Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 41 pages
Summary

Samenvatting - Wetenschapstheorie (PSBA2-05)

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 41 pages

Uitwerking van alle leerdoelen van Wetenschapstheorie per week.

Content preview

WETENSCHAPSTHEORIE - LEERDOELEN

WEEK 1​ -​ WETENSCHAPSFILOSOFIE


Demarcatie, falsificatie en falsifieerbaarheid

Demarcatieprobleem: op welke manier herken je wetenschap en niet-wetenschap?
Demarcatiecriterium: criterium dat wetenschap van pseudowetenschap onderscheidt.



‘Wat is wetenschap?’ werd centraal gesteld door de logisch empiristen. Zij wilden
definiëren wanneer een uitspraak betekenis heeft. Met alleen zuiver betekenisvolle
uitspraken wilden zij van filosofie een soort wetenschap maken.

Logisch empiristen hanteerden het verificatiecriterium als demarcatiecriterium: een
betekenisvolle uitspraak is er één waarvan je kunt verifiëren of die waar is. Sterker nog: de
betekenis van een uitspraak ís de methode van verificatie. Als er geen verificatiemethode
bestaat, heeft de uitspraak volgens hen geen betekenis.
Voorbeeld: de uitspraak "Er zitten 100 studenten in de zaal" heeft als betekenis de manier
waarop je dit kunt verifiëren (namelijk: tellen).

Volgens de logisch empiristen bestaat wetenschap in de basis uit directe observaties
(zuivere observaties) waaruit via logica theorieën worden afgeleid.
●​ Dit is een vorm van inductie: van observaties naar generalisaties.



Popper ging hier radicaal tegenin. Naar zijn mening is het fundamentele kenmerk van
een wetenschappelijke theorie dat deze falsifieerbaar moet zijn (falsificatiecriterium). Een
theorie is wetenschappelijk als er in principe een waarneming denkbaar is die haar zou
weerleggen.
●​ Popper’s falsificatieprincipe is gebaseerd op deductie: een theorie voorspelt een
observatie; als die observatie uitblijft, mag je concluderen dat de theorie onjuist is.

Negatieve testresultaten moeten gepubliceerd worden, maar in praktijk gebeurt dit vaak
niet (publicatiebias), en wetenschappers geven hun theorieën meestal niet snel op.​
Voorbeeld: afwijkingen in de baan van Uranus leidden niet tot verwerping van Newtons
wetten, maar tot de ontdekking van Neptunus.



Falsificatie: wetenschappers zouden theorieën niet moeten proberen te bevestigen, maar
te proberen ze te weerleggen (modus tollens). Dit vereist dat theorieën risico nemen: ze
maken gedurfde voorspellingen die eventueel onjuist blijken.



Falsifieerbaarheid: een theorie die geen enkele mogelijke waarneming uitsluit, is niet
falsifieerbaar en dus niet wetenschappelijk.
●​ Psychoanalyse, astrologie en marxistische geschiedenis zijn pseudowetenschap.

,Inductie & deductie

Inductie: redeneren van specifieke gevallen naar een algemene regel.​
Voorbeeld: alle onderzochte raven zijn zwart → alle raven zijn zwart.

Inductie is probabilistisch: het maakt de conclusie waarschijnlijk, maar niet zeker.​
Inductieve redenering kan leiden tot een foute conclusie, zelfs als de premissen waar zijn.​
●​ Wetenschappers maken veelvuldig gebruik van inductie: ze observeren een groot
aantal gevallen en trekken op basis daarvan generaliserende conclusies.
●​ Voorbeeld: alle data die ik heb verzameld stemden overeen met mijn theorie →
dus de theorie is juist.​

Volgens logisch empiristen was wetenschap gebaseerd op inductie: je begint met
zuivere observaties en leidt daaruit via logica een theorie af.​



Popper bekritiseerde dit inductieve model en stelde dat wetenschap moet beginnen met
een theorie, die vervolgens getoetst wordt aan observaties. Wetenschap moet volgens
hem gebaseerd zijn op deductie, niet op inductie.

Deductie: redeneren van het algemene naar het specifieke.​
Voorbeeld: alle mensen zijn sterfelijk, Socrates is een mens → Socrates is sterfelijk.​

In een geldige deductieve redenering is de conclusie met zekerheid waar, zolang de
premissen waar zijn.




Modus tollens

Modus tollens: een deductieve logische structuur:​
Voorbeeld: als P, dan Q. Niet-Q. → Dus niet-P.

In de wetenschappelijke context betekent dit dat als een theorie (P) bepaalde
voorspellingen doet (Q), en deze voorspellingen niet uitkomen (niet-Q), de theorie
verworpen moet worden (niet-P).

