Factoren die in het landschap te zien zijn
bodem klimaat
water Landschap mens
reliëf flora
fauna
Zonnestelsel= hierin draaien 9 planeten
Jaar= de aardbaan wordt bijna in één jaar voltooid
365 dagen+ 6 extra uren om het rond om de zon af te maken
Aardrotatie= de tocht van de aarde rond de zon
Aardgas= de as waar de aarde om draait
Etmaal= de aarde draait 24 uur tegen de klok in rond haar as
Schrikkeljaar= om de 4 jaar wordt een extra dag toegevoegd in februari
Continenten= het land oppervlak bestaat er uit 7
1 = land
3
2 = water
3
Europa, Azië, Afrika, Noord- en Zuid-Amerika, Australië en Antarctica
Zout water= de oceaan, een reliëfrijke bodem en is enkele km’ers diep> 12 km
(Japan)
Zee= een dergelijke gebied, met zout water, meestal vrij vlakke bodem en meestal
100en meters diep
Zoet water= water in de vorm van sneeuw en (land)ijs, in meren, rivieren en in
grondwater> bevat nauwelijks zout
Evenaar= een denkbeeldige lijn die over de aarde loopt
Scheidt het noordelijk/ zuidelijk halfrond
De nullijn
,Geografische coördinaten= hiermee kun je precies zeggen waar een bepaald punt
ligt, elk punt is uniek
Parallel= een lijn die evenwijdig loopt aan de evenaar (horizontaal)
Meridiaan= lijnen die van pool tot pool lopen
Snijden elkaar in de noord- en zuidpool
Bij de evenaar liggen ze het verst uit elkaar
Noordelijk halfrond= van de noordpool tot de evenaar
Zuidelijk halfrond= van de evenaar tot de zuidpool
Lage breedte= als een plek dicht bij de evenaar ligt
Hoge breedte= dicht bij een pool
Zomer= zonnestralen gaan recht naar beneden en hoeven zo een minder groot
oppervlak te verwarmen
Winter= schuin invallende zonnestralen moeten een groter oppervlak verwarmen
Eb= zeewater daalt
Vloed= zeewater stijgt
Om de 6 uur veranderd het getij: eb- vloed- eb- vloed
Natuurlijke grens= natuurlijke elementen zoals een zee, oceaan, rivier, woestijn of
gebergte vormen de scheidingslijn tussen gebieden
Politieke grens= een denkbeeldige lijn die 2 gebieden van elkaar scheidt. Dit kan
gaan om landen, maar ook om gebieden zoals gemeenten en provincies
Grensconflict= een geschil over een grens (afbakening tussen landen of gebieden)
Endogene krachten= krachten die van binnenuit de aardkorst inwerken
Veroorzaken verschijnselen op aarde die voor een belangrijk deel bepalen
hoe de aarde eruitziet
Magma= vloeibaar gesteente met een temperatuur van meer dan 1200°c
Aardplaattektoniek= de stroming van de aardkorst die drijft op het magma
6 grote aardkorstplaten
Het bewegen van aardplaten tegen, langs en uit elkaar
Breuk= barsten en scheuren tussen de aardplaten
waarbij horsten en slenken kunnen ontstaan
Breuklijnen= uit elkaar bewegen, naar elkaar toe of
juist langs elkaar
Oceanische rug= vulkanen onder water
, Gebergtevorming= de aardplaten bewegen naar elkaar
toe en dan verdwijnt er aardkorst.
Er zijn 3 manieren waarop aardplaten naar elkaar
toe bewegen
Subductie= een proces, waar een oceaanplaat en een
continentenplaat naar elkaar toe bewegen. De dunne
oceaankorst schuift door de zijwaartse druk onder de
dikkere continentenkorst door.
Trog= in de subductiezone ontstaat aan de rand van het continent een grote diepte
Gebergte= dit ontstaat doordat magma langzaam omhoog werkt in de aardkorst. Via
vulkanen komt de magma deels weer aan de oppervlakte en dit is één manieren
waarop een gebergte wordt gevormd
Plooiingsgebergte= een ingedeukt gesteente waarbij aardlagen rechtop gaan staan
en zelfs over elkaar heen worden geschoven
Aardbevingen= daar waar aardplaten langs elkaar heen bewegen
Schoksgewijs
Zeebeving= aardbevingen die in zee plaatsvinden.
Hierbij kan op zee een golf ontstaan die aanvankelijk
een halve meter hoog is en in de ondiepere kuststreken
uitgroeit tot een metershoge vloedgolf
Tsunami= zo’n vloedgolf
Kegelvulkanen= ze zien eruit als kegels
Vulkanen die magma krijgen dat in delen van de aardkorst
opgesloten zit
Vulkaan= een berg ontstaan door uitbarstingen vanuit het binnenste van de aarde
Krater= het binnenste van een vulkaan, daar waar de lava omhoog komt en boven
het aardoppervlak uitstroomt
Lava= wanneer de magma aan het aardoppervlak komt
De lava die bij een kegelvulkaan uit de krater stroomt, is erg stroperig en
vormt bij elke uitbarsting een nieuwe laag die op de vulkaan blijft liggen
= stollingsgesteente
Schildvulkanen= bij doorsnede hebben ze het uiterlijk van
een schildpad
Vulkanen die magma rechtstreeks uit de mantel krijgen
De lava is vloeibaar
De lava vloeit razendsnel alle kanten uit, om
uiteindelijk af te koelen en te stollen