DEEL A: DNA
1. Introductie
1.1 Stroom van genetische informatie = centraal dogma
Interesse?
Fenotypische kenmerken
Functioneel onderzoek
Ziektebeelden
Belang human genome project op medisch vlak:
4000 genetisch bepaalde ziekten
Diagnose gekende en nieuwe ziekte genen
Onderzoek naar complexe genetische ziekten
o Auto-immuunziekten
o Kanker
o Hart-en vaatziekten
o Verslaving
o Depressiviteit
Centraal dogma:
=informatie in DNA via een RNA molecule doorgegeven aan eiwitten
Francis Crick (1957)
Behoud en doorgeven genetische info essentieel voor leven
Replicatie: DNA overgeschreven naar DNA
transcriptie: DNA overgeschreven naar RNA
Translatie: DNA vertaald naar EW
Genexpresie:
=proces waarbij informatie in gen tot expressie gebracht wordt doordat het gen
afgelezen wordt en door RNA en EW worden gemaakt
2 belangrijke stappen: transcriptie + translatie
Evolutie centrale dogma:
Strikte regulatie van expressie op verschillende niveau’s
Variabiliteit tot gevolg
1.2 Structuur van DNA
,1.2.1 Primaire structuur
DNA = desoxyribonucleïnezuur
Bevat alle erfelijke informatie van organisme
Polymeer van nucleotiden
Nucleotiden:
Ribose (pentose suiker)
Fosfaatgroep
N-base:
o Adenine (A), guanine (G)
o Cytosine (C), thymine (T), uracil (U)
Verschillen van elkaar door N-houdende base
Karakteristieke groep nucleotide
Verantwoordelijk voor naamgeving
Polymerisatie nucleotiden:
Condensatie reacties
Fosfordiester binding tussen 3’ OH en 5’ fosfaatgroep volgende
Zeer stabiele (covalente) binding
DNA streng = primaire structuur
o 2 verschillende uiteinden
o Richting: 5’ 3’ (polariteit)
o Suiker-fosfaat ruggengraat
o Ruggengraat altijd zelfde, N-basen zorgen voor variatie
o DNA-sequentie = volgorde van nucleotiden in een streng
o Negatieve ladingen
1.1.2 Secundaire structuur
Dubbele helix vorm:
Watson en crick
2 anti-parallele DNA-strengen
Met complementaire baseparing
o A-T (2 H-bruggen)
o G-C (3 H-bruggen)
Structuur ondersteund door zwakke krachten:
Waterstofbruggen tussen complementaire basen
Base ‘stacking + elektrostatische interacties (van der waals)
, Door hydrofobe basen dicht op elkaar
Omwentelingen
grote en kleine groeve
interactie plaat met DNA bindende EW
1.2.3 Tertiaire structuur
Prokaryoot:
Genoom is 1 circulair, dubbelstrengig DNA molecuul
Geen vrij 3’ en/of 5’ uiteinde
Complex met EW
Vaak extrachromosomaal DNA: circulair ds plasmiden
Vaak supercoiling: over- of onderwinding
Eukaryoot genoom:
Chromosomaal DNA in kern als chromatine en chromosomen
o Chromosomen enkel zichtbaar tijdens metafase van mitose
o Bestaat uit 2 identieke chromatiden
Dubbelstrengig lineair
Eukaryoot chromosoom kan worden ontwonden tot verschillende niveau’s
DNA-draad’ van 2m lengte in elke celkern
Negatieve ladingen stoten elkaar af
Geassocieerd met histonen ter vorming van nucleosomen
Sterke opvouwing met verschillende niveaus zichtbaar met EM
Nucleosoom:
8 kern histonen waarrond DNA gewonden
Linker histon ter stabilisatie
Condensatie door basische EW
Rol in toegankelijkheid
Rol in transcirptie
Verschillende verpakkingsgraden:
Heterochromatine: compact
o Constitutief heterochomatine:
structurele rol, permanent gecondenseerd
o Facultatief: kan omgezet worden in euchromatine en omgekeerd
Euchromatine: losser
Veel van chromatine in metabolisch actieve cellen
Ter voorbereiding van celdeling wordt alle chromatine dens opgevouwen
1.3 Organisatie van het genoom
Genoom:
=geheel aan genetische informatie van het organisme
, Meestal DNA
Enkel- (ss) of dubbelstrengig (ds)
Lineair of circulair
Elke cel bevat volledige genoom
slechts deel tot expressie
Sterke variatie in genoomgrootte
=hoeveelheid DNA in haploïd genoom (in aantal bp)
Complexiteit organisme niet evenredig met genoomgrootte
Sterke variatie aantal chromosomen tussen soorten
Sterke variatie in efficiëntie van gebruik genoom
90% prokayroot genoom uit EW-coderende genen
<2% menselijk genoom uit EW-coderende genen
Humaan genoom project:
Nog veel onontdekt of slecht begrepen
Gen:
Stuk DNA dat vertaald wordt naar EW = coderende DNA
Niet coderende elementen (promotor, introns,..)
