GODSDIENST 2
HOOFDSTUK 2: DE BIJBEL, EEN BRON
OM VAN TE LEREN
1. INLEIDING
De context/ Sitz-im-Leben van een verhaal is belangrijk
Verhaal situeren in ruimte, tijd & taal
Wie heeft te tekst geschreven?
Wanneer, waar en waarom is deze tekst geschreven?
Wat is de betekenis van de tekst?
2. TAAL
2.1. BEELDTAAL OF WETENSCHAPPELIJKE TAAL?
Bijbel is geschreven door mensen voor mensen
mensen lezen en interpreteren de verhalen
- Onderwerp: Gevoelens en ervaringen van mensen
- Beeldtaal of tweede taal, want woorden schieten tekort
o Verhalen van mensen die dingen meemaken en nadien opgeschreven worden
- Figuurlijk, géén historisch verslag
- In de Bijbel: over ervaringen en gevoelens van mensen, hoe ze God op het spoor zijn gekomen in hun
leven, droom van God met mensen
2.2. WELKE TAAL GEEFT DE WAARHEID MEE?
Onderscheid tussen ‘waar’ en ‘echt gebeurd’
Het is niet omdat er iets niet echt gebeurd is, dat er geen waarheid inzit
Waarheid is breder dan ‘juistheid’
Waarheid is soms subjectief en persoonlijk
- Juistheid < wetenschappelijk < meetbaar
o Wat eigenlijk het beste is, is subjectief
- Zo ook met de Bijbel
- Geduld, ‘de Bijbel laten spreken’
3. RUIMTE
Waar is de tekst geschreven?
Om de tekst correct te interpreteren heb je informatie nodig over de achtergrond
De ruimte heeft invloed op hoe mensen denken en schrijven
, 4. TIJD
De tijd heeft invloed op hoe de mens leeft & denkt over de wereld, God en de mens
Wanneer is een Bijbeltekst ontstaan?
In een periode van méér dan 1000 jaar
o Eerst mondeling, dan neergeschreven, herlezen, herschreven: lange redactiegeschiedenis
o DOOR mensen VOOR mensen
o Tijden van oorlog, tijden van vrede
invloed op inhoud en stijl
5. BESLUIT
Een Bijbeltekst dien je correct te benaderen door rekening te houden met taal, ruimte & tijd
- Bijbelverhalen zijn nog steeds actueel: gevoelens & ervaringen eigen aan de mens
,HOOFDSTUK 3: DE DIDACTIEK VAN
HET VERTELLEN VAN
BIJBELVERHALEN AAN KLEUTERS
1. WELKE BIJBELVERHALEN KUNNEN WE AAN KLEUTERS VERTELLEN?
Keuze van Bijbelverhalen in functie van geloofsgroei
Moet aan bepaalde voorwaarden voldoen als je dit kan vertellen aan kleuters
Overzicht p. 20-21 (cursus)
Jezusbeelden:
- In Bijbelverhalen leren de kleuters Jezus kennen als mens
- Kunnen zich een beeld vormen van Jezusfiguur ook dat God in Jezus zit
- Door Bijbelverhalen kleuters langzaam laten ontdekken dat ze in Jezus God kunnen leren kennen
o Leren dat Jezus en God bij elkaar horen
- Enkele Jezusbeelden: beschermt mensen, bidt/praat met god, deelt met mensen, droomt van een
betere wereld, eet graag met mensen, gaat op weg met mensen, geeft mensen nieuwe kansen, heeft
verdriet om mensen, houdt van kinderen, is alleen, heeft vrienden, is bang, helpt mensen, is bezorgd
om mensen, is blij om mensen, houdt van god, is ‘een ster’, kan boos zijn, maakt mensen blij, vertelt
verhalen, noemt god een ‘lieve papa’, wil geen ruzie, rust, ziet het goede in mensen, troost, zorgt voor
mensen
