SAMENVATTING COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN
Inhoud
INLEIDING ................................................................................................................................................ 2
Hoofdstuk 1: Bouwstenen van een discipline en een praktijk ............................................................. 2
Hoofdstuk 2: The young and the restless: de ontwikkeling van communicatiewetenschappen als
discipline................................................................................................................................................ 20
Hoofdstuk 3: Coming of age: onderzoek naar media en communicatie in de eerste helft van de
twintigste eeuw .................................................................................................................................... 24
Hoofdstuk 4: Snelle opkomst en bloei van de communicatiewetenschappen: slingerbewegingen in
het mainstreamparadigma. .................................................................................................................. 30
Hoofdstuk 5: Het alternatieve kritische paradigma ........................................................................... 40
Hoofdstuk 6: Nieuwe tijden, nieuwe theorieën.................................................................................. 52
Hoofdstuk 7: Sociaalwetenschappelijke mediatheorieën: De krachtlijnen ...................................... 60
Hoofdstuk 9: Een sociologisch perspectief ......................................................................................... 66
Hoofdstuk 12: Mediaboodschap en representatie ............................................................................ 81
Hoofdstuk 13: Een publieksperspectief .............................................................................................. 87
➔ Op examen 2u30 tijd voor 20 MP vragen en 2 grote open vragen (wss toepassing van 1 vd metatheorieën op
vb) elk op 8 punten wss (0.5 voor juiste mediatheorie en 7.5 voort motivatie. Blijf bij de motivatie bij de essentie
en ga niet te ruim. Goede motivatie geeft punten dus maak een keuze als je het niet weet en beargumenteer.
Linken is belangrijk tss het vb en de theorie. Onderscheid bijzaken van hoofdzaken wat in vb gebeurt. Vraag w
per w ontleden
➔ Beste techniek voor de 11 mediatheorieën toe te passen is starten met de 11 theorieen en dan steeds
theorieën laten afvallen die niet passen door de kern bv hoofdstuk 7 endie niet passen en dan 2 a 3 te
weerhouden en dan doorgrijpen naar de echte hoofdstukken voor de 2 a 3
➔ Hoofdstuk 8 - 10 – 11 niet kennen en van hoofdstuk 2 enkel 2.5
1
,INLEIDING
Mediatisering = Processen van sociale veranderingen in de maatschappij op zowel macro- als microniveau,
die gelinkt worden aan de toenemende impact op de verwevenheid van de media in deze maatschappij
Mediacommunicatie of gemedieerde communicatie = communicatieprocessen via een technologisch medium
Mediacentralisme = Het (1) te centraal plaatsen van media en communicatie in de samenleving door ze af te
scheiden en (2) af te zonderen van de sociaal-economische context waarin ze opereren. Wanneer iets
gebeurt, kijken naar media als de verklarende factor of de centrale verklaring voor het maatschappelijke
verschijnsel.
Vb. krantenkop Trump schietpartij en games (media zijn niet de enige verklaring, hier speelt ook bv sociaal-
eco- of psycho-factoren een rol) je moet het sociale component breder trekken en totalitair bekijken.
Technologisch determinisme = geloof dat technologische veranderingen een eigen logica volgen die in grote
mate onafhankelijk is van de menselijke wil en als zodanig de drijvende kracht is van de sociale veranderingen
Maatschappijcentrisme = dynamieken van de media beïnvloeden en media louter een weerspiegeling zijn
van de samenleving
Hoofdstuk 1: Bouwstenen van een discipline en een praktijk
1.1 Inleiding
Wat is communicatie?
Com. = Is zoals lego ➔ Je krijgt bouwblokken (concepten) en je kan bouwen aan bepaalt model (theorie). Je
kan verschillende theorieën maken met dezelfde concepten.
Kleinste blokje in de lego doos is het ‘teken’ = Code die we hanteren om extra betekenis toe te kennen aan
bepaald iets. Bv de uiterlijke klank of vorm van een woord die een mentaal concept of betekenis oproept, ook
wel signfiant genoemd.
