omdat gebeurtenissen niet willekeurig zijn maar volgens
wetmatigheden verlopen
b) Mens is enige kennend wezen
2
, c) De scheiding tussen subject en object: onderzoeker staat
BUITEN object dat hij observeert
2. Wetenschapper actief op zoek => waarnemingen doen
o Wetenschapper ondervraagt de natuur zoals een rechter een
getuige ondervraagt
o Systematiek en gerichtheid (vraagstelling & methode)
3. Wetenschapper plaatst zich BUITEN gebeuren (scheiding
subject / object)
4. Controle & toetsing
o Procedure en tests (vb. onderzoek opnieuw laten uitvoeren
door andere onderzoekers, andere onderzoekers betrekken
bij analyse)
o Intersubjectiviteit: wetenschap wordt objectiever als
verschillende onderzoekers hetzelfde resultaat waarnemen
o Falsificatieprincipe (Popper): je kan een theorie niet
definitief bewijzen maar je kan wel bewijzen dat ze onjuist is
Het denken mag zich niet onderwerpen BEHALVE aan de feiten
Wetenschap (kennisproductie) = praktijk van handelen
gekenmerkt door:
1. Voortbouwen op bestaande kennis (falsificatie)
2. Vragende problematiserende houding ten aanzien van
onderzoeksobject = systematisch stellen van JUISTE vragen
3. Systematisch stellen van handelingen als
oplossingsprocedure voor de gestelde vragen (hoe/methode)
4. Alle waarnemingen onvoorwaardelijk meenemen (=
waarheid))
5. Logica = ordening van waarneming (categoriseren,
groepering is betekenisvol)
6. Classificatie = “labelling” (vb. verschillende gedragingen
worden misdrijf -> kwalificatieproces)
7. Ordenen van classificatie -> begrippen
8. Van het particuliere naar het algemeen belang (en
omgekeerd)
a. veralgemening vereenvoudiging
b. De criminologische verbeelding
3
, 9. Controverse: beweringen kunnen doen die controleerbaar
zijn voor/door anderen = toetsbaarheid
o Doelstelling is getoetste kennis
o Twijfel, consensus
o Falsificatie stand van de kennis
MAAR kritische bedenkingen bij klassieke visie: diversiteit en
pluraliteit aan wetenschappelijke praktijken:
1. Het experiment kan eigenlijk niet volledig geïsoleerd
worden, experiment gebeurt in werkelijke situatie (vb.
gevangenis)
Eigenlijk nooit bewijzen, ze doen ons de werkelijkheid
beter begrijpen
2. Het object van onderzoek: we onderzoeken mensen, geen
dieren => moeilijk/gevaarlijk
Object is ‘manipuleerbaar’, heeft subjectiviteit => geen
controle over wat mensen denken/zeggen
3. Buiten het lab:
o De oncontroleerbaarheid van de wereld
o De oncontroleerbaarheid van sociale wezens
2 generische kenmerken of constraints (= algemene eigenschappen
of beperkingen die voor een hele klasse van objecten of systemen gelden)
1. “objectiviteit” (B. Latour): mogen object niet misleiden,
ruimte geven
2. Collectief karakter van kennis vanwege systematische op-de-
proefstelling
Met kennisproductie moet je altijd in het collectieve
geplaatst worden, positioneren ten aanzien van wat
anderen denken
Wetenschap is constant in beweging door:
o Controverse (meningsverschillen, kritiek, discussies)
leidt tot andere inzichten + wetenschappelijke kennis blijft hier
ALTIJD vatbaar voor
wordt ingezet in politieke debatten
o Toetsing
o Falsificatie: weerleggen of ontkrachten van een theorie door
empirisch bewijs
4