Inhoudsopgave
De functies van het staatsrecht ............................................................................................................... 3
Uitgangspunten van representatieve monarchie ................................................................................... 3
Uitgangspunten van constitutionele monarchie ..................................................................................... 4
De basiselementen (grondslagen) van het staatsrecht .......................................................................... 4
De ontwikkeling van de rechtsstaat ........................................................................................................ 4
Verschillen tussen regeringsvormen ....................................................................................................... 4
Verschillen tussen staatsvormen ……………………………………………………………………………………………………….5
Kenmerken van de formele constitutie ……………………………………………………………………………………………..5
De rechtsregels die de materiële constitutie in Nederland vormen…………………………………………………….5
De normen hiërarchie……………………………………………………………………………………………………………………….5
De wijze waarop de Koning zijn hoedanigheid van Koning verkrijgt ..………………………………………………..6
De taken/rollen van de koning ……………………………………………………….………………………………………………….7
De wijze waarop de Koning het koninklijk gezag kan neerleggen………………………………………………………..7
De wijze waarop tijdelijk in de uitoefening van het koninklijk gezag kan worden voorzien…………………7
Het begrip homogeniteit in het kader van de ministerraad………………………………………………………………..8
Motie van wantrouwen………………………………………………………………………………………………………………………9
Het kiesstelsel, kiesrecht en verkiezingen………….……………………………………………………………………………..10
Fracties en politieke partijen…………………………………………………………………………………………………………….11
De procedure van de kabinetsformatie...............………………………………………………………………………………12
Het onderscheid regering/kabinet/ministerraad………………………………………………………………………………12
De verschillende ambten binnen de regering incl.de taken en bevoegdheden van deze ambten……..12
De samenstelling, bevoegdheden en taken van de Staten-Generaal…………………………………………………15
Het principe van strafrechtelijke en politieke ministeriële verantwoordelijkheid……………………………. 15
Het interpellatie- en vragenrecht van de kamers………………………………………………………………………………16
De uitgangspunten van het enquêterecht…………………………………………………………………………………………16
De verhouding tussen regering en Staten-Generaal………………………………………………………………………….17
Vertrouwensregel, de motie van wantrouwen, de verhouding tussen Regering en Staten-Generaal..17
Kamerontbinding……………………………………………………………………………………………………………………………..17
Totstandkoming wet in formele zin………………………………………………………………………………………………….17
Totstandkoming algemene maatregel van bestuur regeling…………………………………………………………….18
,Kenmerken van een algemeen verbindend voorschrift…………………………………………………………………..18
Verschil tussen materiële en formele zin……………………………………………………………………………………..…18
Attributie, delegatie en sub delegatie…………………………………………………………………………………………….19
Regelgevende bevoegdheid……………………………………………………………………………………………………………19
Grondwettelijke en wettelijke terminologieën……………………………………………………………………………….21
Beleidsregel……………………………………………………………………………………………………………………………………21
Ontwikkeling van grondrechten binnen de rechtsstaat…………………………………………………………………..22
Verschillen tussen klassieke en sociale grondrechten…………………………………………………………………....22
Grondwettelijke beperkingssystematiek…………………………………………………………………………………………23
Voorwaarden waaronder grondrechten beperkt kunnen worden…………………………………………………..23
Horizontale werking van grondrechten…………………………………………………………………………………………...23
Klassieke grondrechten afzonderlijk………………………………………………………………………………………………..24
Aandachtspunten naar aanleiding van opdrachten………………………………………………………………………….25
2
, Thema 1
We spreken van een staat als er een gemeenschap is van mensen op een bepaald
grondgebied, waarover een organisatie het hoogste uitzag uitoefent.
Grondgebied
Heet ook wel het territorium
Gemeenschap
Dit wordt gevormd door mensen. Koningsdag 27 april
Gezag
De Staat heeft exclusieve zeggenschap op en over zijn gehele grondgebied. Het hoogste
gezag van de staat is gericht op het scheppen en handhaven van orde en recht.
