- Loon/salaris (loondienst) en winst (eigen baas) zijn vormen van inkomen.
- Loon en winst uit eigen zaak noemen we arbeidsinkomen.
- Over je inkomen moet je belastingen en premies betalen.
- Totale vraag naar arbeid:
1. Vraag → waarin al is voorzien en een openstaande vraag, de
vacatures.
2. Aanbod → iedereen die zich aanbiedt (beroepsbevolking).
Hieronder valt iedereen die werkt.
- De arbeidsmarkt
- Bestaande uit deelmarkten
Plaats waar vragers (werkgevers) en aanbieders (iedereen die kan en
wil werken, arbeidsparticipanten of de beroepsbevolking) van arbeid
elkaar ontmoeten.
- De arbeidsmarkt is een abstracte mark
- De belangrijkste arbeidsvoorwaarden zijn vastgelegd in cao (collectieve
arbeidsovereenkomst), geregeld door werkgever en vakbond. Zij regelen:
- Loon
- Arbeidstijd
- Vakantie
- Pensioen
- Overuren
Vakbonden zorgen ook voor behoud of verbetering van de koopkracht. Je
betaalt hier subsidie voor, hierdoor kan ook meeliftersgedrag ontstaan.
- Koopkrachtdaling
Als er sprake is van inflatie, een stijging van het gemiddeld prijsniveau (je geld
wordt minder waard).
- Ondernemingsplan
Geeft inzicht in je doelstelling, marktpositie, en de haalbaarheid van je
plannen. Vaak handig voor afnemers, leveranciers en banken van belang.
- De aanschaf van kapitaalgoederen (investeren).
Om te investeren is kapitaal (geld, ofwel vermogen) nodig.
Investeringen kun je betalen met:
- Eigen geld (eigen vermogen)
- Geleend geld (vreemd vermogen, hierover betaal je rente).
- Productiefactoren:
1. Kapitaal → Rente/interest
2. Arbeid → Loon
3. Natuur → Huur/pacht
4. Ondernemerschap → Winst +
= Primair inkomen