HC1- Het Romeinse recht in de oudheid
Anno urbis conditae= het jaar van de stichting van de stad 753 v.C.
Omnium Rerum principia parva sunt → 7 heuvels.
Dorpjes deden landbouw. Archeologisch onderzoek toont dat deze dorpjes
samenwerkten, waardoor ze efficiënter werden en een agrarisch surplus
konden produceren. Dit gaf meer vrije tijd voor ambachten (secundair) en
handel (tertiair). Zo ontstond een urbane samenleving: de stad Rome.
Koninkrijk
Sociaal: Latijnen & Sabijnen. Clans geleid door clanleiders; geslachten
verbonden door een stamvader (bijv. Julius Caesar → gens Julia).
Traditioneel: Privé-eigendom zwak; bezittingen waren collectief, wat
gelijkheid bracht.
In de 9e eeuw ontstond een standenmaatschappij: patriciërs (hefs) en
plebejers.
BESTUUR
Rome koos een koning die bovenaan stond, verkozen door de Comitia
Curiata (volksvergadering). Zij keurden kandidaten van de senaat goed of
af. Uiteindelijk werd het koningschap erfelijk in plaats van via verkiezing.
De koning had alle imperium: opperbevelhebber, opperpriester,
opperbestuurder en rechterlijke macht. Binnen de rechterlijke macht:
Fas: regels tussen goden en mensen
Ius: burgerlijk recht tussen mensen. De koning was geen
wetgever.
Instanties in Rome
Comitia Curiata: stemrecht voor patriciërs, plebejers niet.
Senaat: ‘senex’ = oude man, clanleiders (alleen patriciërs) nemen
deel; Senatusconsulta = adviezen van de senaat.
Priestercolleges: verantwoordelijk voor religieuze zaken (fas).
Magistraat: bij zware misdrijven ‘quaestores parricidii’ (bijv.
doodstraf).
RECHTSBRONNEN
- Romeinse recht= ius civile. Personaliteitsbeginsel: enkel personen
met romeinse burgerrecht konden beroep doen op burgerlijk recht.
- Er waren geen Leges regiae (koninklijke wetten). Enige rechtsbron
was de ongeschreven (gewoonterecht) mores maoirum: de
gebruiken van de goden/voorouders. De priesters hebben hierop het
monopolie, later verzetten de plebejers zich.
, RECHTSWETENSTAP= in deze tijd onbestaande
Vroege Republiek (Anno 509)
BESTUUR
2 consuls kregen alle macht van de koning. Werden jaarlijks verkozen door
de Comitia Centuriata.
-Comitia Centuriata: =volksvergadering; koos en benoemde hoogste
magistraten zoals quaestoren en aedielen. Bestond uit 193 centurien,
verdeeld over bezitsklassen. De 98 stemmen van de rijkste klassen
bepaalden vrijwel alles, waardoor het systeem aristocratisch was, niet
democratisch.
-Comitia : verdeeld over stammen. Minder machtig maar wel
democratisch ze kiezen lagere magistraten. Iedereen heeft stemrecht
(plebejers en patriciërs).
Gelijkenis: Beide produceren leges/wetten die door senaat werden
goedgekeurd.
Senaat: Bleef officieel adviesorgaan, maar werd zeer invloedrijk en mede-
bepaler van het bestuur. Alleen patriciërs, na een ambtstermijn van een
jaar werden senator (300–600 leden). Bevoegdheid: kon in tijden van nood
alle instellingen opheffen en een dictatuur (1 iemand alle macht) instellen.
Gebeurde 2x: Sulla en Julius Caesar.
Conflict of the orders: Strijd tussen patriciërs (minderheid met alle macht)
en plebejers (meerderheid die politieke rechten eisten).
1. 494 v.C.: Plebejers trokken de stad uit (secessie) om gehoord te
worden. Patriciërs hadden hun nodig: voedsel/arbeid en deden
concessies (toegevingen):
Volkstribunen met vetorecht (heel machtig)
Plebejische raad, bevoegd om wetten (plebiscieten) te maken voor
plebejers
→ Leidde tot nieuwe sociale en bestuurlijke verhoudingen
2. Vanaf 400 v.C.: Patriciërs profiteerden ontevredenheid
367 V.C.: Leges Liciniae Sextiae → consulaat open voor
plebejers; vanaf 342 v.C. moet minstens één consul plebejer
zijn. Praetor ontstaan (367 v.C.): verantwoordelijk voor
rechtspraak
3. Gelijkheid plebejers en patriciërs. = lex HORTENSIA (287v.C) Men
had al besloten dat plebiscieten voor patriciërs golden, MAAR op
Anno urbis conditae= het jaar van de stichting van de stad 753 v.C.
