Republiek>keizerrijk
Territoriale expansie: dubbel gevolg
-Sociale implicaties
Romeinse leger= burgerleger (plebejers actief). Boeren zaten vaker
op militair campagne dan hun land → landbouw opgegeven → naar
de stad (stadsvlucht).
Landbouw blijft belangrijk, wordt overgenomen door rijke patriciërs,
bewerkt door loonarbeiders & slaven
Uitbreiding handel en nijverheid in handen van grote
ondernemingen.
Kleine handelaars worden weggeconcurreerd terecht in de
marge groei stadsproletariaat (boeren, arbeiders, vreemdelingen)
Hogere klassen: ridderstand & senaatstand tegenstelling zorgt
sociale onrust
-Bestuurlijke implicaties
Senaat verlist greep op bestuur. 100 v.Chr. komt een beroepsleger →
soldaten zijn meer trouw aan hun generaal dan aan de
republiek/senaat. Versterkt door de afstand tussen senaat in Rome
en legers in verre grensgebieden.
1e eeuw v.Chr. krijgen bevelhebbers steeds meer macht → slecht
voor de senaat.
Senaat intern verdeeld in 2 groepen: Optimates & populares
- Conservatieve meerderheid (senaatspartij)
- Radicale, progressieve minderheid (volkspartij)
2e en 1ste eeuw V.Chr.
Onstabiele periode, onrust, burgeroorlogen. In 31v.chr., bij de slag van
Actium verslaat Octavianus zijn tegenstander en eindigt woelige tijd.
Egypte onderdeel van RR. Octavianus keert naar Rome als redder van de
republiek (erenaam: augustus ‘de verhevene’). Hij legt zijn macht bij het
volk (de senaat) en wordt een senator. Niet zomaar een senator: hij krijgt
extra bevoegdheden omdat iedereen stabiliteit wil behouden→ princeps
inter pares: senator die nog geen alleenheerser is. ‘Pax romana’ volgt:
bloeiperiode, politieke rust, economische groei
Keizerrijk
BESTUUR-PRINCIPAAT 27v.c
Augustus groeit tot alleenheerser, maar doet alsof Rome een dicharchie
is (princeps&senaat). In werkelijkheid is dat schijn: de senaat verliest
, steeds meer macht. Zo ontstaat een monarchie met Augustus als
heerser. Hoe?
1. Hij grijpt niet zelf de macht; andere instellingen geven hem
bevoegdheden.
2. De republikeinse instellingen worden uitgehold en verliezen hun
macht.
3. Augustus bouwt parallelle keizerlijke ambtenarijen waardoor zijn
macht groter wordt.
1) Proconsulair imperium
Imperium minor: bestuur over aantal provincies
Imperium Maius: bestuur over alle provincies
Bevoegdheden: opperbevelhebber leger, macht van volkstribunen
met vetorecht (tribunicia potestas), immuun tegen vetorecht,
voorzitter senaat; comitia; plebejische raad, macht van censor,
pontifex maximus (opperpriester).
2) Senaat
Begin: 200 machtige familie waarmee rekening mee moet houden.
De senaat krijgt de bevoegdheden van de volksvergaderingen Vb.
wetten uitvaardigen. Omdat de keizer die vergaderingen voorzit,
komen die wetten gewoon van hem. Senaat verkiest en benoemt
magistraten. Later gaan die functies geen macht meer hebben.
Senatus consulta wordt een officiële rechtsbron. Senaat beheerst
de schatkist, maar Augustus richt een nieuwe fiscale dienst op voor
zijn eigen inkomsten, buiten senaatscontrole. Comitia &
consilium voorgezeten door keizer. Consuls verloren hun bestuurlijke
rol en is geen opperbevelhebber meer. Praetor krijgt concurrentie
van keizerlijke rechtbanken
3) Installeren van keizerlijke ambtenarij
Princeps heeft alle macht. Augustus maakt nieuwe magistraten:
Praefectus praetorio: bevelhebber van keizerlijke garde=
premier na princeps.
Praefectus urbi: burgemeester van Rome, orde & lokale
bestuur van stad.
Spelen een rol in de rechtspraak.
- Raad van princeps & nachtdienst.
- Scriniae: ministeries die keizerlijke wetten voorbereiden.
- Perpetuae; magistraten criminele rechtspraak, nemen taken
van paracii over.