Functionele RNA’s
1. Exonen en intronen:
o Exonen: coderende regio’s
informatie voor EWsynthese
o Intronen: niet coderende regio’s
worden verwijderd tijdens RNA-splicing maar spelen regulerende rol
2. Promotor- en regulatorische sequenties:
o Voor elk gen promotorsequenties die expressie reguleren
o Enhancers en silencers liggen ver weg van genen maar hebben
invloed op de activiteit
3. Genclusters:
o Sommige genen in clusters
o Bevatten meerdere genen die vaak gerelateerd zijn aan eenzelfde
biologische functie
4. Niet coderende RNA’s:
o Belangrijke regulerende functies (rRNA, tRNA, miRNA,..)
5. Repetitieve niet-coderende sequenties
o Aanzienlijk deel
o Gemiddelde tot hoog repetitief DNA
o Vaak structurele en evolutionair functie of onbekend
Tandem repeats:
1. Introductie
1.1 Stroom van genetische informatie = centraal dogma
Interesse?
Fenotypische kenmerken
Functioneel onderzoek
Ziektebeelden
Belang human genome project op medisch vlak:
4000 genetisch bepaalde ziekten
Diagnose gekende en nieuwe ziekte genen
Onderzoek naar complexe genetische ziekten
o Auto-immuunziekten
o Kanker
o Hart-en vaatziekten
o Verslaving
o Depressiviteit
Centraal dogma:
=informatie in DNA via een RNA molecule doorgegeven aan eiwitten
Francis Crick (1957)
Behoud en doorgeven genetische info essentieel voor leven
Replicatie: DNA overgeschreven naar DNA
transcriptie: DNA overgeschreven naar RNA
Translatie: DNA vertaald naar EW
Genexpresie:
=proces waarbij informatie in gen tot expressie gebracht wordt doordat het gen
afgelezen wordt en door RNA en EW worden gemaakt
2 belangrijke stappen: transcriptie + translatie
Evolutie centrale dogma:
Strikte regulatie van expressie op verschillende niveau’s
Variabiliteit tot gevolg
1.2 Structuur van DNA
,1.2.1 Primaire structuur
DNA = desoxyribonucleïnezuur
Bevat alle erfelijke informatie van organisme
Polymeer van nucleotiden
Nucleotiden:
Ribose (pentose suiker)
Fosfaatgroep
N-base:
o Adenine (A), guanine (G)
o Cytosine (C), thymine (T), uracil (U)
Verschillen van elkaar door N-houdende base
Karakteristieke groep nucleotide
Verantwoordelijk voor naamgeving
Polymerisatie nucleotiden:
Condensatie reacties
Fosfordiester binding tussen 3’ OH en 5’ fosfaatgroep volgende
Zeer stabiele (covalente) binding
DNA streng = primaire structuur
o 2 verschillende uiteinden
o Richting: 5’ 3’ (polariteit)
o Suiker-fosfaat ruggengraat
o Ruggengraat altijd zelfde, N-basen zorgen voor variatie
o DNA-sequentie = volgorde van nucleotiden in een streng
o Negatieve ladingen
1.1.2 Secundaire structuur
Dubbele helix vorm:
Watson en crick
2 anti-parallele DNA-strengen
Met complementaire baseparing
o A-T (2 H-bruggen)
o G-C (3 H-bruggen)
Structuur ondersteund door zwakke krachten:
Waterstofbruggen tussen complementaire basen
Base ‘stacking + elektrostatische interacties (van der waals)
