Literatuursamenvatting inleiding wetenschappelijk onderzoek
College 1:
Veerman et al. Met andere ogen. Denken en doen in praktijkgestuurd onderzoek. Pagina
11-42.
Hoofdstuk 1 – Inleiding
Het boek gaat om onderzoek in de praktijk van zorg en onderwijs voor jeugdigen die
speciale aandacht nodig hebben. De kern van het werk op deze terreinen is het zo goed
mogelijk in beeld brengen van de behoeften van deze doelgroep, keuzes maken omtrent
de beste aanpak en nagaan of de gekozen aanpak zijn doel beantwoordt. Dit wordt
getypeerd als praktijkgestuurd onderzoek. Hermanns omschrijft dit type onderzoek als
‘het gezamenlijke zoekproces van onderzoekers en praktijkfunctionarissen’. Dit sluit aan
bij wat Van Strien verstaat onder probleemoplossend wetenschappelijk onderzoeken,
wat Hermanns theoriegericht onderzoek noemt. Theoriegericht onderzoek heeft tot doel
wetenschappelijke kennis in praktijksituaties toe te passen, of de praktijk te benutten als
informatiebron voor toetsen van theorieën of het construeren van tests en vragenlijsten.
Praktijkgestuurd en praktijkgericht onderzoek hebben beide met de praktijk te maken. Bij
praktijkgericht onderzoek gaat het om een beweging vanuit de wetenschap naar de
praktijk, ook wel top-down onderzoek genoemd. Bij praktijkgestuurd onderzoek is de
beweging juist andersom, vanuit de praktijk naar de wetenschap (met de praktijk aan het
stuur), ook wel bottom-up genoemd. Dit boek houdt de term praktijkgestuurd aan.
Voor het bedenken van een mogelijke onderzoeksopzet is het heel belangrijk om te
beseffen dat haastige spoed zelden goed is, omdat er een risico bestaat dat je je focust
op een detail dat achteraf niet de antwoorden oplevert waar je naar zoekt. Voordat je
begint is het belangrijk om een aantal zaken te realiseren:
1. Onderzoek verloopt volgens een onderzoekscyclus die bestaat uit logische
stappen die steeds om doordenking en besluitvorming vragen. Eerst probleem
afbakenen, dan pas instrument kiezen (niet andersom).
2. Onderzoek vereist een persoon met kennis en kunde om dit proces goed te
doorlopen.
3. Onderzoek vereist een context die het onderzoek moet kunnen schragen en
dragen.
Deze drie zaken en hun onderlinge verhoudingen worden gezien als de drie
componenten van praktijkgestuurd onderzoek.
,De onderzoeker en de context van het onderzoek vormen de basis, waar vijf
benodigdheden in zijn te onderscheiden die de kans van slagen van een onderzoek
optimaliseren. Dit worden ook wel de 5B’s van onderzoek in de praktijk genoemd.
Persoon en context moeten beide belang hebben bij het onderzoek, bereid en
bekwaam zijn om het onderzoek uit te voeren, er beschikbaar voor zijn en als doel
benutting van resultaten hebben.
Let op!
Eén ontbrekende B (bijv. beschikbaarheid) kan het hele project doen stranden.
De onderzoekscyclus bestaat uit een opeenvolgende serie van logische en doelgerichte
activiteiten. Deze zijn gericht op het oplossen van het probleem of het vervullen van de
nieuwsgierigheid waar een onderzoek mee start. Het lijkt op de meeste
probleemoplossing cycli die in zorg en onderwijs gebruikt worden.
De cyclus kent 7 elementen:
1. Het probleem beschrijven dat de aanleiding was voor het onderzoek.
2. Doelstelling wordt geformuleerd.
3. Vraagstelling wordt geformuleerd.
4. Het onderzoek wordt ingericht: wie er mee moeten doen, wat voor gegevens er
worden verzameld en hoe dat gaat gebeuren.
5. Onderzoeksdata wordt verzameld.
6. De onderzoeksdata wordt verwerkt.
7. De rapportage eindigt met aanbevelingen; een terugkoppeling naar het probleem
waarbij wordt gekeken in hoeverre dit met behulp van de resultaten opgelost kan
worden.
