Les 1: 15/09 Hoofdstuk 0
Papiertjes scheuren (= simpel gedrag)
→ iemand met autoriteit vraagt het je te doen
→ groepsdruk
→ nieuwsgiering naar wat er nog komt
→ de context/ situatie; in een cinema ga je dat niet doen
⇒ moeten dat simpel gedrag niet altijd doen
Eerste indruk (= Quick dirty)
→ subjectief
→ in 3-5 sec
→ klopt niet altijd
Negativity bias (= 1e bestemming: van perspectief veranderen)
= negativiteitsdenksfout
→ er is meer oog voor het negatieve
→ vroeger: naar het negatieve kijken vergrootte kans op overleven
(evolutie)
→ negatieve heeft grotere impact op globale beeld
= gecontroleerd door de media; krijgen vaker het negatieve te zien
- De positieve media bestaan wel → beperkter: vb Katrina
Veel vooroordelen (= 2e bestemming)
= aangeleerde hulpeloosheid
- Olifant is vastgebonden
Probeert los te komen, maar lukt niet
Dus stopt
- Ouder = sterker; beperkt door gedachten
- Video jongetje (bijstander-effect)
→ verantwoordelijk wanneer je helpt
= verbreek dit
Hoofdstuk 1: Kennismaking met de sociale psychologie
- Mens = sociaal wezen → ander nodig
Vb: Mapo-brug = hoogste zelfdodingscijfer
→ nu: quotes gehangen om mensen te motiveren
→ overheid heeft rasters gehangen.
=> sociaal vangnet = !! voor hoog welbevinden
Sociale deprivatie = isolatie
, → zorgt voor hallucinaties (= sociale hersenen die nood hebben
contact)
→ experiment weeshuis: kinderen hadden achterstand op lange
termijn
Sociale paradox (= tegenstelling)
→ nood aan contact maar weigeren dat vaak
Vb: in de trein, bij de dokter
Invloed
- Impliciete invloed
→ niemand kondigt iets aan
Vb: dichtbij komen staan (afstand)
- Expliciete invloed
= iets vragen
1.1 Studieobject van de sociale psychologie
1.1.1 Gebiedsomschrijving
Sociale psychologie: (Allport)
→ wetenschappelijke studie: waarom? En hoe?
- Verschil met gezond verstand/ alledaagse kennis
→ Systematisch = wetenschappelijk (alle info)
Eenzijdige selectie = alledaagse kennis (= 1 ding)
→ Objectief = wetenschappelijk
Subjectief = alledaagse kennis
→ Gecontroleerd = wetenschappelijk; experimenten met bepaalde
factoren
Onderhevig = alledaagse kennis; veel verschillende factoren
=> intuïtie kan ook kloppen; wetenschappelijk = andere manier
→ gedachten, gevoelens en handelingen
- Overt (openheid) - covert (bedachten, gevoelens)
- A (affect) - B (behavior) -C (cognitief) = geheugen, waarnemingen
en denken model
Vb: ponponne trui van ruth + reclame
- Non – verbaal = doen met ons lichaam
+ hoe we iets zeggen (toon + intonatie = gevoel) = paraverbaal →
emotie
Vb: paard van hans kon tellen, maar niet met kleppen op
, → paard kon non-verbaal lezen
→ als we het niet zien, dan merken we pas het belang ervan
→ hechten meer belang aan paraverbaal gedrag
vb: lief; zie je mij nog graag?
→ minder controleerbaar
- Mehrabian: 7-38-55 regel (!!)
→ 7: aandacht voor verbaal gedrag
→ 38: aandacht stemklank, intonatie
→ 55: aandacht lichaamstaal
=> klopt niet + die heeft dat nooit gezegd → ambigue situaties van
toepassing
- Verschil met andere vakgebieden die gedrag bestuderen
→ persoonlijke psychologie: gebrek aan hulp, linken aan
persoonlijkheid
Vb: egoïsme
→ sociale psychologie: context & situatie
Vb: andere zal wel helpen & de temperatuur
=> beide kunnen een verklaring zijn = interactionisme
Vb: ene kan behulpzamer zijn dan de andere
=> de situatie of karakter pleit je niet vrij; kan wel een verklaring
bieden
→ voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid
- Fysieke/ feitelijke invloed
= directe invloed
Vb: papiertjes les 1 + rugzaktoerst = afstand houden omdat iemand
er verdacht uiziet
- Voorgestelde invloed
Vb: kleren passen en denken wat zou mijn vriendin hiervan vinden?
- Onrechtstreeks invloed
Vb: reclame + snoep aan de kassa; mensen wachten en
aangetrokken
+ de pijlen in de ikea en dan ga je de hele winkel rond = nudge
(kleine zaken)
Les 2: 22/09
Methoden van onderzoek
= ene methode is beter in andere situatie/vraag
1. Begrijpende methode
- Verkenning - observatie
, - Feiten - zelfbeschrijving
- Gedrag
Observatie
o Vb: wachtverzachters = controle voor brein
o Ecologische validiteit (= geldigheid) → heel hoog, want
observatie = echt
= mate waarin het onderzoek conclusies toelaat over het
‘natuurlijk’ voorkomende gedrag van mensen in situaties die
ze ‘in het echte leven’ ook tegenkomen
o Nadelen
- Is er iets om te observeren? - hoelang duurt het voordat je
iets ziet?
- Mensen veranderen gedrag als ze geobserveerd wordt
= vertekend gedrag
- Geen conclusies mogelijk over oorzaak van gedrag
Zelfbeschrijving
o Gewoon de vraag stellen (coverte mensen)
o Zeldzame overte gedragingen: vb scheidingsfeestje
Komt niet vaak voor => vragenlijst
o Nadelen:
Mensen kunnen zichzelf niet altijd beschrijven: vb iets
van 2 maand geleden
Mensen willen niet altijd beschrijven: vb schaamte
→ experiment: de yellow walkman, 1999
2. Correlationele methode
- Verband/samenhang/relatie zoeken tussen 2 variabele
- Vb roken & longkanker
Soorten correlatie
o Agressie en gewelddadige films/games = meestal met
vragenlijst
- Stijgend: meer agressie → meer geweld zien
o Tussen 0 en 1 (correlatie efficiënt)
- Dalend: ene meer, andere minder
o Onder 0 (correlatie efficiënt)
=> ene is niet altijd de oorzaak
=> causaal = niet correlatie!!!
- Enkel met experimentele methode
- A kan B veroorzaken
- B kan A veroorzaken
- C is oorzaak van correlatie A&B
o Vb: ooievaars en geboortecijfers + griep en seks