Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 50 pages
Summary

Samenvatting Sociale psychologie

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 50 pages

UU vak sociale psychologie, eerste jaar psychologie. Samenvatting hele boek, behalve hoofdstuk 2. Cijfer: 8,5.

Content preview

Chapter 1. Introductie Sociale Psychologie
1.1 Defining Social Psychology
Sociale psychologie is de wetenschappelijke studie van de manier in hoe mensen hun
gedachten, gevoelens en gedrag beïnvloed worden door de werkelijke of ingebeelde
aanwezigheid van andere mensen.

Sociale invloed is niet alleen iemand opzettelijk van gedachten of gedrag laten
veranderen. Het alleen aanwezig zijn is al sociale invloed. Soms worden theorieën van
biopsychologie en evolutionaire psychologie gebruikt om hypotheses over sociaal gedrag
te maken.

Construal/interpretatie= hoe mensen de sociale wereld waarnemen, begrijpen en
interpreteren.

1.2 The power of the situation
De situatie kan je mening over iets of iemand heel snel veranderen. Veel mensen
beschrijven iemands gedrag in termen van persoonlijkheid. De feit dat mensen de situatie
niet bekijken heeft impact op hoe mensen relateren tegenover anderen, bijvoorbeeld of
ze boos worden of empathie tonen naar iemand.

Waar veel mensen tegen aan lopen in de sociale psychologie is de fundamentele
attributie fout= de neiging om ons eigen en anderen hun gedrag uit te leggen in
termen van persoonlijkheid en de kracht van sociale invloed en de werkelijke situatie te
onderschatten. Door dit te doen kan het ons een vals gevoel van veiligheid geven. Door
de kracht van de situatie te onderschatten en het probleem te versimpelen, kan leiden tot
de schuld toewijzen aan de slachtoffers in een situatie waar het individu overmachtigd
was door de sociale druk die te moeilijk was om te negeren.

De nadruk op construal/interpretatie heeft tot Getaltpsychologie geleidt, we willen de
wereld zien als geheel ipv in delen. Een vorm van construal is naïve realism= de
overtuiging dat we dingen zien ‘zoals ze zijn’, niet denkend dat we de realiteit in onze
gedachten kunnen veranderen.

1.3 Where construals come from: basic human motives
Sociale psychologen willen de fundamentele motieven begrijpen die bepalen waarom we
de sociale wereld interpreteren zoals we doen. 2 centrale motieven:
 De behoefte om je goed te voelen over jezelf
Attributietheorie: Zelfbeschermende verklaringen voor uitkomsten. Succes: interne,
stabiele attributie. Falen: externe, instabiele attributie.
 De behoefte om accuraat/correct te zijn
Mensen kiezen sneller voor de eerste en rechtvaardigen hun slechte gedrag om toch
goed te voelen over henzelf. Maar we zien toch op een manier de werkelijkheid  sociale
cognitie= hoe mensen denken over zichzelf en de sociale wereld; hoe mensen sociale
informatie selecteren, interpreteren, herinneren en gebruiken om keuzes en uitspraken te
maken. Dit kan op verschillende manieren fout gaan, wat zorgt voor foutieve impressies.




1

,Chapter 13. Prejudice: causes, consequences, and cures
13.1 Vooroordelen definiëren
Vooroordeel is een emotioneel krachtige houding. Houdingen bestaan uit drie
componenten:
1. Cognitief component, omvat de overtuigingen/gedachten die de houding vormen
2. Effectieve/emotionele component, vertegenwoordigt de type emotie dat met de
houding gepaard gaat en de intensiteit van de emotie
3. Gedragscomponent, hoe iemand handelt
Bij een vooroordeel zijn de kenmerken die iemand toeschrijft aan leden van de groep
negatief en worden toegepast op de gehele groep.