,De eerste fase (conceptualiseren) en de laatste fase (uitvoeren) hebben een
trechtervorm. Bij het conceptualiseren gaat het om een inperking, de focus wordt steeds
kleiner. Wanneer de focus duidelijk is, kan het onderzoek worden geconcretiseerd in een
onderzoeksopzet. Dit is het scharnierpunt, waar het conceptualiseren zijn neerslag krijgt
en de uitvoering bedacht wordt. In de uitvoeringsfase vindt er verbreding plaats, waarin
na het verzamelen en verwerken van gegevens stappen worden gezet naar de betekenis
van die gegevens.
Het volgen van de onderzoekscyclus maakt het onderzoek transparant en daarmee
controleerbaar en herhaalbaar voor anderen. Dit is een essentiële voorwaarde voor
wetenschappelijk onderzoek. Controleerbaar wil zeggen dat de kwaliteit van het
onderzoek duidelijk is en daarmee ook duidelijk is in welke mate de verkregen kennis te
vertrouwen is. Herhaalbaar houdt in dat een andere onderzoeker kan controleren of hij
dezelfde resultaten vindt. Onderzoek dat controleerbaar volgens de regels is uitgevoerd,
is intern valide, dat geeft geldige ‘ware’ resultaten. Wanneer de resultaten ook meer
betrekking hebben op het algemeen, dus niet alleen voor de deelnemers aan het
uitgevoerde onderzoek of de situatie waarin dit plaatsvond, is het onderzoek extern
valide. Dit heeft deels te maken met de herhaalbaarheid.
Er is een kloof tussen praktijk en onderzoek. Onderzoekers vinden vaak dat
professionals zich niet voldoende openstellen voor onderzoek en niet flexibel zijn, terwijl
professionals vinden dat onderzoekers niet de nuttige dingen onderzoeken en het
onderzoek zelden leidt tot concrete handelingsadviezen. Dit boek wil ‘working together’
stimuleren. In de literatuur wordt dit ook wel practitioner-researcher of scientist-
practitioner genoemd.
, In deze schaal van Hutschemaekers worden de verschillende combinaties
weergegeven.
1. Intuïtief practicus: stelt zijn praktisch handelen voorop en heeft weinig met
onderzoek. Handelt in zorg en onderwijs ‘op zijn gevoel’.
2. Reflectieve practicus: probeert zijn intuïtieve kennis te expliciteren. Dit doet hij
door sustematisch te reflecteren op zijn handelen en zich af te vragen waarom hij
de dingen doet zoals hij ze doet.
3. Evidence-based practicus: laat zijn handelen leiden door wetenschappelijke
kennis, hij volgt de richtlijnen en protocollen die op basis daarvan zijn opgesteld,
maar deze voorschriften zijn niet dwingend en hij past ze toe al naargelang de
situatie vereist.
4. Practicus-onderzoeker: volgen van de methodologie van de onderzoekscyclus.
Hij reflecteert actief op het eigen handelen en is voortdurend op zoek naar betere
antwoorden en meer inzichten.
5. Klinisch wetenschapper: 100% wetenschapper, heeft weinig met onderwijs- of
zorgpraktijk. Dat het onderzoek praktische toepassingen kan hebben is mooi
meegenomen, maar de onderzoeker is er niet op uit.
Het verschil tussen de scientist-practitioner en zijn reflectieve of evidence-based
collega’s is dat de scientist-practitioner ook zelf onderzoek doet.
Organisaties kennen een structuur en een cultuur. Het is van belang om hier rekening
mee te houden bij het opzetten en uitvoeren van een onderzoek. De structuur van een
organisatie kan omschreven worden als ‘het totaal van de verschillende manieren
waarop het werk in afzonderlijke taken is verdeeld en de wijze waarop deze taken
vervolgens worden gecoördineerd. De structuur kan worden gezien als de formele kant
of de hardware van een organisatie.
De cultuur is ‘de som van alle gemeenschappelijke en als zelfsprekend ervaren
veronderstellingen die een groep in de loop van haar bestaan heeft geleerd’. De cultuur
is de informele kant of de software, die te herleiden is uit de manier van omgaan met
elkaar en de normen en waarden binnen een bedrijf.
Praktijkgestuurd onderzoek heeft als doel een bijdrage te leveren aan het bereiken van
die doelen. Onderzoeksmatig denken en handelen moet hiervoor een onderdeel van de
cultuur van de organisatie zijn. Hier komt een van de 5B’s naar voren: bereidheid.
