Oefeningen on campus, het HOC is soms digitaal en soms on campus (planning op canvas!)! Zowel
digitaal en on campus is interactie belangrijk. We bespreken in de hoc’s de
persoonlijkheidstheorieën: de belangrijkste basisprincipes van een theorie én voorbeelden van
psychologisch onderzoek om aan te tonen dat deze klassieke theorieën nog gebruikt worden. In
WPO’s gaan we persoonlijkheid in de praktijk meten: oefeningen.
* Examinering: credit betekent 10/20 of meer. Er is een examen op 10 en de oefeningen op 10 (dit
zijn 2 opdrachten waaronder 1 literatuurstudie en 1 korte opdracht zonder punten) = een eindtotaal
op 20. Indien geen credit (dus geen min. 10/20) -> overdracht punten enkel op delen waarop de helft
of meer werd behaald (5/10 of meer voor examen of 5/10 voor oefeningen).
* Examen: inhoud van het hoc (de klassieke theoretische oriëntaties van persoonlijkheidspsychologie
met exemplarische voorbeelden van theorieën aan de hand van sleutelfiguren) + theoretische
achtergrond/lessen WPO over meetparadigma’s!!!
- meerkeuze 4 antwoordopties met 20 vragen -> met verhoogde cesuur
- 15-tal over hoc + 5 vragen over wpo
* Proefexamen op canvas!
1. Introductie – Inleiding tot persoonlijkheidstheorieën
1.1. De klassieke theoretische oriëntaties met sleutelfiguren: elk van de theorieën heeft zijn eigen
veronderstellingen en elk van de theorieën zal dus de nadruk leggen op verschillende aspecten van
gedrag en persoonlijkheid. => vormt een kapstok van de hele cursus!
psychodynamische theorieën!
= wat is typisch voor de psychodynamische benadering? Wat delen de theorieën binnen deze
benadering? Vooral het onbewuste deel van persoonlijkheid is van belang bij psychodynamische
theorieën!
Sleutelfiguren:
- Freud: hecht enorm veel belang aan vroege ervaringen tijdens de kindertijd. Ook ouders zijn hierbij
belangrijk als sturende krachten. In andere psychodynamische theorieën zal de relatie met de ouders
ook een belangrijke factor zijn bij de persoonlijkheidsontwikkeling, maar zij gaan meer nadruk leggen
op andere invloeden, zoals sociale en culturele invloeden en bv. minder op seksualiteit op zich (zoals
Freud deed). Daarnaast ging Freud vaak uit van de negatieve kant van mensen/dingen die ze
onderdrukken.
- Horney: heeft een meer recentere psychodynamische benadering dan Freud.
humanistische/existentiële theorieën
= wat doen deze theorieën? Zij benadrukken positieve aspecten van menselijk gedrag (bv. geluk).
Men noemt dit daarom ook soms ‘positieve psychologie’. Zij gaan er duidelijk vanuit dat mensen
persoonlijk willen groeien en streven naar welzijn, geluk, mentaal welzijn,.. .
Sleutelfiguur:
- Rogers: zijn humanistische theorie stelt dat mensen willen groeien én mensen maken bewuste
keuzes.
dispositionele theorieën (= disposities = trekken)
= Wat doen deze theorieën? Ze benadrukken dat mensen zich op een unieke én consistente manier
gedragen, bijvoorbeeld: als jouw vriendin vandaag introvert is, verwacht je niet dat ze morgen plots
helemaal extravert is.
Sleutelfiguren:
- Allport: legt vooral de nadruk op het unieke van mensen.
1
,- McCrae & Costa: zij hebben het vijffactorenmodel uitgewerkt, wat zeer populair is en zeer vaak
gehanteerd wordt. Ook is dit sterk wetenschappelijk onderbouwd om de normale persoonlijkheid te
gaan omschrijven. O.b.v. het vijffactorenmodel zullen we in de wpo’s het multivariate
meetparadigma bekijken.
biologische/evolutionaire benadering
= Naar wat kijken deze theorieën? Ze kijken naar de biologisch en genetisch bepaalde basis voor
denken en gedrag.
Sleutelfiguur:
- Eysenck: hij keek vooral naar biologische en genetische invloeden. Ook keek hij naar
hersenstructuren, neuronen, genen,… Vandaar dat Eysenck de sleutelfiguur vormt van de
biologische/evolutionaire benadering.
leren en cognitieve theorieën:
= Naar wat kijken deze theorieën? Ze kijken naar associaties die mensen leren en naar gevolgen van
gedragingen.
Sleutelfiguur:
- Mischel: hecht veel belang aan cognitief- affectieve eenheden!
1.2. Wat is persoonlijkheid?
Persoonlijkheid komt van het Latijnse woord ‘persona’. Dit stond tijdens de tijd van de Romeinen
voor het ‘masker’ dat mensen dragen tijdens een theatertentoonstelling. In een theatervoorstelling
namen ze vaak de rol in die ze hebben in het leven, bv. de rol van Senator, filosoof,… De meeste
psychologen gaan echter dat woordje nu voor meer gebruiken. Nu ziet men het dus breder dan enkel
het ‘masker’/de rol die men vertoonde: men zegt nu dat persoonlijkheid alles is wat zorgt voor de
individualiteit en consistentie.
Definitie van persoonlijkheid: een patroon van relatief permanente karaktertrekken (traits) en
unieke kenmerken die zowel voor consistentie als individualiteit zorgen in het gedrag van een
persoon. Wat zijn dus de belangrijke punten van deze definitie?
* traits/trekken (bv. sociaal zijn):
- traits kunnen uniek of gemeenschappelijk zijn voor een bepaalde groep (bv. de meeste
studenten zijn misschien wel plichtsbewust in het studeren maar sommigen ervan zijn
misschien introvert, terwijl anderen meer extravert kunnen zijn). MAAR de samenstelling/het
patroon van de trekken is verschillend bij elk individu, vandaar dat er individuele verschillen
zijn in gedrag
- het geeft een zekere consistentie over de tijd
- het geeft een zekere stabiliteit over situaties
* unieke kenmerken = unieke kwaliteiten (bv. temperament, intelligentie)
1.3. Wat is een theorie?
Definitie van een theorie: een set van gerelateerde veronderstellingen die wetenschappers
toelaten om o.b.v. logisch deductief redeneren testbare hypotheses te formuleren. !
Testbaar is hier heel belangrijk! Theorie verschilt dus van volkswijsheid. Bijvoorbeeld: de gedachte
‘dikke mensen zijn gezellige mensen’. Als je niet systematisch gaat meten dat mensen met een hoger
BMI inderdaad hoger scoren op een persoonlijkheidsvragenlijst, is het maar een volkswijsheid en
géén theorie. Een theorie wordt door wetenschappers gebruikt om onderzoek voor te brengen om
observaties te systematiseren.
Theorie is verwant met, maar verschillend van!:
- filosofie: theorie is verwant aan filosofie, maar is zeker niet hetzelfde! Filosofie gaat over wat zou
2
,moeten zijn of wat zou zijn: theorie doet dat niet. Het gaat eerder over ‘if – then’: bv. ‘als’ kinderen
volledig in isolatie worden geplaatst, ‘dan’ zullen ze geen menselijke taal leren.
- speculatie: een theorie begint vaak vanuit een speculatie, maar het is niet hetzelfde! Bijvoorbeeld:
misschien heb ik het idee dat dikke mensen gezellig zijn, want alle dikke mensen die ik ken, zijn
gezellig. Dit is echter maar een speculatie! MAAR: een theorie moet meer zijn dan zomaar
speculeren. Een theorie moet namelijk verbonden worden aan empirische data en wetenschap!
- hypothese: een theorie is algemener dan de specifieke hypotheses. Een theorie kan bestaan uit
verschillende hypotheses/onderbouwde speculaties, die samen de theorie maken. Vandaar dat er in
de definitie het ‘deductief redeneren’ vermeld wordt. Bij deductief redeneren trek je uit algemene
regels of principes conclusies, dus: van een algemene theorie naar specifieke hypotheses.
- taxonomie: een theorie verschilt ten slotte ook van een taxonomie. Een taxonomie is een
classificatiesysteem o.b.v. natuurlijke relaties (bv. hoe dieren worden ingedeeld). Classificatie is ook
noodzakelijk bij wetenschap, maar taxonomieën genereren niet noodzakelijk hypotheses. Om een
bruikbare theorie te kunnen hebben moet je verder gaan dan zuivere classificatie en moet je
hypotheses kunnen opbouwen.
1.4. Waarom bestaan er meerdere theorieën?
* psychologen en wetenschappers hebben verschillende persoonlijkheidstheorieën ontwikkeld,
omdat ze zelf verschillende persoonlijke achtergronden hebben. Ze hebben andere ervaringen
meegemaakt tijdens de kindertijd en hebben verschillende interpersoonlijke relaties.
* Wetenschappers hebben verschillende filosofische oriëntaties
* de data die gekozen wordt om te observeren is verschillend
* elke theoreticus legt verschillende accenten; ze hebben hun eigen unieke manieren om naar de
werkelijkheid/wereld te kijken.
Dit kan een voordeel inhouden, want als je iets bekijkt/bestudeert, heb je meerdere invalshoeken
nodig. Bijvoorbeeld: als je uitspraken wilt doen over de levensloop, heb je niet voldoende aan een
theorie die enkel kinderen bestudeert. Je hebt ook nood aan theorieën die adolescente, volwassenen,
bejaarden,.. bestuderen/integreren.
Omdat persoonlijkheidstheorieën vaak ontstaan vanuit de persoonlijkheid van een theoreticus, zijn
er psychologen met de interesse voor The psychology of Science (= de psychologie van de
wetenschap). Deze zijn begonnen met het bestuderen van de persoonlijke trekken van
persoonlijkheidstheoretici om te gaan kijken naar hoe trekken een invloed kunnen hebben op hun
wetenschappelijke theorieën en onderzoek.
definitie van The psychologie of Science: de empirische studie van het wetenschappelijk denken
en gedrag (incl. theorie constructie) van een wetenschapper.
de persoonlijkheden en de psychologie van verschillende theoretici beïnvloedt wel degelijk de
aard van de theorieën die ze ontwikkelen. Bijvoorbeeld: sommige theoretici hebben een sterke
interesse in kinderen, waardoor ze juist een theorie rond kinderen ontwikkelen.
De persoonlijkheden, de achtergrond, het leven van een persoon/wetenschapper kan zeker een
invloed hebben, vandaar dat we deze ook aanhalen in de cursus. De uiteindelijke theorie moeten we
natuurlijk wel beoordelen o.b.v. objectieve criteria.
1.5. Wat maakt een theorie zinvol? Welke criteria kunnen we hanteren voor het
evalueren/beoordelen van een theorie? de eerste 5 criteria zijn heel belangrijk: ze vormen de
basiscriteria voor het beoordelen van een theorie!
* een zinvolle theorie genereert onderzoek. Dit is één van de belangrijkste functies van een theorie!
* een theorie moet falsifieerbaar zijn. Het moet mogelijk zijn om de grondstellingen te bevestigen of
te ontkrachten. Als je iets niet meetbaar kunt maken, is het niet meer dan een speculatie.
3
, * een zinvolle theorie organiseert gekende data. Een zinvolle theorie moet in staat zijn om wat
voortkomt uit onderzoek te organiseren.
* een zinvolle theorie leidt handelen. Een theorie leidt dan zowel het handelen van onderzoekers (bv.
het testen van hypotheses), als de praktijk. Theorieën zijn vaak ook praktische hulpmiddelen, die een
leidraad vormen voor het nemen van beslissingen. Bijvoorbeeld: een theorie rond opvoeding kan
zinvol zijn voor ouders en leraren OF een theorie rond emotionele stabiliteit of labiliteit kan
therapeuten helpen om daarmee aan de slag te gaan. Theorieën gaan ons een aantal antwoorden
geven om het handelen te leiden.
* een zinvolle theorie is intern consistent. Een theorie moet samenhangen/homogeen zijn. In
theorieën ga je dus ook operationele definities maken: je zal aangeven hoe je iets bepaald moet
meten.
* Indien theorieën gelijk scoren op bovenstaande basiscriteria, dan moet men de meest spaarzame
theorie verkiezen (the law of parsimony). Je moet het niet complexer maken dan noodzakelijk is!
1.6. Dimensies voor een concept over de ‘mensheid’ (welke dimensies gebruiken we om de mens te
omschrijven?) (6 brede dimensies)
→ determinisme (alles is bepaald; je kan weinig aan je lot veranderen) vs. vrije keuze (zelf controle
kunnen hebben) = en dimensie van al dan niet controle hebben.
→ pessimisme (je kan zaken moeilijk veranderen) vs. optimistisch (je kan altijd groeien)
→ causaliteit (je zoekt naar de oorzaak in het verleden, dus je bent ervan overtuigt dat je gedrag kan
uitleggen in functie van het verleden) vs. teleologie (je gaat gedrag uitleggen in termen van de
toekomstige doelen die men zich stelt)
→ bewuste vs. onbewuste (bv. Freud legt duidelijk de nadruk op onbewuste aspecten)
determinanten van gedrag
→ biologische vs. sociale invloeden op persoonlijkheid = het typische erfelijkheids- en
omgevingsdebat (nature vs. nurture -> bijna nooit het ene of het andere, bijna altijd interactie tussen
beide)
→ individualiteit (wat is uniek voor mensen?) vs. similariteit (wat is gelijk over mensen heen?)
1.7. Wat is belangrijk bij onderzoek naar persoonlijkheidstheorieën?
1) Een sterke persoonlijkheidstheorie moet leiden tot empirisch onderzoek/moet onderzoek
genereren. Dit is natuurlijk niet uniek voor een persoonlijkheidstheorie. Ook andere theorieën zijn
gebaseerd op systematisch onderzoek. Dit betekent:
* theorie geeft betekenis aan data: dus een theorie over PH helpt onderzoekers om data te
interpreteren. Bv: als iemand hoog scoort op extraversie, kan de theorie verklaren hoe dit invloed
heeft op hun gedrag.
* data komen voort uit onderzoek ontworpen om hypotheses te testen die afgeleid zijn van de
theorie: dit betekent dat onderzoekers experimenten of enquêtes ontwerpen om specifieke
voorspellingen uit de theorie te toetsen. Bijvoorbeeld: als de Big Five stelt dat extraverte mensen
meer sociale interacties opzoeken, kan dit worden getest door hun gedrag in verschillende sociale
situaties te observeren.
2) Om een persoonlijkheidstheorie wetenschappelijk te maken, moeten observaties systematisch
worden uitgevoerd. Een theorie moet consistente en accurate predicties/voorspellingen opleveren.
Om de mogelijkheid tot voorspellen te verbeteren, hebben persoonlijkheidspsychologen ook
verschillende meettechnieken ontwikkeld. Er bestaan hierbij twee empirische criteria voor
meetinstrumenten, nl:
* betrouwbaarheid = reliability: het verwijst naar de consistentie van een meetinstrument.
Dit kan zowel interne consistentie zijn (dus de mate waarin de verschillende items die
hetzelfde concept meten, onderling samenhang vertonen/correleren). Dit kan ook verwijzen
4