1.2 Het teken als basis voor betekenisvol communiceren
1.2.1 Semiotiek
A. Overkoepeld veld = Semiotiek = Bestudeert de wijze waarop tekens functioneren en hoe ze betekenis
doen ontstaan
➔ 3 centrale domeinen van studie
• De tekens zelf en hun indeling in soorten
• De codes of systemen waarbinnen de tekens georganiseerd zijn
• Brede cultuur waarbinnen de tekens en codes opereren
B. Subdomeinen: (vb met tvgids)
a. Fonologie = De studie van klanken en de kleinste eenheden (letters)
b. Syntaxis = De linguïstische studie van de relatie tussen betekenis en de gebruiker van het teken,
de contextuele en sociale factoren die aan een teken worden toegekend, patronen, volgorde,
combinatie van verschillende tekens.
c. Pragmatiek = Relatie tussen teken en tekengebruiker
2
, d. Semantiek = De relatie tussen teken en betekenis die aan een teken wordt toegekend
i. Semantiek - elk teken heeft:
1. Intensie = Geheel van criteria of kenmerken dat bepaalt of een term wel kan
worden toegepast
2. Extensie = De klasse van zaken waarop de term correct is toegepast, de
verzameling
3. Vb. romantische komedie:
a. Intensie: humor, romantiek, happy end
b. Extensie: de verschillende films vb. alle films met Hugh Grant
1.2.2 Teken, tekensysteem en tekenindeling
Teken
Teken = De allerkleinste eenheid van communicatie, dragers van betekenis
⎯ Betekenaar = (signifiant Sa) = Materiële aspect of tekenvorm of fysieke verschijningsvorm van een
teken
o Vb. foto, schrift, uitspraak, tekening, klank van vb ‘stoel’
⎯ Betekende = (signifié Se) = Mentale concept, begrip, beeld of idee waar de materiële tekenvorm
naar verwijst
o Vb. betekenis, concept, object
⎯ Relatie tussen beide is arbitrair en puur toeval en obv afspraak
o Vb. stoel in het Nederlands en stoel in het Frans, Sa is anders maar Se is hetzelfde door de
gevormde afspraken die er zijn.
⎯ Referent = Het eigenlijke fysieke object waar het teken naar verwijst, niet alles heeft en is niet altijd
nodig dit zoals liefde, waarheid, engel…
Significatie = Er zijn laagjes van betekenis (Roland Barthes): (vb slide 18 examenvraag en 19)
⎯ Denotatie = Primair betekenisniveau = letterlijke betekenis bepaald door de signifié, voor elke
taalgebruiker hetzelfde, bestaat sociale consensus over (maw de wikipedia definitie)
⎯ Connotatie = Secundair betekenisniveau = extra betekenis, figuurlijke of subjectieve betekenis v/e
woord (= referentiële lading), bijbetekenis of iets positief, negatief of neutraal is (= evaluatieve
lading). Hangt samen met specifieke (fysieke) verschijningsvorm van betekenaar. Vb. school
Tekensysteem
Tekensysteem: Kijkt naar organisatorische relationele component.
➔ Charles Peirce (vb slide 24)
⎯ Representamen = tekenvorm
⎯ Object = waar het teken naar verwijst
⎯ Interpretant = de betekenis die gegeven wordt aan het teken, mentaal concept, geen persoon
⎯ Relatie tussen representamen en object heeft betekenis in geest van tekengebruiker
⎯ Mentale concept dat wordt opgeroepen bij tekengebruiker door relatie is interpretant
o Bepaald door persoonlijke ervaringen
o Additionele betekenisgeving
3
, ➔ Tekensysteem van F. de Saussure
⎯ Taal is belangrijk, reële en materiele realiteit niet zo belangrijk (bij Peirce wel)
⎯ Betekenis wordt vooral gecreëerd door onderlinge relatie tussen tekens
⎯ Betekenis van een teken ligt in zijn tegengestelde
o Vb. We weten goed wat koud is als we weten wat warm is
⎯ Onderscheid tussen betekende en betekenaar
o Betekenaar wordt ruim getrokken en is alles dat betekenis draagt
⎯ Se wordt extra Sa voor (Se van) een ander teken
o Betekenaar -> betekende -> betekenaar -> betekende …
o Er is een extra laagje van informatie en betekenis dat wordt gehaald dat een bepaald object iets niet is
o Vb. als je weet wat stoel is, kan je die betekenis ook gebruiken om een
drager van betekenis voor een tafel, of kat om hond betekenis toe te
kennen.
