Deel 1: Circulatiestelsel
1. Bespreek de functionele histologie en voorkomen van de verschillende types capillairen.
Capillairen maken deel uit van de microcirculatie, en zijn dus niet met het blote oog te zien. Ze hebben een
diameter van 7-9 µm. Bestaan enkel uit intima (1 of enkele endotheelcellen) met pericyten en soms: zeer
dunne adventitia.
Algemeen: capillairen hebben een endotheel, een basale membraan (bestaande uit een lamina basalis en een
lamina reticularis) en pericyten. Het endotheel (éénlagig plaveiselepitheel; zeer afgeplatte kernen) rust op de
basale membraan, en samen vormen ze de tunica intima. Capillairen zijn dunwandige structuren dus we
vinden geen tunica media terug en soms wel: zeer dunnen adventitia.
In en rond endotheelcellen kunnen structuren voorkomen die het type en de functie van een capillair bepalen.
- Rond het capillair kan een lamina basalis liggen die door het endotheel wordt gevormd (synthese van
proteoglycanen en collageen) en die aansluit op het omgevende collageen
- Soms zijn fenestrae (poriën: 150 nm diameter) aanwezig. Deze zijn meestal in groepjes gelegen en
vormen op die manier zogenoemde zeefplaten, die een zekere porositeit van de wand veroorzaken. Ze
zorgen voor uitwisseling tussen bloed en omliggende weefsels.
- De fenestrae zijn soms voorzien van een diafragma, dat als een dunne membraan de vrije doorgang van
vloeistof en/of deeltjes beperkt.
Passage van grotere moleculen door het epitheel kan op 2 manieren voorkomen:
- Pericellulaire passage: intercellulaire spleten tussen de occludens verbindingen (bv kleinere proteïnen
en glycoproteïnen)
- Transcytose (vesikeltransport): moleculen worden door het endotheel opgenomen aan de ene kant
(endocytose), door de cel getransporteerd in vesikels, en vervolgens aan de andere kant vrijgegeven
(exocytose) (moleculen door pinocytose opgenomen en door endosomen getransporteerd)
of diacytose: directe transport van stoXen of vloeistoXen door paracellulaire ruimtes tussen
endotheelcellen
Pericyten (adventitiële cellen):
-omsloten door lamina basalis van endotheel
-ongediXerentieerde mesenchymale cellen die kunnen diXerentiëren tot BWcellen/spiercellen (wss
betrokken bij angiogenese)
-bevatten actinefilamenten + kunnen contraheren
Type I capillairen (bv in spier- en zenuwweefsel):
- Niet-gefenestreerd (continu) endotheel
- Continue lamina basalis
- Gelijkmatige dikte van endotheliale wand
- Transport door transcytose (vesikeltransport)
- Bij aanhechting van 2 endotheelcelranden ontstaan soms randplooien (marginal folds)
- Pericyten en een zeer dunne adventitia
,Type II capillairen (bv in endocriene organen, GI-tractus, nier): *GI= gastro-intestinaal
- Gefenestreerd endotheel (al dan niet met diafragma)
- Continue lamina basalis
- Transport door fenestrae (als diafragma: beperkt)
Sinusoidale capillairen/sinusoiden (bv lever, milt):
- Aaneengesloten endotheelcellen die gefenestreerd zijn
- Geen lamina basalis!
- Verwijd lumen
- Deeltjes tot grootte van fenestrae kunnen vrij passeren (groter niet)
- Hebben speciale pericyten (fat storing cell, stellate cell)
- Discontinue sinusoïden in beenmerg en milt (hematopoëtische organen)
Lymfecapillairen hebben een niet gefenestreerd los endotheel en geen lamina basalis
2. Bespreek de cellen in het hart die bloeddruk en hartfrequentie bepalen.
Het geleidingssysteem van het hart is samengesteld uit veranderde spiercellen en bestaat uit de
- Nodus sinuatrialis (sinusknoop van Keith-Flack): subepicardiaal thv overgang v. cava cranialis in RA -->
de pacemaker
- Nodus atrioventricularis (atrioventriculaire knoop van AschoX-Tawara): subendocardiaal in laagste
deel van interatriaal septum
Het weefsel van de knopen: kleine hartspiercellen, weinig myofibrillen, veel mitochondriën en glycogeen. De
cellen liggen in BW met bloedvaten. SA- en AV-knoop zijn elektrisch gekoppeld via internodale banen.
