MICRO-ORGANISMEN – B IOMEDISCHE WETENSCHAPPEN –
I NFECTIEBEHEERSING
DE BESMETTINGSCYCLUS THEORIE KENNEN :
T HEORIE GRAM + EN GRAM - BACTERIËN
Gram+ en Gram- bacteriën zijn twee hoofdgroepen bacteriën die verschillen in hun
celwandstructuur, wat hun reactie op de Gramkleuring bepaalt: Grampositieve bacteriën
(paars) hebben een dikke peptidoglycaanlaag en zijn over het algemeen gevoeliger voor
penicilline-achtige antibiotica, terwijl Gramnegatieve bacteriën (roze/rood) een dunne
laag hebben, omgeven door een extra buitenmembraan, wat ze resistenter maakt tegen
antibiotica en vaak pathogeniteit veroorzaakt.
Grampositieve Bacteriën (Gram+)
Celwand: Een dikke laag peptidoglycaan (een soort suiker-eiwit).
Kleur: Paars/blauw (houden de kristalviolet-kleurstof vast).
Kenmerken: Makkelijker te doden met bepaalde antibiotica (zoals penicilline) omdat de
wand doorlaatbaar is. Voorbeelden: Stafylokokken, streptokokken.
Gramnegatieve Bacteriën (Gram-)
Celwand: Dunne peptidoglycaanlaag, omgeven door een tweede, buitenzijdig lipide
membraan.
Kleur: Roze/rood (de kleurstof wordt uitgespoeld en ze nemen de tegenkleuring op).
Kenmerken: Het buitenmembraan biedt extra bescherming, waardoor ze resistenter zijn
tegen antibiotica en vaak toxines (endotoxinen) kunnen afgeven. Voorbeelden: E. coli,
Salmonella
,Waarom is dit belangrijk? => Het onderscheid is cruciaal in de geneeskunde omdat het
artsen helpt te bepalen welke antibiotica effectief zullen zijn bij de behandeling van
infecties, aangezien Gram+ en Gram- bacteriën verschillend reageren op medicatie
I NHOUDSTAFEL
1. Mycobacterium tuberculosis
2. Candida albicans
3. Chlamydia trachomatis
4. Bacillus cereus
5. Parvovirus B19
6. Haemophilus influenzae
7. Cytomegalovirus (CMV)
8. Bofvirus
9. Rubellavirus
10.Hepatitis B-virus
11.Enterobacteriën
12.Bordetella pertussis
13.Salmonella typhi
14.Herpes simplex type 1
15.Escherichia coli
16.Clostridium difficile
17.Toxoplasma gondii
18.Humaan papillomavirus (HPV)
19.Extended-spectrum Beta-Lactamase (ESBL) producerende
Enterobacteriaceae
20.Clostridium tetani
21.Meticilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA)
22.Hepatitis C-virus
23.Carbapenemase-producerende Enterobacteriën (CPE)
24.Neisseria gonorrhoeae
25.Herpes simplex type 2
26.Corynebacterium diphteriae
, 27.Staphylococcus aureus
28.Humaan immunodeficiëntievirus (HIV)
29.Enterohemorragische Escherichia coli (EHEC)
30.Streptococcus agalactiae
31.Listeria monocytogenes
32.Epstein-Barr virus
33.Streptococcus pyogenes
34.Plasmodium
35.Helicobacter pylori
36.Trichomonas vaginalis
37.Treponema pallidum
38.Hepatitis A-virus
39.Varicella-zoster virus
40.Influenzavirus
41.Mazelenvirus
42.Neisseria meningitidis
43.Poliovirus
44.Pseudomonas aeruginosa
45.Respiratoir syncytieel virus (RSV)
46.Rhinovirus
47.Rotavirus
48.SARS-CoV-2
49.Streptococcus pneumoniae
Mycobacterium tuberculosis
CATEGORIE INHOUD
TYPE MICRO- Bacterie (andere)
ORGANISME
BESMETTINGSWE Droplets/aërosolen
G
I NFECTIEBEHEERSING
DE BESMETTINGSCYCLUS THEORIE KENNEN :
T HEORIE GRAM + EN GRAM - BACTERIËN
Gram+ en Gram- bacteriën zijn twee hoofdgroepen bacteriën die verschillen in hun
celwandstructuur, wat hun reactie op de Gramkleuring bepaalt: Grampositieve bacteriën
(paars) hebben een dikke peptidoglycaanlaag en zijn over het algemeen gevoeliger voor
penicilline-achtige antibiotica, terwijl Gramnegatieve bacteriën (roze/rood) een dunne
laag hebben, omgeven door een extra buitenmembraan, wat ze resistenter maakt tegen
antibiotica en vaak pathogeniteit veroorzaakt.
