Hoofdstuk 5, Vermogen
● Inkomen kan gebruikt worden voor:
● Consumeren
Het kopen van goederen en diensten door gezinnen (particuliere consumptie)
en overheid (overheidsconsumptie) om in bestaande behoeften te voorzien.
● Sparen
Het niet-consumeren van een deel van het inkomen. Hierdoor bouw je
vermogen op (Bezit minus schuld.)
● Tijdsvoorkeur:
○ Hoge tijdsvoorkeur:
Snel behoefte bevredigen.
■ Eerder lenen dus meer rente betalen en eerder schulden opbouwen.
○ Lage tijdsvoorkeur:
Bereid zijn consumptie uit te stellen. Dit geeft onzekerheid.
■ Door te sparen bouw je vermogen op dat je later kan gebruiken voor
de consumptie (intertemporele ruil).
● Kapitaalinkomen (inkomen uit vermogen)
○ Sparen in spaarpot:
■ Geen rente
○ Onroerend goed bezitten of verhuren:
■ Je ontvangt huur (Beloning voor de productiefactor kapitaal.
Vergoeding voor of inkomen uit verhuur gebouwen of andere
goederen) of pacht (Vergoeding voor of inkomen uit het verhuren van
grond, beloning voor de productiefactor natuur (grond))
○ Sparen op spaarrekening:
■ Wel rente (De beloning die betaald moet worden voor het lenen van
geld en die ontvangen wordt voor het uitlenen van geld)
■ Minder risicovol
○ Obligaties (Verhandelbaar bewijs van deelneming in een geldlening aan
bedrijven of de overheid met een vaste rente en vaste looptijd. Een
schuldbekentenis voor een langlopende lening (looptijd van meer dan twee
jaar) met een vaste rente):
■ Wel rente
■ Minder risicovol (obligatiehouders hebben recht op de rente)
○ Aandelen (Verhandelbaar bewijs van mede-eigendom van een onderneming.
Als het bedrijf winst maakt, ontvangt de aandeelhouder dividend):
■ Je ontvang dividend (deel van de winst)
■ Veel risico
○ Beleggen (Het aanbieden van geld op de vermogensmarkt met de bedoeling
een opbrengst te verkrijgen)
■ Hierdoor krijg je rendement (Opbrengst van het belegde vermogen in
aandelen en obligaties, meestal uitgedrukt in procenten van het
belegde vermogen)
● Inkomen kan gebruikt worden voor:
● Consumeren
Het kopen van goederen en diensten door gezinnen (particuliere consumptie)
en overheid (overheidsconsumptie) om in bestaande behoeften te voorzien.
● Sparen
Het niet-consumeren van een deel van het inkomen. Hierdoor bouw je
vermogen op (Bezit minus schuld.)
● Tijdsvoorkeur:
○ Hoge tijdsvoorkeur:
Snel behoefte bevredigen.
■ Eerder lenen dus meer rente betalen en eerder schulden opbouwen.
○ Lage tijdsvoorkeur:
Bereid zijn consumptie uit te stellen. Dit geeft onzekerheid.
■ Door te sparen bouw je vermogen op dat je later kan gebruiken voor
de consumptie (intertemporele ruil).
● Kapitaalinkomen (inkomen uit vermogen)
○ Sparen in spaarpot:
■ Geen rente
○ Onroerend goed bezitten of verhuren:
■ Je ontvangt huur (Beloning voor de productiefactor kapitaal.
Vergoeding voor of inkomen uit verhuur gebouwen of andere
goederen) of pacht (Vergoeding voor of inkomen uit het verhuren van
grond, beloning voor de productiefactor natuur (grond))
○ Sparen op spaarrekening:
■ Wel rente (De beloning die betaald moet worden voor het lenen van
geld en die ontvangen wordt voor het uitlenen van geld)
■ Minder risicovol
○ Obligaties (Verhandelbaar bewijs van deelneming in een geldlening aan
bedrijven of de overheid met een vaste rente en vaste looptijd. Een
schuldbekentenis voor een langlopende lening (looptijd van meer dan twee
jaar) met een vaste rente):
■ Wel rente
■ Minder risicovol (obligatiehouders hebben recht op de rente)
○ Aandelen (Verhandelbaar bewijs van mede-eigendom van een onderneming.
Als het bedrijf winst maakt, ontvangt de aandeelhouder dividend):
■ Je ontvang dividend (deel van de winst)
■ Veel risico
○ Beleggen (Het aanbieden van geld op de vermogensmarkt met de bedoeling
een opbrengst te verkrijgen)
■ Hierdoor krijg je rendement (Opbrengst van het belegde vermogen in
aandelen en obligaties, meestal uitgedrukt in procenten van het
belegde vermogen)