2. DE DIDACTIEK VAN HET VERTELLEN VAN BIJBELVERHALEN
2.1. HET KIEZEN VAN EEN GEPAST BIJBELVERHAAL
- Aansluiten bij je BC
o Kan niet altijd letterlijk
o Eerst component kiezen
- Aansluiten bij een component van levensbeschouwelijke en religieuze groei waar je doorheen je BC wil
aan werken
, 2.2. AANSLUITEN BIJ ERVARINGEN VAN KLEUTERS
Werken met een brugverhaal
- Aansluiten bij ervaringen en belevingen van de kinderen
- Brugverhaal is één van de mogelijkheden
- Brugverhaal bevat dezelfde grondgedachte/bevat dezelfde component van levensbeschouwelijke en
religieuze groei als het Bijbelverhaal
2.2.1. FASE 1: ASSIMILATIE: AANKNOPINGSPUNTEN ZOEKEN IN DE LEEFWERELD EN DE
BELEVINGSWERELD VAN DE KLEUTERS EN DIE UITGEBREID VERKENNEN
Het vertellen van het brugverhaal
- Ervaringsactiviteiten
- Kern van het verhaal koppelen aan de leefwereld van de kinderen
herkenningspunten zoeken
- Motivatie – vertellen van verhaal – nagaan of ze het verhaal begrepen hebben – nagaan of ze de
diepere betekenis/grondgedachte begrepen.
o We brengen de gekozen component ter sprake
2.2.2. FASE 2: ACCOMMODATIE (VERDIEPING)
Verdieping van het brugverhaal:
- We stellen vragen om na te gaan of kleuters de grondgedachte/diepere boodschap ui het verhaal
kunnen toepassen op hun eigen leven. De component van levensbeschouwelijke en religieuze groei
klinkt door. Bij oudere kinderen: filosoferen
- Vragen die ruimte geven aan en grondbeleving van kinderen wakker roepen = ideaal vertrekpunt voor
het Bijbelverhaal met analoge grondbeleving
Bijbelverhaal
HOOFDSTUK 2: DE BIJBEL, EEN BRON
OM VAN TE LEREN
1. INLEIDING
De context/ Sitz-im-Leben van een verhaal is belangrijk
Verhaal situeren in ruimte, tijd & taal
Wie heeft te tekst geschreven?
Wanneer, waar en waarom is deze tekst geschreven?
Wat is de betekenis van de tekst?
2. TAAL
2.1. BEELDTAAL OF WETENSCHAPPELIJKE TAAL?
Bijbel is geschreven door mensen voor mensen
mensen lezen en interpreteren de verhalen
- Onderwerp: Gevoelens en ervaringen van mensen
- Beeldtaal of tweede taal, want woorden schieten tekort
o Verhalen van mensen die dingen meemaken en nadien opgeschreven worden
- Figuurlijk, géén historisch verslag
- In de Bijbel: over ervaringen en gevoelens van mensen, hoe ze God op het spoor zijn gekomen in hun
leven, droom van God met mensen
2.2. WELKE TAAL GEEFT DE WAARHEID MEE?
Onderscheid tussen ‘waar’ en ‘echt gebeurd’
Het is niet omdat er iets niet echt gebeurd is, dat er geen waarheid inzit
Waarheid is breder dan ‘juistheid’
Waarheid is soms subjectief en persoonlijk
- Juistheid < wetenschappelijk < meetbaar
o Wat eigenlijk het beste is, is subjectief
- Zo ook met de Bijbel
- Geduld, ‘de Bijbel laten spreken’
3. RUIMTE
Waar is de tekst geschreven?
Om de tekst correct te interpreteren heb je informatie nodig over de achtergrond
De ruimte heeft invloed op hoe mensen denken en schrijven
, 4. TIJD
De tijd heeft invloed op hoe de mens leeft & denkt over de wereld, God en de mens
Wanneer is een Bijbeltekst ontstaan?