De impulsen worden verspreid door
- Bundel van His (fasciculus atrioventricularis): ontspringt uit atrioventriculaire knoop, doorboort
atrioventriculair septum en splitst in crus dexter & crus sinister: beide takken verlopen endocardiaal of
oppervlakkig in myocard beiderzijds van het interventriculair septum en rafelen uit in de vezels van
Purkinje
- Purkinje-vezels.
Nodale cellen liggen in beide nodi en in het begin van de fasciculus. Het zijn gemodificeerde hartcellen, kleiner
en rijker aan glycogeen. Ze vertonen onduidelijke intercalaire schijven en onduidelijke dwarsstreping. Ze
vormen een weinig georiënteerd netwerk. Ze kunnen spontaan contraheren, zonder impulsen te ontvangen van
het zenuwstelsel (prikkelgeneratie).
Vezels van Purkinje
- In beide crura en in de eindvertakkingen
- Zwaarder dan gewone hartspiercellen
- Centrale kern
- Rijk aan glycogeen en MT= mitochondria (blekere aankleuring)
- Myofibrillen bevinden zich enkel perifeer
- Onduidelijke intercalaire schijven en geen traversaal tubulair systeem
, - Elektrisch gekoppeld met nexus verbindingen
Zowel het orthosympatische als het parasympatische deel van het autonome zenuwstelsel draagt bij aan de
innervatie van het hart. In gebieden dicht bij de SA- en de AV-knoop bevinden zich veel zenuwvezels en
ganglioncellen. Zij kunnen de frequentie van het hart beïnvloeden door een eXect op de SA-knoop. Prikkeling
via de parasympathicus (n. vagus) zorgt voor een vertraging van de hartslag, terwijl een prikkeling via de
sympathicus het hartritme versnelt. Sensibele innervatie ligt in vrije, aXerente zenuwuiteinden tussen myocard
vezels. Die registreren pijn bij angina pectoris (kan optreden bij gedeeltelijke afsluiting van coronaire arterie -->
zuurstoftekort).
De baro- en chemoreceptoren zorgen voor de regulatie van de bloeddruk en de hartfrequentie. De carotis sinus
en -lichaampjes zijn terug te vinden ter hoogte van de aortaboog. De carotis sinus is een baroreceptorvezel die
verschil in bloeddruk kan waarnemen. De carotislichaampjes zijn chemoreceptorbodies. Het zijn vrije
zenuwuiteinden die sensoren zijn voor de gassamenstelling. Ze reageren op veranderingen in zuurstof,
koolstofdioxide en pH. Hypoxie, hypercapnie en acidose activeren deze receptoren.
3. Bespreek de chemoreceptoren ter hoogte van het carotislichaampje.
De chemoreceptorbodies zijn vrije zenuwuiteinden die een sensor zijn voor de gassamenstelling. Ze reageren
op veranderingen in zuurstof, koolstofdioxide en pH. Hypoxie, hypercapnie en acidose activeren deze
receptoren.