BESTUUR-DOMINAAT
Territoriale expansie: dubbel gevolg
-Sociale implicaties
Romeinse leger= burgerleger (plebejers actief). Boeren zaten vaker
op militair campagne dan hun land → landbouw opgegeven → naar
de stad (stadsvlucht).
Landbouw blijft belangrijk, wordt overgenomen door rijke patriciërs,
bewerkt door loonarbeiders & slaven
Uitbreiding handel en nijverheid in handen van grote
ondernemingen.
Kleine handelaars worden weggeconcurreerd terecht in de
marge groei stadsproletariaat (boeren, arbeiders, vreemdelingen)
Hogere klassen: ridderstand & senaatstand tegenstelling zorgt
sociale onrust
-Bestuurlijke implicaties
Senaat verlist greep op bestuur. 100 v.Chr. komt een beroepsleger →
soldaten zijn meer trouw aan hun generaal dan aan de
republiek/senaat. Versterkt door de afstand tussen senaat in Rome
en legers in verre grensgebieden.
1e eeuw v.Chr. krijgen bevelhebbers steeds meer macht → slecht
voor de senaat.
Senaat intern verdeeld in 2 groepen: Optimates & populares
- Conservatieve meerderheid (senaatspartij)
- Radicale, progressieve minderheid (volkspartij)
2e en 1ste eeuw V.Chr.
Onstabiele periode, onrust, burgeroorlogen. In 31v.chr., bij de slag van
Actium verslaat Octavianus zijn tegenstander en eindigt woelige tijd.
Egypte onderdeel van RR. Octavianus keert naar Rome als redder van de
republiek (erenaam: augustus ‘de verhevene’). Hij legt zijn macht bij het
volk (de senaat) en wordt een senator. Niet zomaar een senator: hij krijgt
extra bevoegdheden omdat iedereen stabiliteit wil behouden→ princeps
inter pares: senator die nog geen alleenheerser is. ‘Pax romana’ volgt:
bloeiperiode, politieke rust, economische groei
Keizerrijk
BESTUUR-PRINCIPAAT 27v.c
Augustus groeit tot alleenheerser, maar doet alsof Rome een dicharchie
is (princeps&senaat). In werkelijkheid is dat schijn: de senaat verliest
, steeds meer macht. Zo ontstaat een monarchie met Augustus als
heerser. Hoe?
1. Hij grijpt niet zelf de macht; andere instellingen geven hem
bevoegdheden.
2. De republikeinse instellingen worden uitgehold en verliezen hun
macht.
3. Augustus bouwt parallelle keizerlijke ambtenarijen waardoor zijn
macht groter wordt.
1) Proconsulair imperium
Imperium minor: bestuur over aantal provincies
Imperium Maius: bestuur over alle provincies
Bevoegdheden: opperbevelhebber leger, macht van volkstribunen
met vetorecht (tribunicia potestas), immuun tegen vetorecht,
voorzitter senaat; comitia; plebejische raad, macht van censor,
pontifex maximus (opperpriester).
2) Senaat
Begin: 200 machtige familie waarmee rekening mee moet houden.
De senaat krijgt de bevoegdheden van de volksvergaderingen Vb.
wetten uitvaardigen. Omdat de keizer die vergaderingen voorzit,
komen die wetten gewoon van hem. Senaat verkiest en benoemt
magistraten. Later gaan die functies geen macht meer hebben.
Senatus consulta wordt een officiële rechtsbron. Senaat beheerst
de schatkist, maar Augustus richt een nieuwe fiscale dienst op voor
zijn eigen inkomsten, buiten senaatscontrole. Comitia &
consilium voorgezeten door keizer. Consuls verloren hun bestuurlijke
rol en is geen opperbevelhebber meer. Praetor krijgt concurrentie
van keizerlijke rechtbanken
3) Installeren van keizerlijke ambtenarij
Princeps heeft alle macht. Augustus maakt nieuwe magistraten:
Praefectus praetorio: bevelhebber van keizerlijke garde=
premier na princeps.
Praefectus urbi: burgemeester van Rome, orde & lokale
bestuur van stad.
Spelen een rol in de rechtspraak.
- Raad van princeps & nachtdienst.
- Scriniae: ministeries die keizerlijke wetten voorbereiden.
- Perpetuae; magistraten criminele rechtspraak, nemen taken
van paracii over.
BESTUUR-DOMINAAT