Geweldsmonopolie (dat betekent dat alleen de staat geweld mag gebruiken, en een burger
niet voor eigen rechter spelen) → geldt voor iedereen die op het grondgebied aanwezig is
(toeristen, werknemer etc.) De staat = overheid.
De staat is Soeverein. Art. 2:1 BW → De Nederlandse staat is een rechtspersoon naar
burgerlijk recht. Dit betekent dus dat net als een natuurlijk persoon zelfstandig drager is van
rechten en plichten en als staatsmacht kan optreden in het juridisch verkeer.
Een soevereine staat is een staat met een duidelijk aangeduid territorium waarover die staat
zowel intern als extern soevereiniteit uitoefent. Verder heeft een soevereine staat een
permanente bevolking en een overheid en is hij onafhankelijk van andere staten of landen.
De overheid (Machtenscheiding – Trias Politica)
- Als wetgever optreden → Wetgevende macht
- De staat te besturen → Uitvoerende macht
- Door middel van rechtspraak → Rechtsprekende macht
Rijkswet is van toepassing op het gehele koninkrijk. Nederland heeft de grootste stem in het
Koninkrijk.
Functies van het staatsrecht
Constituerend – organisatie van de verschillende ambten
Organisatie wordt vastgesteld en opgericht door de staat en hieruit worden verschillende
ambten aangewezen.
Attribuerend – bevoegdheidsverkrijging van de verschillende ambten
Deze bevoegdheden verkrijgen ze via de Wet
Regulerend – grenzen aan de bevoegdheid
Omschrijven van de bevoegdheid en als nodig grenzen te stellen aan bevoegdheden.
Een representatieve of indirecte democratie is een regeringsvorm waarbij de bevolking een
aantal vertegenwoordigers kiest die het bestuur uitvoeren. Democratische rechtstaat hebben
burgers invloed op de overheid en is de overheid ook aan regels gebonden.
3
De functies van het staatsrecht ............................................................................................................... 3
Uitgangspunten van representatieve monarchie ................................................................................... 3
Uitgangspunten van constitutionele monarchie ..................................................................................... 4
De basiselementen (grondslagen) van het staatsrecht .......................................................................... 4
De ontwikkeling van de rechtsstaat ........................................................................................................ 4
Verschillen tussen regeringsvormen ....................................................................................................... 4
Verschillen tussen staatsvormen ……………………………………………………………………………………………………….5
Kenmerken van de formele constitutie ……………………………………………………………………………………………..5
De rechtsregels die de materiële constitutie in Nederland vormen…………………………………………………….5
De normen hiërarchie……………………………………………………………………………………………………………………….5
De wijze waarop de Koning zijn hoedanigheid van Koning verkrijgt ..………………………………………………..6
De taken/rollen van de koning ……………………………………………………….………………………………………………….7
De wijze waarop de Koning het koninklijk gezag kan neerleggen………………………………………………………..7
De wijze waarop tijdelijk in de uitoefening van het koninklijk gezag kan worden voorzien…………………7
Het begrip homogeniteit in het kader van de ministerraad………………………………………………………………..8
Motie van wantrouwen………………………………………………………………………………………………………………………9
Het kiesstelsel, kiesrecht en verkiezingen………….……………………………………………………………………………..10
Fracties en politieke partijen…………………………………………………………………………………………………………….11
De procedure van de kabinetsformatie...............………………………………………………………………………………12
Het onderscheid regering/kabinet/ministerraad………………………………………………………………………………12
De verschillende ambten binnen de regering incl.de taken en bevoegdheden van deze ambten……..12
De samenstelling, bevoegdheden en taken van de Staten-Generaal…………………………………………………15
Het principe van strafrechtelijke en politieke ministeriële verantwoordelijkheid……………………………. 15
Het interpellatie- en vragenrecht van de kamers………………………………………………………………………………16
De uitgangspunten van het enquêterecht…………………………………………………………………………………………16
De verhouding tussen regering en Staten-Generaal………………………………………………………………………….17
Vertrouwensregel, de motie van wantrouwen, de verhouding tussen Regering en Staten-Generaal..17
Kamerontbinding……………………………………………………………………………………………………………………………..17
Totstandkoming wet in formele zin………………………………………………………………………………………………….17
Totstandkoming algemene maatregel van bestuur regeling…………………………………………………………….18
,Kenmerken van een algemeen verbindend voorschrift…………………………………………………………………..18
Verschil tussen materiële en formele zin……………………………………………………………………………………..…18
Attributie, delegatie en sub delegatie…………………………………………………………………………………………….19
Regelgevende bevoegdheid……………………………………………………………………………………………………………19
Grondwettelijke en wettelijke terminologieën……………………………………………………………………………….21
Beleidsregel……………………………………………………………………………………………………………………………………21
Ontwikkeling van grondrechten binnen de rechtsstaat…………………………………………………………………..22
Verschillen tussen klassieke en sociale grondrechten…………………………………………………………………....22
Grondwettelijke beperkingssystematiek…………………………………………………………………………………………23
Voorwaarden waaronder grondrechten beperkt kunnen worden…………………………………………………..23
Horizontale werking van grondrechten…………………………………………………………………………………………...23
Klassieke grondrechten afzonderlijk………………………………………………………………………………………………..24
Aandachtspunten naar aanleiding van opdrachten………………………………………………………………………….25
2
, Thema 1
We spreken van een staat als er een gemeenschap is van mensen op een bepaald
grondgebied, waarover een organisatie het hoogste uitzag uitoefent.
Grondgebied
Heet ook wel het territorium
Gemeenschap
Dit wordt gevormd door mensen. Koningsdag 27 april
Gezag
De Staat heeft exclusieve zeggenschap op en over zijn gehele grondgebied. Het hoogste
gezag van de staat is gericht op het scheppen en handhaven van orde en recht.
Geweldsmonopolie (dat betekent dat alleen de staat geweld mag gebruiken, en een burger
niet voor eigen rechter spelen) → geldt voor iedereen die op het grondgebied aanwezig is
(toeristen, werknemer etc.) De staat = overheid.
De staat is Soeverein. Art. 2:1 BW → De Nederlandse staat is een rechtspersoon naar
burgerlijk recht. Dit betekent dus dat net als een natuurlijk persoon zelfstandig drager is van
rechten en plichten en als staatsmacht kan optreden in het juridisch verkeer.
Een soevereine staat is een staat met een duidelijk aangeduid territorium waarover die staat
zowel intern als extern soevereiniteit uitoefent. Verder heeft een soevereine staat een
permanente bevolking en een overheid en is hij onafhankelijk van andere staten of landen.
De overheid (Machtenscheiding – Trias Politica)
- Als wetgever optreden → Wetgevende macht
- De staat te besturen → Uitvoerende macht
- Door middel van rechtspraak → Rechtsprekende macht
Rijkswet is van toepassing op het gehele koninkrijk. Nederland heeft de grootste stem in het
Koninkrijk.
Functies van het staatsrecht
Constituerend – organisatie van de verschillende ambten
Organisatie wordt vastgesteld en opgericht door de staat en hieruit worden verschillende
ambten aangewezen.
Attribuerend – bevoegdheidsverkrijging van de verschillende ambten
Deze bevoegdheden verkrijgen ze via de Wet
Regulerend – grenzen aan de bevoegdheid
Omschrijven van de bevoegdheid en als nodig grenzen te stellen aan bevoegdheden.
Een representatieve of indirecte democratie is een regeringsvorm waarbij de bevolking een
aantal vertegenwoordigers kiest die het bestuur uitvoeren. Democratische rechtstaat hebben
burgers invloed op de overheid en is de overheid ook aan regels gebonden.
3