In een periode van méér dan 1000 jaar
o Eerst mondeling, dan neergeschreven, herlezen, herschreven: lange redactiegeschiedenis
o DOOR mensen VOOR mensen
o Tijden van oorlog, tijden van vrede
invloed op inhoud en stijl
5. BESLUIT
Een Bijbeltekst dien je correct te benaderen door rekening te houden met taal, ruimte & tijd
- Bijbelverhalen zijn nog steeds actueel: gevoelens & ervaringen eigen aan de mens
,HOOFDSTUK 3: DE DIDACTIEK VAN
HET VERTELLEN VAN
BIJBELVERHALEN AAN KLEUTERS
1. WELKE BIJBELVERHALEN KUNNEN WE AAN KLEUTERS VERTELLEN?
Keuze van Bijbelverhalen in functie van geloofsgroei
Moet aan bepaalde voorwaarden voldoen als je dit kan vertellen aan kleuters
Overzicht p. 20-21 (cursus)
Jezusbeelden:
- In Bijbelverhalen leren de kleuters Jezus kennen als mens
- Kunnen zich een beeld vormen van Jezusfiguur ook dat God in Jezus zit
- Door Bijbelverhalen kleuters langzaam laten ontdekken dat ze in Jezus God kunnen leren kennen
o Leren dat Jezus en God bij elkaar horen
- Enkele Jezusbeelden: beschermt mensen, bidt/praat met god, deelt met mensen, droomt van een
betere wereld, eet graag met mensen, gaat op weg met mensen, geeft mensen nieuwe kansen, heeft
verdriet om mensen, houdt van kinderen, is alleen, heeft vrienden, is bang, helpt mensen, is bezorgd
om mensen, is blij om mensen, houdt van god, is ‘een ster’, kan boos zijn, maakt mensen blij, vertelt
verhalen, noemt god een ‘lieve papa’, wil geen ruzie, rust, ziet het goede in mensen, troost, zorgt voor
mensen
2. DE DIDACTIEK VAN HET VERTELLEN VAN BIJBELVERHALEN
2.1. HET KIEZEN VAN EEN GEPAST BIJBELVERHAAL
- Aansluiten bij je BC
o Kan niet altijd letterlijk
o Eerst component kiezen
- Aansluiten bij een component van levensbeschouwelijke en religieuze groei waar je doorheen je BC wil
aan werken
, 2.2. AANSLUITEN BIJ ERVARINGEN VAN KLEUTERS
Werken met een brugverhaal
- Aansluiten bij ervaringen en belevingen van de kinderen
- Brugverhaal is één van de mogelijkheden
- Brugverhaal bevat dezelfde grondgedachte/bevat dezelfde component van levensbeschouwelijke en
religieuze groei als het Bijbelverhaal
2.2.1. FASE 1: ASSIMILATIE: AANKNOPINGSPUNTEN ZOEKEN IN DE LEEFWERELD EN DE
BELEVINGSWERELD VAN DE KLEUTERS EN DIE UITGEBREID VERKENNEN
Het vertellen van het brugverhaal
- Ervaringsactiviteiten
- Kern van het verhaal koppelen aan de leefwereld van de kinderen
herkenningspunten zoeken
- Motivatie – vertellen van verhaal – nagaan of ze het verhaal begrepen hebben – nagaan of ze de
diepere betekenis/grondgedachte begrepen.
o We brengen de gekozen component ter sprake
2.2.2. FASE 2: ACCOMMODATIE (VERDIEPING)
Verdieping van het brugverhaal:
- We stellen vragen om na te gaan of kleuters de grondgedachte/diepere boodschap ui het verhaal
kunnen toepassen op hun eigen leven. De component van levensbeschouwelijke en religieuze groei
klinkt door. Bij oudere kinderen: filosoferen
- Vragen die ruimte geven aan en grondbeleving van kinderen wakker roepen = ideaal vertrekpunt voor
het Bijbelverhaal met analoge grondbeleving
Bijbelverhaal