Omnium Rerum principia parva sunt → 7 heuvels.
Dorpjes deden landbouw. Archeologisch onderzoek toont dat deze dorpjes
samenwerkten, waardoor ze efficiënter werden en een agrarisch surplus
konden produceren. Dit gaf meer vrije tijd voor ambachten (secundair) en
handel (tertiair). Zo ontstond een urbane samenleving: de stad Rome.
Koninkrijk
Sociaal: Latijnen & Sabijnen. Clans geleid door clanleiders; geslachten
verbonden door een stamvader (bijv. Julius Caesar → gens Julia).
Traditioneel: Privé-eigendom zwak; bezittingen waren collectief, wat
gelijkheid bracht.
In de 9e eeuw ontstond een standenmaatschappij: patriciërs (hefs) en
plebejers.
BESTUUR
Rome koos een koning die bovenaan stond, verkozen door de Comitia
Curiata (volksvergadering). Zij keurden kandidaten van de senaat goed of
af. Uiteindelijk werd het koningschap erfelijk in plaats van via verkiezing.
De koning had alle imperium: opperbevelhebber, opperpriester,
opperbestuurder en rechterlijke macht. Binnen de rechterlijke macht:
Fas: regels tussen goden en mensen
Ius: burgerlijk recht tussen mensen. De koning was geen
wetgever.
Instanties in Rome
Comitia Curiata: stemrecht voor patriciërs, plebejers niet.
Senaat: ‘senex’ = oude man, clanleiders (alleen patriciërs) nemen
deel; Senatusconsulta = adviezen van de senaat.
Priestercolleges: verantwoordelijk voor religieuze zaken (fas).
Magistraat: bij zware misdrijven ‘quaestores parricidii’ (bijv.
doodstraf).
RECHTSBRONNEN
- Romeinse recht= ius civile. Personaliteitsbeginsel: enkel personen
met romeinse burgerrecht konden beroep doen op burgerlijk recht.
- Er waren geen Leges regiae (koninklijke wetten). Enige rechtsbron
was de ongeschreven (gewoonterecht) mores maoirum: de
gebruiken van de goden/voorouders. De priesters hebben hierop het
monopolie, later verzetten de plebejers zich.
, RECHTSWETENSTAP= in deze tijd onbestaande
Vroege Republiek (Anno 509)
BESTUUR
2 consuls kregen alle macht van de koning. Werden jaarlijks verkozen door
de Comitia Centuriata.
-Comitia Centuriata: =volksvergadering; koos en benoemde hoogste
magistraten zoals quaestoren en aedielen. Bestond uit 193 centurien,
verdeeld over bezitsklassen. De 98 stemmen van de rijkste klassen
bepaalden vrijwel alles, waardoor het systeem aristocratisch was, niet
democratisch.
-Comitia : verdeeld over stammen. Minder machtig maar wel
democratisch ze kiezen lagere magistraten. Iedereen heeft stemrecht
(plebejers en patriciërs).
Gelijkenis: Beide produceren leges/wetten die door senaat werden
goedgekeurd.
Senaat: Bleef officieel adviesorgaan, maar werd zeer invloedrijk en mede-
bepaler van het bestuur. Alleen patriciërs, na een ambtstermijn van een
jaar werden senator (300–600 leden). Bevoegdheid: kon in tijden van nood
alle instellingen opheffen en een dictatuur (1 iemand alle macht) instellen.
Gebeurde 2x: Sulla en Julius Caesar.
Conflict of the orders: Strijd tussen patriciërs (minderheid met alle macht)
en plebejers (meerderheid die politieke rechten eisten).
1. 494 v.C.: Plebejers trokken de stad uit (secessie) om gehoord te
worden. Patriciërs hadden hun nodig: voedsel/arbeid en deden
concessies (toegevingen):
Volkstribunen met vetorecht (heel machtig)
Plebejische raad, bevoegd om wetten (plebiscieten) te maken voor
plebejers
→ Leidde tot nieuwe sociale en bestuurlijke verhoudingen
2. Vanaf 400 v.C.: Patriciërs profiteerden ontevredenheid
367 V.C.: Leges Liciniae Sextiae → consulaat open voor
plebejers; vanaf 342 v.C. moet minstens één consul plebejer
zijn. Praetor ontstaan (367 v.C.): verantwoordelijk voor
rechtspraak
3. Gelijkheid plebejers en patriciërs. = lex HORTENSIA (287v.C) Men
had al besloten dat plebiscieten voor patriciërs golden, MAAR op