1. Cognitief component (stereotypen)
Het creëren van groepen/categorieën is een adaptief mechanisme, ingebouwd in het
brein. We vertrouwen op onze perceptie van hoe mensen met vergelijkbare kenmerken in
het verleden zijn geweest om te bepalen hoe we moeten reageren op iemand met
dezelfde kenmerken. Als je aan een sociale groep denkt, worden concepten die je met die
groep associeert toegankelijker  stereotype-consistente informatie krijgt meer aandacht
en wordt gemakkelijker onthouden dan de ‘uitzonderingen’ op het stereotype. We hebben
de neiging om te categoriseren op basis van wat we als normatief beschouwen.
Stereotypen ontstaan door ‘de wet van de minste inspanning’. Positieve stereotypen zijn
in het nadeel van beide partijen. Afhankelijk van context (sterker na bedreiging van de
sociale identiteit), afhankelijk van betekenis (sterker voor mensen die zich identificeren
met hun groep)  bij sociale categorisatie (wij vs. zij). Stereotypen worden sterker
wanneer de sociale identiteit bedreigd wordt, wanneer mensen zich sterk identificeren
met hun groep, en wanneer er een duidelijke wij-zij indeling ontstaat.

2. Affectieve component (emoties)
Door emoties kan je erg gemotiveerd worden om
bepaalde overtuigingen te beschermen. Logische
argumenten werken niet tegen mensen met hele sterke
vooroordelen: ongevoelig voor logica of bewijs.

Groepsstereotypen kunnen worden geclassificeerd langs
twee universele dimensies van persoonsperceptie:
warmte en competentie.

3. Gedragscomponent (discriminatie)
Vooroordelen leiden vaak tot discriminatie.
Discriminatie kan heel duidelijk of juist klein zijn.




2

,13.2 Verborgen vooroordelen detecteren
Meten van verborgen vooroordelen of vooroordelen die mensen net weten dat ze hebben.

Automatische vooroordelen herkennen
 Identieke cv’s naar potentiële werkgevers sturen, waarbij alleen een naam wordt
gevarieerd die het geslacht aangeeft, ras impliceert, religieuze overtuiging
vermeldt of een sollicitant als zwaarlijvige beschrijft. Werkgevers kijken vaak naar
sollicitanten hun sociale media voor meer informatie.
 Technologie: Vroege versie van deze methode is de nep-pijnlijn (nep
leugendetector met schokken). Hierbij werd er gevraagd naar de overtuigingen
van deelnemers  vooroordelen kwamen naar voren uit angst voor een schok.
o Wordt gebruikt wanneer mensen weten wat ze voelen, maar de gevoelens
liever voor anderen verbergen

Impliciete vooroordelen herkennen
Wanneer iemand niet per se weet hoe ze voelen wordt er gekeken naar impliciete
vooroordelen (onbewust). Deze zijn moeilijk te veranderen.
 Impliciete Associatietest (IAT), meet de snelheid van de positieve en negatieve
associaties van mensen met een doelgroep.
o Reeks gezichten die je moet sorteren in verband met positieve of negatieve
woorden. Negatieve en positieve woorden worden gecombineerd met
zwarte en witte mensen. Deelnemers reageren sneller op witte mensen
met positieve woorden en zwarte mensen met negatieve woorden dan
andersom. Kan naast ras ook toegepast worden op leeftijd enz.
o Er komt dus uit dat veel mensen vooroordelen hebben waarvan ze niks
vanaf wisten.
o MAAR betekent niet dat het altijd individuele vooroordelen zijn, vaak
gebaseerd op culturele associatie of stereotypen.

13.3 De effecten van vooroordelen op het slachtoffer
 Internaliseren van de opvattingen van de samenleving over de eigen groep als
inferieur, onaantrekkelijk of incompetent.
 Veelvoorkomende reactie is om de negatieve stereotypen opnieuw toe te eigenen
en ze om te zetten in een bron van motivatie en trots.

Self-fulfilling prophecy= Een verwachting/overtuiging over iemand leidt ertoe dat
mensen zich zo gaan gedragen dat die verwachting uiteindelijk uitkomt. Het zelfbeeld en
het gedrag van het bevooroordeelde persoon kan dan ook veranderen.