Popper baseerde zijn falsificatiemodel op modus tollens:​
Voorbeeld: als de theorie klopt, dan zien we X. We zien geen X. Dus de theorie klopt niet.

Het falsificatiemodel is een geldige vorm van deductief redeneren. Als de premissen waar
zijn, dan is de conclusie noodzakelijk waar.

,Inductieprobleem (Hume’s probleem)

Inductieprobleem: Hume stelde dat we geen rationele rechtvaardiging hebben voor
inductie. De aanname dat de toekomst op het verleden lijkt (uniformity of nature) is zelf
gebaseerd op inductie → cirkelredenering.

We kunnen nooit op een logische manier verklaren dat een veralgemenisering waar is op
basis van een eindige reeks observaties.



Hume zag inductie als een psychologische gewoonte, niet als een rationeel
verdedigbare methode. We zijn gewend om conclusies te trekken uit herhaling, maar dat
maakt het nog niet logisch geldig.

Vanwege het inductieprobleem staat ook de kern van het logisch empirisme onder
druk: de opvatting dat je wetenschap kunt bouwen op basis van zuivere observaties en
inductie is intern problematisch.



Alternatieve reacties:

Strawson: inductie is een standaard waarmee we juist rechtvaardiging beoordelen, en
hoeft dus zelf niet gerechtvaardigd te worden.

Bayesianisme: funderen van inductie in waarschijnlijkheidsdenken; aanpassen van
overtuigingen op basis van nieuwe data met Bayes’ regel.

Popper: vermijden van inductie door wetenschap helemaal deductief te maken.
Maar het idee dat wetenschap enkel theorieën weerlegt en niet bevestigt, wordt
algemeen niet als realistisch beschouwd: wetenschappers willen niet alleen weten
welke theorieën fout zijn, maar ook welke waarschijnlijk waar zijn – en daarvoor is
inductie onmisbaar.




Inference to the Best Explanation (IBE)

Inferentie tot de beste verklaring: niet-deductieve inferentie waarbij we kiezen voor de
hypothese die de data het best verklaart.

Met behulp van de data vergelijken we meerdere mogelijke theorieën, en kiezen we de
theorie die de gegevens het meest overtuigend verklaart.​
Voorbeeld: de kaas is verdwenen + krassende geluiden → muis is de beste verklaring.



Een vaak gebruikt criterium voor "beste" verklaring is spaarzaamheid/parsimony: leg
meer uit met minder aannames.

, IBE wordt gezien als een derde vorm van gevolgtrekking, naast inductie en deductie.
Er bestaat discussie of IBE fundamenteler is dan inductie of andersom.
●​ Sommigen stellen dat inductie gebaseerd is op IBE (we kiezen generalisaties
aangezien deze verklarend zijn), anderen zeggen het omgekeerde.



IBE in wetenschap:

Darwin: overeenkomst in anatomie tussen soorten → beste verklaard door
gemeenschappelijke afstamming (Origin of Species).

Einstein: verklaarde Brownse beweging door atomaire beweging → leidde tot bredere
acceptatie van atomen.




Bayesiaanse statistiek

Bayesiaanse statistiek: een probabilistische methode voor het aanpassen van
standpunten. Volgens de Bayesiaanse visie kunnen overtuigingen worden gezien als
subjectieve waarschijnlijkheden, die veranderen op basis van nieuw bewijs.​

Het veranderen van standpunten is conditionering, en wordt wiskundig beschreven door
Bayes’ regel:​ P(H|E) = P(E|H) × P(H) / P(E)

Bayes’ regel combineert een eerdere waarschijnlijkheid (prior) met nieuwe gegevens
(evidence/data) om te komen tot een herziene waarschijnlijkheid (posterior).​
In Bayesiaanse statistiek zal een succesvolle voorspelling die consistent is met een theorie
het vertrouwen in die theorie vergroten.



Twee interpretaties van waarschijnlijkheid:
Frequentistisch: kans = relatief aantal keren dat iets gebeurt.
Subjectief: kans = mate van geloof/overtuiging.​

Logische interpretatie (waarschijnlijkheid als logische sterkte) is wiskundig en filosofisch
problematisch.



Beperkingen van de Bayesiaanse visie:

●​ geen verklaring voor creatieve wetenschappelijke doorbraken.
●​ geen objectieve beperking op wat een initiële overtuiging (prior) is.
●​ geen oplossing voor het inductieprobleem.
●​ Bayesiaans denken wordt gezien als alternatief of aanvulling op inductie, maar is
ook niet vrij van problemen.

Document information

Study
Uploaded on
February 2, 2026
Number of pages
41
Written in
2024/2025
Type
Summary
$8.73

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
1
Followers
0
Items
7
Last sold
6 months ago


Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions