Samenvatting hoofdstuk 1,2,3
, Hoofdstuk 1 – Het ontstaan van leven op
aarde: van biomolecules tot cel
1 Biomolecules: de bouwstenen van het leven
Alle biomolecules zijn opgebouwd met koolstof als centraal atoom.
1.1 Koolwaterstoffen
o = enkel koolstof en waterstof
o Lage, gelijkaardig EN van koolstof en waterstof APOLAIR
Meeste biomolecules hebben vaak atomen in hun structuur met andere ENW POLAIR
o Functionele groepen gebonden (bv. Hydroxyl (-OH), amino (-NH2) , carboxyl (-COOH)…)
Isomeren = moleculen met dezelfde structuurformule maar een andere structuur
o Structurele isomeren: verschillen in structuur van koolstofskelet
o Stereoisomeren: zelfde atoom volgorde maar verschillen in 3D-structuur
(andere plaatsing van zijgroepen)
Enantiomeren: moleculen die elkaars spiegelbeeld zijn
(= chiraliteit)
Naast water dat bestaat uit waterstof en zuurstof, zijn de meeste chemische processen in
de cel afhankelijk van koolstof-bevattende verbindingen.
- Eiwitten/proteïnen: geven structuur aan cellen en fungeren als katalysatoren voor
chemische reacties en als signaalmoleculen ( polymeren van aminozuren)
- Nucleïnezuren: coderen genetische informatie, bewaren ze en
geven ze door ( aaneenschakeling van nucleotiden)
- Koolhydraten: bron van energie en bouwstenen van de celwand van
planten en bacteriën ( opeenvolging van eenvoudige suikers)
- Lipiden: vormen celmembranen, een energievoorraad en hebben functies als signaalmoleculen
Deze moleculen zijn vaak groot, bevatten honderden of duizenden atomen en de meeste
zijn polymeren, bestaande uit covalent gebonden eenvoudigere eenheden.
Typisch polymeren:
1.Hebben een richting
2.Opeenvolging van eenheden heeft een betekenis: creëert diversiteit tussen moleculen
ontstaan van enorme diversiteit aan biomoleculen
2
, 1.2 Koolhydraten = suikers, sachariden,…
= Opgebouwd uit C, H en O (CH2O)n (n = aantal koolstofatomen)
- Suikers met een aldehydegroep = aldoses
- Suikers met een ketongroep = ketoses
Monosachariden: C6H12O6 = lineair molecule of in waterig milieu ringstructuur: C-atoom van de
aldehyde/ketongroep een covalente binding aan met O-atoom van de hydroxylgroep
Voorbeelden: glucose, galactose en fructose
Disachariden: vorming covalente binding tussen aldehyde en hydroxylgroep van monosachariden
Voorbeeld: lactose, maltose, sacharose
Polysachariden: Covalente bindingen die glycosidebinding worden genoemd, fungeren vaak als
energievoorraad of als structurele component in de opbouw van organisme
Voorbeeld: zetmeel, glycogeen ( energievoorraad), cellulose (plantaardig, structuur celwand)
Aldehyde
groep
Lineair glucose Cyclisch glucose Glycoside binding
1.3 Nucleïnezuren
= opgebouwd uit nucleotiden basiseenheid van ribonucleotide en deoxyribonucleotide
Bouw
Fosfaatgroep(en)
Suiker
Base: pyrimidine (C, T, U) of purine (G, A)
6 ring 5+6 ring
- DNA: opgebouwd uit deoxyribonucleotide
o Afgeschreven tot complementair enkelstrengig RNA (= transcriptie)
- RNA: opgebouwd uit ribonucleotide
o mRNa: informatiedragend en wordt vertaald in een eiwit (= translatie)
o rRNA: helpen bij het vertalen van mRNA
o tRNA: brengt aminozuren aan tijdens translatie
o klein snRNA: helpt bij splicing en polyadenylatie
o zeer korte (21-23 nt) regulerernde RNAs, microRNAs (miRNA) en korte
interfererende RNAs (siRNA): translatie inhiberen door binden aan hun
complementaire mRNA waardoor deze vernietigd wordt door cellulaire machinerie
o lncRNA (lang niet-coderend RNA): regulerende rol in transcriptie van genen
o circRNA (circulair RNA): hebben zowel coderende als regulerende eigenschappen
3