Bedreigingen voor je sociale identiteit
Dit zijn de gevoelens en gedragingen die worden uitgelokt door te weten dat je wordt
beoordeeld als lid van je groep. Sociale identiteitsdreiging vermindert de capaciteit van
ons werkgeheugen, zodat je niet zoveel cognitieve middelen over hebt om optimaal te
kunnen presteren. Je voelt de druk om je hele sociale groep te vertegenwoordigen.
 Een trigger van sociale identiteitsdreiging is de opvallendheid van sociale
identiteit zoals het moeten aangeven van je ras.
Deze bedreigingen hebben effect op het dagelijks leven van mensen.

Om de effecten van sociale dreiging terug te draaien moet er een positief
tegenstereotype vermeld worden. Zelfbevestiging is ook een methode: mensen kunnen
hun angst toeschrijven aan de sociale situatie ipv hun capaciteiten.




3

, 13.4 Oorzaken van vooroordelen
1. Institutionele discriminatie
2. Realistische economische conflicten
3. Druk om zich te conformeren

Druk om zicht te conformeren: normatieve regels
Vooroordelen lijken normaal onder omstandigheden van institutionele discriminatie.
Normatieve conformiteit= De neiging om met de groep mee te gaan om aan de
verwachtingen van de groep te voldoen en acceptatie te krijgen. Normatieve conformiteit
verklaart waarom mensen met vooroordelen er niet naar handelen en mensen zonder
vooroordelen zich discriminerend gedragen naar anderen.

Het niet confronteren van vooroordelen heeft gevolgen voor het doelwit maar ook de
mensen die zwijgen, want zij verminderen dissonantie door hun passiviteit te
rechtvaardigen en daardoor de kans te vergroten dat ze in de toekomst minder zullen
tegenspreken.

Sociale identiteitstheorie: wij versus zij
We ontwikkelen allemaal een sociale identiteit op basis van groepen waartoe we
behoren. Etnocentrisme= de overtuiging dat je eigen cultuur, natie of religie superieur
is aan alle andere. Dit berust op ‘wij’. Hierdoor zien ‘wij’ anderen als buitenstaanders.
Achterdochtig doen tegen buitenstaanders is een biologisch overlevingsmechanisme om
‘ons’ te beschermen.
 Activiteit in de amygdala is verhoogd wanneer we buitenstaanders zien, omdat de
amygdala geassocieerd wordt met angst en negatieve emoties

In-group bias= de positieve gevoelens en speciale behandeling die we geven aan
mensen die we hebben gedefinieerd als onderdeel van onze groep.
Out-group homogeniteit= de overtuiging dat ‘zij’ allemaal gelijk zijn. We zien mensen
in onze in-group meer als individuen dan bij de out-group.

Mensen die niet zijn beoordeeld door vooroordelen geven sneller het slachtoffer de schuld
dan mensen die wel bevooroordeeld zijn geweest. Deze neiging wordt meestal
gemotiveerd doordat zij de wereld als rechtvaardig willen zien. Dit gebeurt omdat we
bang zijn dat zoiets bij ons gebeurt en door de persoon de schuld te geven, laten we
onszelf veiliger voelen omdat we denken dat wij het niet zo slecht zouden doen als dat
persoon.

Vooroordelen ondersteunen het superioriteitsgevoel van de in-groep en al hun
kenmerken. Het onderdrukken van vooroordelen vereist energie, dus mensen zoeken
informatie om zichzelf te overtuigen dat de vooroordelen gerechtvaardigd zijn.

Realistische conflicttheorie stelt dat beperkte middelen leiden tot conflicten tussen
groepen en leiden tot vooroordelen en discriminatie. In de politiek worden de
minderheden gebruikt als zondeblok om alle schuld op hen te leggen.




4

Connected book
 image
Elliot Aronson, Timothy Wilson, Samuel Sommers Social Psychology, Global Edition
Publisher: 03 januari 2025 ISBN: 9781292734750 Edition: 1

Document information

Study
Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
Gehele boek zonder hoofdstuk 2
Uploaded on
February 11, 2026
Number of pages
50
Written in
2025/2026
Type
Summary
$7.86

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
0
Followers
0
Items
1
Last sold
-


Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions