DEEL I HET VIZIER: DE SOCIOLOGISCHE KIJK
BEGIN
1. Wat?
= De studie/wetenschap van mens en maatschappij
Doel= begrijpen hoe het ‘samen-leven’ en een ‘samenleving’’werken’
Het sociale is voor de mens, wat water is voor de vis= Water is levensnoodzakelijk voor
de vis, net zoals het sociale is levensnoodzakelijk voor de mens. Het is zo
vanzelfsprekend dat we er ons niet van bewust zijn.
2. Grondleggers
Vader van de sociologie= Auguste Compte -> Sociale fysica
Doel= wetten van de SL blootleggen zoals de natuurwetenschappen
Durkheim, Marx, Weber
HFST 1: WAT BESTUDEERT DE SOCIOLOGIE?
= het sociale
- Als morele kwaliteit
- Als feitelijkheid
1. Als morele kwaliteit
A Horizontaal niveau
= betrekking op relaties tussen mensen, niveau van de interactie, wederkerige
beïnvloeding, een-op-een moraal + besef dat eigen gedrag anderen beïnvloedt
Morele kwaliteiten: empathie, liefdadigheid
B Verticaal niveau
= wat de horizontale verbondenheid overstijgt, het geheel waar mensen deel van
uitmaken= sociaal systeem
Morele kwaliteiten: rechtvaardigheid, solidariteit
2. Als feitelijkheid
Interactie tussen 2 dimensies
Horizontaal =Actor
= Sociaal handelen
Actorperspectief: onderzoeken van de sociale constructie van de sociale werkelijkheid bv:
Weber
Verticaal =systeem
,= context en resultaat van het sociaal handelen
Systeemperspectief: onderzoeken van de sociale bepaaldheid, door na te gaan hoe een
bepaald systeem het sociaal handelen beïnvloedt bv: Durkheim
Circulaire causaliteit
= via interactie maken we onze context, tegelijkertijd worden we door de context bepaald
3. Sociale constructie: actorperspectief
= onderzoekt hoe het sociaal handelen de sociale werkelijkheid construeert
Sociaal handelen, Weber
Verstehende sociologie= sociaal handelen begrijpen
= wanneer de actor, op basis van de subjectieve betekenis die hij aan dat handelen
toekent, rekening houdt met het gedrag van anderen en daardoor wordt beïnvloed
Kan gericht zijn op heden, verleden en toekomst
Verschil gedrag: geen betekenis, vanaf dat je rekening houdt met de andere is het sociaal
handelen
Typologie van sociaal handelen bij Weber
1) Affectief sociaal handelen
Steunt op emotie, is onbewust en niet-rationeel
Passionele, emotionele, instinctieve meestal ongecontroleerde reactie op stimulus
2) Traditioneel sociaal handelen
Bepaald door gewoonte of traditie, onbewust doen het zo omdat we het zo geleerd
hebben
3) Doelraditioneel handelen
Met het oog op het bereiken van een doel
4) Waardetraditioneel handelen
Handelen gebaseerd op een ethische religieuze, esthetische of sociale waarde
4. Actoranalyse van het sociale
A Thomas-theorema
Actoren construeren ook zelf sociale realiteiten door interpretaties
Als iemand zegt dat iets echt is, dan is het ook echt volgens hun
B Selffulfilling prophecy Merton (zelfbevestigende uitspraak)
= voorspellingen die uitkomen omdat ze als voorspelling het gedrag van actoren bepalen
Self-denying prophecy (zelfvernietigende uitspraak)
,Voorspelling, waaraan mensen zich dan aanpassen waardoor de voorspelling juist niet
uitkomt
C Zelfbeeld als sociaal construct= Looking-glass self Cooley
Constructie van het zelfbeeld via interpretatie van interactie gebeurt, de ander zegt mij
wie ik ben, hoe zien we eruit in de ogen van anderen
Bv: experiment Guthrie = groep jongens behandelden een verlegen meisje als een
populair meisje, aan het einde van het experiment is ze daadwerkelijk ook populair.
Doordat anderen haar zo behandelen gaat ze haarzelf ook zo zien
D Sociale gevolgen, perverse effecten
Effecten van sociaal handelen die door de actoren onbedoeld en ongewenst zijn maar
ontstaan door het samenspel van interacties tussen de actoren
Op actorniveau bepaald gedrag uitermate rationeel en verstandig -> onderlinge
beïnvloeding -> genereert effecten op systeemniveau die ingaan tegen wat wer beoogt
door de actoren
Bv: mattheuseffect: zij die al hebben, zullen nog meer krijgen, zij die weinig hebben,
worden nog ontnomen ( gerenommeerde wetenschappers= actorniveau krijgen voorrang
bij publicatie, onbedoelde effect: op wetenschapsveld= systeemniveau dominant vertoge
worden versterkt, geen plaats voor vernieuwend denken
Gentrificatie: jonge gezinnen in mindere maar multiculturele buurten want woningen
betaalbaar -> initiatieven buurten herleven, huizen renoveren -> huur-en verkoopprijzen
stijgen -> oorspronkelijke bevolking kan niet betalen -> geen integratie maar sociale
verdringing
5. Sociale bepaaldheid: sociaal systeemperspectief
A Le suicide Durkheim
Om sociaal handelen te verklaren moet je ook kijken naar het systeem waarin het tot
stand komt
Zelfdoding= hoogst individuele handeling toch verklaren via systeemkenmerken
Zelfdoding= individueel verschijnsel waarvan de oorzaken sociaal zijn
ANOMIE: eigen waarden en normen zijn niet meer in lijn met die van de SL, Normloosheid
Systeemkenmerken:
Mate van sociale integratie: mate waarin mensen sociale verbindingen hebben
Normatieve regulering: mate waarin de eigen WenN overeenkomen met de van de SL
, B Structuur bepaalt sociaal handelen
Verschillende posities op basis van verschillende kenmerken = hiërarchie ( boven-
onderschikking van posities) = sociale ongelijkheid
Vb: verband sociale ongelijkheid en hoe mensen zich gedragen= The Spirit Level
Wilkinson en Pickett:
Welzijn= sociaal en psychologisch welzijn ->Klopt niet
Landen waar er grote sociale gelijkheid is, is er meer welzijn. Niet enkel armen hebben er
baat bij maar de rijken in die landen
Gendersstudies: loonkloof tussen mannen en vrouwen
C Cultuur bepaalt sociaal handelen
Cultuur= verwijst naar kennis, producten, verwachtingen, doeleinden, WenN, die het
gedrag van individuen gaan leiden
D structuur en cultuur bepalen sociaal handelen
Anomietheorie Merton (verklaring afwijkend gedrag)
Ontstaat door discrepantie tussen culturele doelen en cultureel aanvaarde middelen
- Conformisme: akkoord doelen en beschikt over institutioneel aanvaarde middelen
- Innovatie: doelen nastreeft maar niet beschikt over legitieme middelen, andere
wegen om doelen te bereiken bv. zwartwerk
- Ritualisme: houdt zich aan de middelen maar heeft de voeling verloren met de
doelstellingen
- Retraitisme: terugtrekking uit de SL
- Rebellie: realiseren van nieuwe doelen door het gebruiken van andere middelen
6. Circulaire causaliteit