De receptoren herkennen hypoxie via 3 detectiemechanismen:
- Sterk doorbloede carotislichaampjes detecteren zuurstofgehalte
o Hypoxie --> zuurstof dissocieert van ijzerbevattend eiwit --> kaliumkanaal sluit --> depolarisatie
cel --> opening calciumkanalen --> verhoging intracellulaire calcium --> afgifte
neurotransmitters
- Cyclisch AMP in heemcellen
o Hypoxie --> cAMP verhoogt in heemcel --> inhiberend eXect op de kaliumkanalen -->
depolarisatie cel --> opening calciumkanalen --> verhoging intracellulaire calcium --> afgifte
neurotransmitters
- Inhibitie van NADPH-oxidase in mitochondria
o Hypoxie --> remt NADPH-oxidase in mitochondria --> verhoogde ratio van gereduceerde tov
geoxideerde glutathion (antioxidant systeem) --> registratie verhoogde CO2 (hypercapnie) of
verlaagde pH (acidose) --> inhibitie kaliumkanalen --> depolarisatie --> opening calciumkanalen
--> instroom calcium --> afgifte neurotransmitters
Hypercapnie: hoge druk van CO2 --> influx van CO2 in de cel = H+ productie
Acidose: verlaagde pH --> Na-kanalen sluiten --> spanningsgevoelige Ca-kanalen openen --> NT vrijgesteld -->
werken in op aXerente zenuwvezels
De signalen van de chemoreceptoren worden via aXerente zenuwvezels naar het CZS gestuurd. Hier worden
reflexmatige aanpassingen geregeld om bloeddruk en hartfrequentie te corrigeren (signalen terug):
- Naar het hart:
o Hartfrequentie en contractiliteit verhogen
- Naar de bloedvaten:
o Constrictiegraad beïnvloed (vasoconstrictie: hogere bloeddruk)
- Naar het bijniermerg:
, o Afgifte van adrenaline en noradrenaline: verhoogt bloeddruk, contractiliteit en vasoconstrictie
(de werking is afv de receptoren)
è Wisselwerking van parasympatisch (verlaagt frequentie) en sympatisch (verhoogt frequentie en
bloeddruk) systeem.
4. Vergelijk de structuur van de arteria en vena femoralis.
Arteria femoralis is een musculeuze arterie (verdelingsarterie) en vena femoralis is een grote vene. Ze maken
dus allebei deel uit van de macrocirculatie (zichtbaar met het blote oog). Hun algemene bouwplan is hetzelfde.
(Tunica) intima:
- Aaneengesloten endotheel
- Subendotheliaal bindweefsel
- Bij de a. femoralis wordt de intima van de media gescheiden door een membrana (lamina) elastica
interna, meestal meanderachtig geplooid
Tunica media (spierlaag):
- Circulair verlopende gladde spiercellen
- Extracellulaire matrix geproduceerd door gladde spiercellen: rijk aan proteoglycanen, collagene &
elastische BW-vezels
- Tussen media en adventitia ligt bij a. femoralis nog een membrana (lamina) elastica externa
Tunica adventitia (BW-laag):
- Bindweefselvezels (longitudinale collagene vezels)
- Zenuwbundels, vetweefsel, bloedvaten (vasa vasorum), in grote vaten in buitenste lagen: lymfevaten
Bij de v. femoralis is de intima duidelijk ontwikkeld, en bij de a. femoralis is de media goed ontwikkeld (dikker,
goed ontwikkeld). De media is duidelijk dunner bij v. femoralis dan bij de a. femoralis. Ook is er bij de vene meer
bindweefsel te zien tussen de lagen gladde spiercellen. Bij de a. femoralis bestaat de binnenlaag van de
adventitia uit longitudinale vnl collagene vezels die naar buiten losser worden. Bij de v. femoralis vormt de
adventitia het grootste deel van de wand. In de binnenste lagen van de adventitia komen longitudinaal
verlopende bundels gladde spiercellen voor en longitudinaal verlopende bindweefselvezels.
De v. femoralis heeft kleppen die terugslag van bloed vermijden (unidirectioneel richting het hart) --> 1 of 2
halvemaanvormige plooien van de intima, geen spiervezels; centraal een BW skelet met aan de randen elastine
Deel 2: Immuunsysteem
5. Bespreek de structuur van de milt aan de hand van het verloop van de bloedvaten.
De milt is omgeven door een kapsel van dicht collageen bindweefsel van waaruit trabekels vertrekken, die het
parenchym van de milt (de miltpulpa) binnendringen. Aan de mediale zijde bevindt zich de milthilus, waar
arteriën en zenuwen het orgaan binnenkomen en venen en eXerente lymfevaten het orgaan verlaten.
De milt bestaat uit:
- Rode pulpa= reticulair BW
o Veneuze sinussen: gevuld met RBC
o Afgewisseld met strengen van Billroth (reticulumcellen): bevatten veel macrofagen (lymfocyten,
plasmacellen en monocyten)
- Witte pulpa: dicht opeengelegen lymfocyten= lymfoïde weefsel van milt: bestaat uit PALS en follikels