Grampositieve Bacteriën (Gram+)
Celwand: Een dikke laag peptidoglycaan (een soort suiker-eiwit).
Kleur: Paars/blauw (houden de kristalviolet-kleurstof vast).
Kenmerken: Makkelijker te doden met bepaalde antibiotica (zoals penicilline) omdat de
wand doorlaatbaar is. Voorbeelden: Stafylokokken, streptokokken.
Gramnegatieve Bacteriën (Gram-)
Celwand: Dunne peptidoglycaanlaag, omgeven door een tweede, buitenzijdig lipide
membraan.
Kleur: Roze/rood (de kleurstof wordt uitgespoeld en ze nemen de tegenkleuring op).
Kenmerken: Het buitenmembraan biedt extra bescherming, waardoor ze resistenter zijn
tegen antibiotica en vaak toxines (endotoxinen) kunnen afgeven. Voorbeelden: E. coli,
Salmonella
,Waarom is dit belangrijk? => Het onderscheid is cruciaal in de geneeskunde omdat het
artsen helpt te bepalen welke antibiotica effectief zullen zijn bij de behandeling van
infecties, aangezien Gram+ en Gram- bacteriën verschillend reageren op medicatie
I NHOUDSTAFEL
1. Mycobacterium tuberculosis
2. Candida albicans
3. Chlamydia trachomatis
4. Bacillus cereus
5. Parvovirus B19
6. Haemophilus influenzae
7. Cytomegalovirus (CMV)
8. Bofvirus
9. Rubellavirus
10.Hepatitis B-virus
11.Enterobacteriën
12.Bordetella pertussis
13.Salmonella typhi
14.Herpes simplex type 1
15.Escherichia coli
16.Clostridium difficile
17.Toxoplasma gondii
18.Humaan papillomavirus (HPV)
19.Extended-spectrum Beta-Lactamase (ESBL) producerende
Enterobacteriaceae
20.Clostridium tetani
21.Meticilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA)
22.Hepatitis C-virus
23.Carbapenemase-producerende Enterobacteriën (CPE)
24.Neisseria gonorrhoeae
25.Herpes simplex type 2
26.Corynebacterium diphteriae
, 27.Staphylococcus aureus
28.Humaan immunodeficiëntievirus (HIV)
29.Enterohemorragische Escherichia coli (EHEC)
30.Streptococcus agalactiae
31.Listeria monocytogenes
32.Epstein-Barr virus
33.Streptococcus pyogenes
34.Plasmodium
35.Helicobacter pylori
36.Trichomonas vaginalis
37.Treponema pallidum
38.Hepatitis A-virus
39.Varicella-zoster virus
40.Influenzavirus
41.Mazelenvirus
42.Neisseria meningitidis
43.Poliovirus
44.Pseudomonas aeruginosa
45.Respiratoir syncytieel virus (RSV)
46.Rhinovirus
47.Rotavirus
48.SARS-CoV-2
49.Streptococcus pneumoniae
Mycobacterium tuberculosis
CATEGORIE INHOUD
TYPE MICRO- Bacterie (andere)
ORGANISME
BESMETTINGSWE Droplets/aërosolen
G