Anatomie
LES 1 KAPSTOK + LEERPAD 2
Wat is anatomie?
Anatomie = opensnijden van lichamen
Soorten
- Topografische anatomie
➔ Elke regio van het lichaam wordt afzonderlijk bestudeerd, met alle betrokken
aspecten. Bijvoorbeeld de thorax (borstkas), waarbij gekeken wordt naar naar de
bloedvaten, spieren, botten en organen. Deze anatomie houdt zich vooral bezig
met de beschrijving van de ligging van deze structuren ten opzichte van elkaar.
- Systemische anatomie
➔ Elk lichaamssysteem wordt in zijn geheel apart bestudeerd doorheen het volledige
lichaam. Bijvoorbeeld het cardiovasculair systeem met hart en bloedvaten.
Traditioneel start de systemische anatomische studie met het skelet (osteologie)
als basis, waarna later ligamenten en spieren worden toegevoegd.
- Microscopische anatomie
➔ Studie van weefsels (histologie) en cellen (cytologie)
- Macroscopische anatomie
➔ Bouw van het lichaam (hetgene met het blote oog waar te nemen) ontleden met
mes en pincet
Sereuze holtes en bindweefselruimtes
- Niet enkel de organen zijn belangrijk maar ook de holtes, leegtes in je lichaam
- Serosa (=dun vlies dat bepaalde organen en lichaamsholtes bekleedt)
o Lamina visceralis= vlies die rond orgaan ligt
o Lamina parietalis= laag aan wand van lichaamsholte
- Topografische lichaamsholtes= grote holtes in lichaam waar organen liggen
- Sereuze holtes= zit tussen twee lagen met beetje vocht→nodig voor soepelheid
organen
- Bindweefselruimtes= steunende en verbindende ruimten met vaten en zenuwen.
Oriëntatie
Anatomische positie
- Rechtop
- Blik naar voren, ogen open
- Mond gesloten
- Neutrale gelaatsuitdrukking
- Handpalmen naar voren gericht (suspinatie)
,- Benen op heupbreedte
- Tenen heel lichtjes naar buiten gericht
Vlakken
- Transversaal vlak ~ horizontaal vlak → lichaam verdelen in
bovenste en onderste deel
- Frontaal vlak ~ coronaal vlak → lichaam verdelen in voor- en
achterkant
- Sagittaal vlak → lichaam verdelen in linker- en rechterkant
▪ Midsagittaal vlak: echt in het midden
Transversaal Frontaal Sagittaal
▪ Parasagittaal vlak: parallel met het midden gesneden
Richtingen
- Boven en onder → superior en inferior
- Bij armen en benen: proximaal
(dichter tegen de centraal as) en
distaal (verder af van de centraal as)
- Mediaal (naar het midden toe) en
lateraal (naar de zijde toe)
- Voor en achterkant → anterior en
posterior
- Bij romp en hoofd: ventraal en dorsaal
Craniaal (schedel, boven) en caudaal
(staartje, beneden)
Assen
- Longitudinale as of cranio-caudale as (vertical)
= lengte as van lichaam
- Sagittale as of dorsoventrale as
= pijl loodrecht op lichaam van voor
- Transversale of laterolaterale as (horizontal)
- = dwarse as, horizontal
,As-afwijkingen
Lichaamszwaartepunt en loodlijn
Centrale lichaamsas
Kijken in welk vlak de afwijking ligt, volgens welke as.
Als je niet perfecte lengte as hebt → gaat problemen brengen (gewrichten,
rugklachten,…)
Osteologie
= Kennis van botten
Functie: stevigheid, aanmaak rode bloedcellen, bescherming weke delen, spieren aanhechten:
beweging
Soorten botten
- Lange (osso longa) en korte (ossa breva)
- Platte (osso plana)
- Luchthoudende (osso pneumatica)
→ Zodat skelet niet te zwaar is
- Pare/ onpare
Paarbotten → als er een linker- en een rechterbot is van iets
Onpare botten → als er maar ééntje is
- Sesambeentjes (ossa sesamoidea)
bv. Knieschijf ‘patella’; zorgt voor een beperking in beweging (knie niet overbuigen)
- Ossa irregularia en accessoria
Irregularia → vooral schedelbotten
Accessoria → extra botten
Typische lange botten
NORMALE BOUW LANG BOT
- Proximale epifyse: uiteinde
- Diafyse: stuk tussen uiteinden
- Distale epifyse: uiteinde
- Bij jonge kinderen tussen proximale en distale epifyse: groeischijf → epifysaire schijf
INHOUDELIJK
- Periost: buitenste laagje van bot
- Compacta: compacter weefsel, achter periost, maakt bot heel sterk
- Spongiosa: spongioos weefsel, binnenin
Botmarkeringen
- Caput = hoofd
- Collum = nek
, - Condylus = uiteinde waar botten elkaar raken om een soort vlak te vormen:
articulatievlak, ‘gewrichtsvlak’
- Facies articularis = articulatievlak
- Epicondylus = Uitsteeksels aan de condylus
- Foramen = gat in bot
- Fossa = holte
- Fovea = klein vlakje
- Incisura = inkeping
- Proccessus = uitsteekseltje
- Spina = scherp uitstekel
- Tuber = grote knobbel
- Tuberculum = klein knobbeltje
- Tuberositas = ruwe markering van spieren op bot
Eigenschappen
- Er hangen spieren aan
- Er hangen ligamenten aan
- Er lopen bloedvaten door gaatjes
- Er lopen zenuwen door gaatjes
Botverbindingen
GEWRICHTEN: artrologie = leer van gewrichten
- Onechte
▪ Synartrosen, verschillende vlakken staan met elkaar in verbinding
▪ Verbinding dmv: bindweefsel → syndesmose, kraakbeen → synchondrose, bot →
synostose
▪ Soms groeien botten samen naarmate het skelet ouder wordt (verdwijnen van
kraakbeen en bindweefsel) , zo de leeftijd van het skelet bepalen
▪ Geen tot weinig beweeglijkheid
- Echte
▪ Beweeglijk
▪ Gewrichtsvlakken
▪ Gewrichtskapsel rondom gewricht
▪ Gewrichtsholte gevuld met synoviaal vocht
▪ Slijmbeurzen (bursae)
▪ Spieren of ligamenten
▪ Hulpmiddelen
o Meniscus voor oa schokdemping (kraakbeen met als functie stootkussen)
o Discus: tussenwervelschijf die zich tussen wervels en wervel kolom bevindtà
schokken opvangen
o Laburum (extra richeltje) voor gewrichten in de kom te houden door een
oppervlaktevergroting