,
,
, DEEL 1 — Mondelinge taalvaardigheid
Mondelinge taalvaardigheid omvat luisteren, spreken en gesprekken voeren. Het is de basis voor
leren, denken en sociale interactie. In het basisonderwijs is het zowel een doel (kinderen worden
vaardige sprekers/luisteraars) als een middel (mondeling als drager voor leren in álle vakken).
1. Taalfuncties
1.1 Sociale/communicatieve taalfunctie
Taal om contact te maken, af te stemmen en het gesprek te sturen. Subfuncties:
• Zelfhandhaving – opkomen voor jezelf en je mening: “Dat wil ik niet doen.” “Ik vind dat
niet eerlijk.”
• Zelfsturing – je eigen handelen plannen/organiseren: “Ik ga naar de bakker.” “Ik moet
echt gaan sporten.”
• Sturing van anderen – gedrag van anderen beïnvloeden: “Ga je mee?” “Wil je dat even
pakken?”
• Structurering van het gesprek – ordening en beurtverdeling: “Mag ik wat zeggen?” “Zo,
dat was dat.”
1.2 Cognitieve/conceptualiserende taalfunctie
Taal om te denken, te begrijpen en grip te krijgen op de werkelijkheid:
• Rapporteren – beschrijven/verslag doen: “De bal is rood en rond.”
• Redeneren – oorzaak-gevolg, generaliseren, concluderen: “Omdat jij niet belde, was iedereen
ongerust.”
• Projecteren – je verplaatsen in gevoelens/gedachten van de ander: “Ik denk dat hij dat niet
leuk vond.”
1.3 Expressieve taalfunctie
Taal om gevoelens/emoties en originaliteit te uiten: “Wat een vreselijke film!”, “Ik voel me niet
zo lekker bij die man.”