Wanneer deze onderzoeksrijpheid ingebed is in de structuur van de organisatie, is deze
College 1:
Veerman et al. Met andere ogen. Denken en doen in praktijkgestuurd onderzoek. Pagina
11-42.
Hoofdstuk 1 – Inleiding
Het boek gaat om onderzoek in de praktijk van zorg en onderwijs voor jeugdigen die
speciale aandacht nodig hebben. De kern van het werk op deze terreinen is het zo goed
mogelijk in beeld brengen van de behoeften van deze doelgroep, keuzes maken omtrent
de beste aanpak en nagaan of de gekozen aanpak zijn doel beantwoordt. Dit wordt
getypeerd als praktijkgestuurd onderzoek. Hermanns omschrijft dit type onderzoek als
‘het gezamenlijke zoekproces van onderzoekers en praktijkfunctionarissen’. Dit sluit aan
bij wat Van Strien verstaat onder probleemoplossend wetenschappelijk onderzoeken,
wat Hermanns theoriegericht onderzoek noemt. Theoriegericht onderzoek heeft tot doel
wetenschappelijke kennis in praktijksituaties toe te passen, of de praktijk te benutten als
informatiebron voor toetsen van theorieën of het construeren van tests en vragenlijsten.
Praktijkgestuurd en praktijkgericht onderzoek hebben beide met de praktijk te maken. Bij
praktijkgericht onderzoek gaat het om een beweging vanuit de wetenschap naar de
praktijk, ook wel top-down onderzoek genoemd. Bij praktijkgestuurd onderzoek is de
beweging juist andersom, vanuit de praktijk naar de wetenschap (met de praktijk aan het
stuur), ook wel bottom-up genoemd. Dit boek houdt de term praktijkgestuurd aan.
Voor het bedenken van een mogelijke onderzoeksopzet is het heel belangrijk om te
beseffen dat haastige spoed zelden goed is, omdat er een risico bestaat dat je je focust
op een detail dat achteraf niet de antwoorden oplevert waar je naar zoekt. Voordat je
begint is het belangrijk om een aantal zaken te realiseren:
1. Onderzoek verloopt volgens een onderzoekscyclus die bestaat uit logische
stappen die steeds om doordenking en besluitvorming vragen. Eerst probleem
afbakenen, dan pas instrument kiezen (niet andersom).
2. Onderzoek vereist een persoon met kennis en kunde om dit proces goed te
doorlopen.
3. Onderzoek vereist een context die het onderzoek moet kunnen schragen en
dragen.
Deze drie zaken en hun onderlinge verhoudingen worden gezien als de drie
componenten van praktijkgestuurd onderzoek.
,De onderzoeker en de context van het onderzoek vormen de basis, waar vijf
benodigdheden in zijn te onderscheiden die de kans van slagen van een onderzoek
optimaliseren. Dit worden ook wel de 5B’s van onderzoek in de praktijk genoemd.
Persoon en context moeten beide belang hebben bij het onderzoek, bereid en
bekwaam zijn om het onderzoek uit te voeren, er beschikbaar voor zijn en als doel
benutting van resultaten hebben.
Let op!
Eén ontbrekende B (bijv. beschikbaarheid) kan het hele project doen stranden.
De onderzoekscyclus bestaat uit een opeenvolgende serie van logische en doelgerichte
activiteiten. Deze zijn gericht op het oplossen van het probleem of het vervullen van de
nieuwsgierigheid waar een onderzoek mee start. Het lijkt op de meeste
probleemoplossing cycli die in zorg en onderwijs gebruikt worden.
De cyclus kent 7 elementen:
1. Het probleem beschrijven dat de aanleiding was voor het onderzoek.
2. Doelstelling wordt geformuleerd.
3. Vraagstelling wordt geformuleerd.
4. Het onderzoek wordt ingericht: wie er mee moeten doen, wat voor gegevens er
worden verzameld en hoe dat gaat gebeuren.
5. Onderzoeksdata wordt verzameld.
6. De onderzoeksdata wordt verwerkt.
7. De rapportage eindigt met aanbevelingen; een terugkoppeling naar het probleem
waarbij wordt gekeken in hoeverre dit met behulp van de resultaten opgelost kan
worden.