⎯ Twee soorten relaties:
o Syntagma = Betekenisvolle combinatie of keten van
tekeneenheden volgens een bepaalde volgorde, horizontale relatie
tussen de tekens
▪ Ik drink koffie
• Combinatie van horizontale relatie tussen tekens ( “ik” “drink” en “koffie”)
• De zin drink koffie ik is niet betekenisvol
▪ Vb. combinatie AKT niet betekenisvol, KAT wel
o Paradigma = Selectie, verticale relatie tussen tekens
▪ Koffie kan vervangen worden door limonade of bier
• Niet door gras of tafel
• Behoren tot dezelfde selectie of hetzelfde paradigma
▪ Vb. het alfabet
Tekenindeling
Tekenindeling: Stelt de vraag welke soorten bestaan er allemaal. Hoe kunnen we teken indelen, een
categorisatie aan toekennen.
Peirce = Spreekt over de relatie tussen een object en een teken en dat dit alles determinerend is voor de
betekenis die kan gecreëerd worden
Hoeveel verschillende relaties tussen tekens kan je hebben? Drie soorten van tekens: (EX = Krijgen iets te zien
en moeten motiveren wat het is
⎯ Icoon
o Teken dat op visueel, auditief of olfactorisch vlak een gelijkenis vertoont met het object
waar het naar verwijst
o Haalt zijn betekenis uit relatie v gelijkenis, imitatie
o Vb. foto, schilderij v/e toilet
4
Inhoud
INLEIDING ................................................................................................................................................ 2
Hoofdstuk 1: Bouwstenen van een discipline en een praktijk ............................................................. 2
Hoofdstuk 2: The young and the restless: de ontwikkeling van communicatiewetenschappen als
discipline................................................................................................................................................ 20
Hoofdstuk 3: Coming of age: onderzoek naar media en communicatie in de eerste helft van de
twintigste eeuw .................................................................................................................................... 24
Hoofdstuk 4: Snelle opkomst en bloei van de communicatiewetenschappen: slingerbewegingen in
het mainstreamparadigma. .................................................................................................................. 30
Hoofdstuk 5: Het alternatieve kritische paradigma ........................................................................... 40
Hoofdstuk 6: Nieuwe tijden, nieuwe theorieën.................................................................................. 52
Hoofdstuk 7: Sociaalwetenschappelijke mediatheorieën: De krachtlijnen ...................................... 60
Hoofdstuk 9: Een sociologisch perspectief ......................................................................................... 66
Hoofdstuk 12: Mediaboodschap en representatie ............................................................................ 81
Hoofdstuk 13: Een publieksperspectief .............................................................................................. 87
➔ Op examen 2u30 tijd voor 20 MP vragen en 2 grote open vragen (wss toepassing van 1 vd metatheorieën op
vb) elk op 8 punten wss (0.5 voor juiste mediatheorie en 7.5 voort motivatie. Blijf bij de motivatie bij de essentie
en ga niet te ruim. Goede motivatie geeft punten dus maak een keuze als je het niet weet en beargumenteer.