, Door hydrofobe basen dicht op elkaar
Omwentelingen
grote en kleine groeve
interactie plaat met DNA bindende EW
1.2.3 Tertiaire structuur
Prokaryoot:
Genoom is 1 circulair, dubbelstrengig DNA molecuul
Geen vrij 3’ en/of 5’ uiteinde
Complex met EW
Vaak extrachromosomaal DNA: circulair ds plasmiden
Vaak supercoiling: over- of onderwinding
Eukaryoot genoom:
Chromosomaal DNA in kern als chromatine en chromosomen
o Chromosomen enkel zichtbaar tijdens metafase van mitose
o Bestaat uit 2 identieke chromatiden
Dubbelstrengig lineair
Eukaryoot chromosoom kan worden ontwonden tot verschillende niveau’s
DNA-draad’ van 2m lengte in elke celkern
Negatieve ladingen stoten elkaar af
Geassocieerd met histonen ter vorming van nucleosomen
Sterke opvouwing met verschillende niveaus zichtbaar met EM
Nucleosoom:
8 kern histonen waarrond DNA gewonden
Linker histon ter stabilisatie
Condensatie door basische EW
Rol in toegankelijkheid
Rol in transcirptie
Verschillende verpakkingsgraden:
Heterochromatine: compact
o Constitutief heterochomatine:
structurele rol, permanent gecondenseerd
o Facultatief: kan omgezet worden in euchromatine en omgekeerd
Euchromatine: losser
Veel van chromatine in metabolisch actieve cellen
Ter voorbereiding van celdeling wordt alle chromatine dens opgevouwen
1.3 Organisatie van het genoom
Genoom:
=geheel aan genetische informatie van het organisme
, Meestal DNA
Enkel- (ss) of dubbelstrengig (ds)
Lineair of circulair
Elke cel bevat volledige genoom
slechts deel tot expressie
Sterke variatie in genoomgrootte
=hoeveelheid DNA in haploïd genoom (in aantal bp)
Complexiteit organisme niet evenredig met genoomgrootte
Sterke variatie aantal chromosomen tussen soorten
Sterke variatie in efficiëntie van gebruik genoom
90% prokayroot genoom uit EW-coderende genen
<2% menselijk genoom uit EW-coderende genen
Humaan genoom project:
Nog veel onontdekt of slecht begrepen
Gen:
Stuk DNA dat vertaald wordt naar EW = coderende DNA
Niet coderende elementen (promotor, introns,..)
Functionele RNA’s
1. Exonen en intronen:
o Exonen: coderende regio’s
informatie voor EWsynthese
o Intronen: niet coderende regio’s
worden verwijderd tijdens RNA-splicing maar spelen regulerende rol
2. Promotor- en regulatorische sequenties:
o Voor elk gen promotorsequenties die expressie reguleren
o Enhancers en silencers liggen ver weg van genen maar hebben
invloed op de activiteit
3. Genclusters:
o Sommige genen in clusters
o Bevatten meerdere genen die vaak gerelateerd zijn aan eenzelfde
biologische functie
4. Niet coderende RNA’s:
o Belangrijke regulerende functies (rRNA, tRNA, miRNA,..)
5. Repetitieve niet-coderende sequenties
o Aanzienlijk deel
o Gemiddelde tot hoog repetitief DNA
o Vaak structurele en evolutionair functie of onbekend
Tandem repeats: