Hoofdstuk 4 Het gezin
● Stroomgrootheid Als je iets over een bepaalde periode meet, vb. €100 per maand
● Voorraadgrootheid Wordt gemeten op een bepaald moment, momentopname, vb.
€200 spaargeld op 1 januari
● Zakgeld per week naar per maand omrekenen = €5 per week = 52 x €5 = €260 per
jaar = €260 : 12 = €21,67 per maand.
○ Stel dat je in januari €40 zakgeld ontvangt en €30 uitgeeft, zijn dat beide
stroomgrootheden. Op 1 februari is je voorraad dan met €10 toegenomen, het
verschil tussen de binnenkomende en uitgaande geldstroom die maand.
● Cumulatief = alles bij elkaar geteld
Bevolking % inkomen Cumulatief % inkomen
Groep 1 11% 11%
(laagste inkomens)
Groep 2 19% 30% (11+19)
Groep 3 22% 52% (30+22)
Groep 4 48% 100% (52+48)
(Hoogste inkomens)
Totaal 100%
● Nibud Nationaal instituut voor budgetvoorlichting = onafhankelijk en geeft financieel
advies en financiële informatie.
● CBS Centraal Bureau voor de Statistiek verzameld allerlei gegevens over
huishoudens.
● Vroeg Verdieners zijn mensen die op jonge leeftijd kiezen voor een baan.
Laatverdieners zijn mensen die nog verder gaan leren en later beginnen met werken.
● Laatverdieners moeten lenen voor de studie,
maar gaan op langere termijn meer verdienen.
Tijdens de studie nemen zij genoegen met een laag inkomen.
Zij investeren in hun menselijk kapitaal = het geheel aan kennis en
vaardigheden. Hierdoor wordt hun verdiencapaciteit = het bedrag dat
iemand maximaal kan verdienen) groter.
● Als een student geld gaat lenen om zijn/haar studie te betalen, gaat dat via het
sociaal leenstelsel. Hierbij is de rente lager dan bij de bank en dus zal het
goedkoper zijn.
● Als je een huishouden hebt met kinderen, werkt vaak alleen de man. Dit komt omdat
de vrouw meestal minder verdient en dus de financiële opofferingskosten kleiner zijn.
Doordat de vrouw meer thuis is, neemt zij vaak de huishoudelijke taken op zich.
○ Als je de taken wilt verdelen, kun je dat het beste doen door degene die het
snelst in een bepaalde taak is, deze taak te laten doen.
● Inkomensafhankelijke bijdrage Als je een hoog inkomen hebt → lage
bijdrage van de overheid.
● Stroomgrootheid Als je iets over een bepaalde periode meet, vb. €100 per maand
● Voorraadgrootheid Wordt gemeten op een bepaald moment, momentopname, vb.
€200 spaargeld op 1 januari
● Zakgeld per week naar per maand omrekenen = €5 per week = 52 x €5 = €260 per
jaar = €260 : 12 = €21,67 per maand.
○ Stel dat je in januari €40 zakgeld ontvangt en €30 uitgeeft, zijn dat beide
stroomgrootheden. Op 1 februari is je voorraad dan met €10 toegenomen, het
verschil tussen de binnenkomende en uitgaande geldstroom die maand.
● Cumulatief = alles bij elkaar geteld
Bevolking % inkomen Cumulatief % inkomen
Groep 1 11% 11%
(laagste inkomens)
Groep 2 19% 30% (11+19)
Groep 3 22% 52% (30+22)
Groep 4 48% 100% (52+48)
(Hoogste inkomens)
Totaal 100%
● Nibud Nationaal instituut voor budgetvoorlichting = onafhankelijk en geeft financieel
advies en financiële informatie.
● CBS Centraal Bureau voor de Statistiek verzameld allerlei gegevens over
huishoudens.
● Vroeg Verdieners zijn mensen die op jonge leeftijd kiezen voor een baan.
Laatverdieners zijn mensen die nog verder gaan leren en later beginnen met werken.
● Laatverdieners moeten lenen voor de studie,
maar gaan op langere termijn meer verdienen.
Tijdens de studie nemen zij genoegen met een laag inkomen.
Zij investeren in hun menselijk kapitaal = het geheel aan kennis en
vaardigheden. Hierdoor wordt hun verdiencapaciteit = het bedrag dat
iemand maximaal kan verdienen) groter.
● Als een student geld gaat lenen om zijn/haar studie te betalen, gaat dat via het
sociaal leenstelsel. Hierbij is de rente lager dan bij de bank en dus zal het
goedkoper zijn.
● Als je een huishouden hebt met kinderen, werkt vaak alleen de man. Dit komt omdat
de vrouw meestal minder verdient en dus de financiële opofferingskosten kleiner zijn.
Doordat de vrouw meer thuis is, neemt zij vaak de huishoudelijke taken op zich.
○ Als je de taken wilt verdelen, kun je dat het beste doen door degene die het
snelst in een bepaalde taak is, deze taak te laten doen.
● Inkomensafhankelijke bijdrage Als je een hoog inkomen hebt → lage
bijdrage van de overheid.