,De eerste fase (conceptualiseren) en de laatste fase (uitvoeren) hebben een
trechtervorm. Bij het conceptualiseren gaat het om een inperking, de focus wordt steeds
kleiner. Wanneer de focus duidelijk is, kan het onderzoek worden geconcretiseerd in een
onderzoeksopzet. Dit is het scharnierpunt, waar het conceptualiseren zijn neerslag krijgt
en de uitvoering bedacht wordt. In de uitvoeringsfase vindt er verbreding plaats, waarin
na het verzamelen en verwerken van gegevens stappen worden gezet naar de betekenis
van die gegevens.
Het volgen van de onderzoekscyclus maakt het onderzoek transparant en daarmee
controleerbaar en herhaalbaar voor anderen. Dit is een essentiële voorwaarde voor
wetenschappelijk onderzoek. Controleerbaar wil zeggen dat de kwaliteit van het
onderzoek duidelijk is en daarmee ook duidelijk is in welke mate de verkregen kennis te
vertrouwen is. Herhaalbaar houdt in dat een andere onderzoeker kan controleren of hij
dezelfde resultaten vindt. Onderzoek dat controleerbaar volgens de regels is uitgevoerd,
is intern valide, dat geeft geldige ‘ware’ resultaten. Wanneer de resultaten ook meer
betrekking hebben op het algemeen, dus niet alleen voor de deelnemers aan het
uitgevoerde onderzoek of de situatie waarin dit plaatsvond, is het onderzoek extern
valide. Dit heeft deels te maken met de herhaalbaarheid.
Er is een kloof tussen praktijk en onderzoek. Onderzoekers vinden vaak dat
professionals zich niet voldoende openstellen voor onderzoek en niet flexibel zijn, terwijl
professionals vinden dat onderzoekers niet de nuttige dingen onderzoeken en het
onderzoek zelden leidt tot concrete handelingsadviezen. Dit boek wil ‘working together’
stimuleren. In de literatuur wordt dit ook wel practitioner-researcher of scientist-
practitioner genoemd.
, In deze schaal van Hutschemaekers worden de verschillende combinaties
weergegeven.
1. Intuïtief practicus: stelt zijn praktisch handelen voorop en heeft weinig met
onderzoek. Handelt in zorg en onderwijs ‘op zijn gevoel’.
2. Reflectieve practicus: probeert zijn intuïtieve kennis te expliciteren. Dit doet hij
door sustematisch te reflecteren op zijn handelen en zich af te vragen waarom hij
de dingen doet zoals hij ze doet.
3. Evidence-based practicus: laat zijn handelen leiden door wetenschappelijke
kennis, hij volgt de richtlijnen en protocollen die op basis daarvan zijn opgesteld,
maar deze voorschriften zijn niet dwingend en hij past ze toe al naargelang de
situatie vereist.
4. Practicus-onderzoeker: volgen van de methodologie van de onderzoekscyclus.
Hij reflecteert actief op het eigen handelen en is voortdurend op zoek naar betere
antwoorden en meer inzichten.
5. Klinisch wetenschapper: 100% wetenschapper, heeft weinig met onderwijs- of
zorgpraktijk. Dat het onderzoek praktische toepassingen kan hebben is mooi
meegenomen, maar de onderzoeker is er niet op uit.
Het verschil tussen de scientist-practitioner en zijn reflectieve of evidence-based
collega’s is dat de scientist-practitioner ook zelf onderzoek doet.
Organisaties kennen een structuur en een cultuur. Het is van belang om hier rekening
mee te houden bij het opzetten en uitvoeren van een onderzoek. De structuur van een
organisatie kan omschreven worden als ‘het totaal van de verschillende manieren
waarop het werk in afzonderlijke taken is verdeeld en de wijze waarop deze taken
vervolgens worden gecoördineerd. De structuur kan worden gezien als de formele kant
of de hardware van een organisatie.
De cultuur is ‘de som van alle gemeenschappelijke en als zelfsprekend ervaren
veronderstellingen die een groep in de loop van haar bestaan heeft geleerd’. De cultuur
is de informele kant of de software, die te herleiden is uit de manier van omgaan met
elkaar en de normen en waarden binnen een bedrijf.
Praktijkgestuurd onderzoek heeft als doel een bijdrage te leveren aan het bereiken van
die doelen. Onderzoeksmatig denken en handelen moet hiervoor een onderdeel van de
cultuur van de organisatie zijn. Hier komt een van de 5B’s naar voren: bereidheid.
Wanneer deze onderzoeksrijpheid ingebed is in de structuur van de organisatie, is deze