Linken is belangrijk tss het vb en de theorie. Onderscheid bijzaken van hoofdzaken wat in vb gebeurt. Vraag w
per w ontleden
➔ Beste techniek voor de 11 mediatheorieën toe te passen is starten met de 11 theorieen en dan steeds
theorieën laten afvallen die niet passen door de kern bv hoofdstuk 7 endie niet passen en dan 2 a 3 te
weerhouden en dan doorgrijpen naar de echte hoofdstukken voor de 2 a 3
➔ Hoofdstuk 8 - 10 – 11 niet kennen en van hoofdstuk 2 enkel 2.5
1
,INLEIDING
Mediatisering = Processen van sociale veranderingen in de maatschappij op zowel macro- als microniveau,
die gelinkt worden aan de toenemende impact op de verwevenheid van de media in deze maatschappij
Mediacommunicatie of gemedieerde communicatie = communicatieprocessen via een technologisch medium
Mediacentralisme = Het (1) te centraal plaatsen van media en communicatie in de samenleving door ze af te
scheiden en (2) af te zonderen van de sociaal-economische context waarin ze opereren. Wanneer iets
gebeurt, kijken naar media als de verklarende factor of de centrale verklaring voor het maatschappelijke
verschijnsel.
Vb. krantenkop Trump schietpartij en games (media zijn niet de enige verklaring, hier speelt ook bv sociaal-
eco- of psycho-factoren een rol) je moet het sociale component breder trekken en totalitair bekijken.
Technologisch determinisme = geloof dat technologische veranderingen een eigen logica volgen die in grote
mate onafhankelijk is van de menselijke wil en als zodanig de drijvende kracht is van de sociale veranderingen
Maatschappijcentrisme = dynamieken van de media beïnvloeden en media louter een weerspiegeling zijn
van de samenleving
Hoofdstuk 1: Bouwstenen van een discipline en een praktijk
1.1 Inleiding
Wat is communicatie?
Com. = Is zoals lego ➔ Je krijgt bouwblokken (concepten) en je kan bouwen aan bepaalt model (theorie). Je
kan verschillende theorieën maken met dezelfde concepten.
Kleinste blokje in de lego doos is het ‘teken’ = Code die we hanteren om extra betekenis toe te kennen aan
bepaald iets. Bv de uiterlijke klank of vorm van een woord die een mentaal concept of betekenis oproept, ook
wel signfiant genoemd.
1.2 Het teken als basis voor betekenisvol communiceren
1.2.1 Semiotiek
A. Overkoepeld veld = Semiotiek = Bestudeert de wijze waarop tekens functioneren en hoe ze betekenis
doen ontstaan
➔ 3 centrale domeinen van studie
• De tekens zelf en hun indeling in soorten
• De codes of systemen waarbinnen de tekens georganiseerd zijn
• Brede cultuur waarbinnen de tekens en codes opereren
B. Subdomeinen: (vb met tvgids)
a. Fonologie = De studie van klanken en de kleinste eenheden (letters)
b. Syntaxis = De linguïstische studie van de relatie tussen betekenis en de gebruiker van het teken,
de contextuele en sociale factoren die aan een teken worden toegekend, patronen, volgorde,
combinatie van verschillende tekens.
c. Pragmatiek = Relatie tussen teken en tekengebruiker
2
, d. Semantiek = De relatie tussen teken en betekenis die aan een teken wordt toegekend
i. Semantiek - elk teken heeft:
1. Intensie = Geheel van criteria of kenmerken dat bepaalt of een term wel kan
worden toegepast
2. Extensie = De klasse van zaken waarop de term correct is toegepast, de
verzameling
3. Vb. romantische komedie:
a. Intensie: humor, romantiek, happy end
b. Extensie: de verschillende films vb. alle films met Hugh Grant
1.2.2 Teken, tekensysteem en tekenindeling
Teken
Teken = De allerkleinste eenheid van communicatie, dragers van betekenis
⎯ Betekenaar = (signifiant Sa) = Materiële aspect of tekenvorm of fysieke verschijningsvorm van een
teken
o Vb. foto, schrift, uitspraak, tekening, klank van vb ‘stoel’
⎯ Betekende = (signifié Se) = Mentale concept, begrip, beeld of idee waar de materiële tekenvorm
naar verwijst
o Vb. betekenis, concept, object
⎯ Relatie tussen beide is arbitrair en puur toeval en obv afspraak
o Vb. stoel in het Nederlands en stoel in het Frans, Sa is anders maar Se is hetzelfde door de
gevormde afspraken die er zijn.
⎯ Referent = Het eigenlijke fysieke object waar het teken naar verwijst, niet alles heeft en is niet altijd
nodig dit zoals liefde, waarheid, engel…
Significatie = Er zijn laagjes van betekenis (Roland Barthes): (vb slide 18 examenvraag en 19)
⎯ Denotatie = Primair betekenisniveau = letterlijke betekenis bepaald door de signifié, voor elke
taalgebruiker hetzelfde, bestaat sociale consensus over (maw de wikipedia definitie)
⎯ Connotatie = Secundair betekenisniveau = extra betekenis, figuurlijke of subjectieve betekenis v/e
woord (= referentiële lading), bijbetekenis of iets positief, negatief of neutraal is (= evaluatieve
lading). Hangt samen met specifieke (fysieke) verschijningsvorm van betekenaar. Vb. school
Tekensysteem
Tekensysteem: Kijkt naar organisatorische relationele component.
➔ Charles Peirce (vb slide 24)
⎯ Representamen = tekenvorm
⎯ Object = waar het teken naar verwijst
⎯ Interpretant = de betekenis die gegeven wordt aan het teken, mentaal concept, geen persoon
⎯ Relatie tussen representamen en object heeft betekenis in geest van tekengebruiker
⎯ Mentale concept dat wordt opgeroepen bij tekengebruiker door relatie is interpretant
o Bepaald door persoonlijke ervaringen
o Additionele betekenisgeving
3
, ➔ Tekensysteem van F. de Saussure
⎯ Taal is belangrijk, reële en materiele realiteit niet zo belangrijk (bij Peirce wel)
⎯ Betekenis wordt vooral gecreëerd door onderlinge relatie tussen tekens
⎯ Betekenis van een teken ligt in zijn tegengestelde
o Vb. We weten goed wat koud is als we weten wat warm is
⎯ Onderscheid tussen betekende en betekenaar
o Betekenaar wordt ruim getrokken en is alles dat betekenis draagt
⎯ Se wordt extra Sa voor (Se van) een ander teken
o Betekenaar -> betekende -> betekenaar -> betekende …
o Er is een extra laagje van informatie en betekenis dat wordt gehaald dat een bepaald object iets niet is
o Vb. als je weet wat stoel is, kan je die betekenis ook gebruiken om een
drager van betekenis voor een tafel, of kat om hond betekenis toe te
kennen.
⎯ Twee soorten relaties:
o Syntagma = Betekenisvolle combinatie of keten van
tekeneenheden volgens een bepaalde volgorde, horizontale relatie
tussen de tekens
▪ Ik drink koffie
• Combinatie van horizontale relatie tussen tekens ( “ik” “drink” en “koffie”)
• De zin drink koffie ik is niet betekenisvol
▪ Vb. combinatie AKT niet betekenisvol, KAT wel
o Paradigma = Selectie, verticale relatie tussen tekens
▪ Koffie kan vervangen worden door limonade of bier
• Niet door gras of tafel
• Behoren tot dezelfde selectie of hetzelfde paradigma
▪ Vb. het alfabet
Tekenindeling
Tekenindeling: Stelt de vraag welke soorten bestaan er allemaal. Hoe kunnen we teken indelen, een
categorisatie aan toekennen.
Peirce = Spreekt over de relatie tussen een object en een teken en dat dit alles determinerend is voor de
betekenis die kan gecreëerd worden
Hoeveel verschillende relaties tussen tekens kan je hebben? Drie soorten van tekens: (EX = Krijgen iets te zien
en moeten motiveren wat het is
⎯ Icoon
o Teken dat op visueel, auditief of olfactorisch vlak een gelijkenis vertoont met het object
waar het naar verwijst
o Haalt zijn betekenis uit relatie v gelijkenis, imitatie
o Vb. foto, schilderij v/e toilet
4