Psychofarmacologie 2026 1
Psychofarmacologie 2026
College 1.1
Definitie & Classificatie
Definitie Farmacologie = kennis over drugs of medicijnen en de kunst van het bereiden
van medicatie.
- De wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van de wisselwerking,
of interacties, tussen farmacologische stoEen en fysiologische processen.
Wisselwerking = iets beïnvloedt iets anders (een medicijn doet iets met je lichaam).
Interactie = een tweede stof verandert hoe het medicijn werkt (A x B)
Definitie farmacon = medicijn/farmaceutisch product
Definitie drug =
- Engels = farmacologische actieve substantie (medicatie of andere substantie
met een fysiologisch eEect & psychoactieve substantie voor misbruik, verdovend
of stimulerend)
- Nederlands = psychoactieve substantie voor misbruik (genees/genotsmiddel met
een drogerende werking, die tot afhankelijkheid (verslaving) kan leiden)
Classificatie = hoe je drugs/medicijnen kan classificeren
- Biochemische structuur (zelfde structuur is niet zelfde eEect)
- Werkingsmechanisme (vaak onbekend)
- GedragseEecten (meest gemakkelijk, linken aan stoornis)
,Psychofarmacologie 2026 2
Classificatie:
ATC: Gedragse9ecten NbN: Werkingsmechanisme
Anatomical Therapeutic Chemical Neuroscience-based Nomenclature
GedragseEecten (indicatie gebaseerd) Werkingsmechanisme (farmacologische
basis)
Oud: 1978 Nieuw: 2018
Belangrijkste standaard (WHO) Taskforce 5 organisaties
Nadelen: Nadelen;
- Gebruik voor andere stoornis - Nieuw, niet erkend door
minder voor de hand liggend (door WHO/wetenschappers
benaming eenrichting denken) - Beperkte mate bewijs (Constante
- Stigma/Patiënt wil medicatie niet aanpassing nodig)
nemen
Verschil in naamgeving tussen ATC en NbN:
- ATC: Antipsychotica
- NbN: Serotonine/Dopamine antagonist met anti psychotische werking
- ATC: Antidepressiva
- NbN: Monoaminen heropname remmer (= reuptake inhibitor) met
antidepressieve werking
ATC
Psychotrope medicatie (medicatie die inwerkt op de hersenen en het mentale
functioneren) hoofdklassen:
1. Antipsychotica
• Conventionele antipsychotica, bv. Haloperidol (ouder en bij positieve symptomen)
• Atypische, bv. Risperidone (nieuwer en negatieve/positieve symptomen)
2. Antidepressiva
• Tricyclisch, bv. Imipramine (ouder en vaak niet meer eerste keuze)
,Psychofarmacologie 2026 3
• Selectieve Serotonine Heropname (Reuptake) Remmers (Inhibitors) (SSRI), vb. Prozac
(nieuw, eerste keuze en selectief op serotonine)
• Monoaminen Oxidase Remmer (Inhibitors) (MAOI), bv. Nardil (zeer oud en bijna nooit
gebruikt)
3. Anxiolytica (angst medicatie)
• Benzodiazepines, e.g. Valium (snelwerkend, verslavend)
• Non-Benzodiazepines, e.g. Buspiron (niet verslavind maar helpt minder bij acute
paniek)
4. Stemmingsstabilisatoren
• Lithium (bipolaire stoornis)
5. Hypnotica
• Slaapmiddelen
ATC
Andere relevante groepen
- Anti-epileptica
Benzodiazepines, Clonazepam, Clorazepaat
- Stimulantia
Cocaïne, Amfetamine (speed), Methylfenidaat, Cafeïne, Nicotine
- Narcotische analgetica (pijnstillers)
Opioïden, Morfine, Codeïne, Heroïne
- Depressiva (onderdrukkers) van het Centraal Zenuwstelsel
- Psychedelica & Hallucinogenen
LSD, Marihuana, Hasjiesj, Mescaline, Psylocybine
Mescaline is een natuurlijk hallucinogeen uit cactussen dat qua werking sterk lijkt op
LSD en daarom samen wordt geclassificeerd
, Psychofarmacologie 2026 4
Toediening
4 stadia:
- Absorptie: van plek inname/toediening -> bloed
- Distributie: verdeling over het lichaam
- Metabolisme: omzetting door het lichaam (meestal in de lever)
- Excretie: uitscheiding
1. Absorptie (opname)
Via het maag-darmkanaal of lokaal
- Oraal (tablet/slikken)
- Rectaal (anus)
- Topicaal
• Huid (crème)
• Orale mucosa (slijmvlies)
Sublinguaal = onder de tong
Buccaal = tussen wang en tandvlees
Direct(er) het lichaam in
- Parenteraal (injecties)
• Intraveneus (direct in het bloed/ via ader)
• Intramusculair (in spier)
• Subcutaan (in vetlaag net onder de huid)
- Inhalatie (via de longen)
2. Distributie = waar het geneesmiddel heen gaat nadat het in het bloed zit
- In bloed (albumine = een eiwit)
- Distributie
• Extracellulair = buiten de cellen (bloedplasma)
• Intracellulair = n (water in lichaamscellen)
Psychofarmacologie 2026
College 1.1
Definitie & Classificatie
Definitie Farmacologie = kennis over drugs of medicijnen en de kunst van het bereiden
van medicatie.
- De wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van de wisselwerking,
of interacties, tussen farmacologische stoEen en fysiologische processen.
Wisselwerking = iets beïnvloedt iets anders (een medicijn doet iets met je lichaam).
Interactie = een tweede stof verandert hoe het medicijn werkt (A x B)
Definitie farmacon = medicijn/farmaceutisch product
Definitie drug =
- Engels = farmacologische actieve substantie (medicatie of andere substantie
met een fysiologisch eEect & psychoactieve substantie voor misbruik, verdovend
of stimulerend)
- Nederlands = psychoactieve substantie voor misbruik (genees/genotsmiddel met
een drogerende werking, die tot afhankelijkheid (verslaving) kan leiden)
Classificatie = hoe je drugs/medicijnen kan classificeren
- Biochemische structuur (zelfde structuur is niet zelfde eEect)
- Werkingsmechanisme (vaak onbekend)
- GedragseEecten (meest gemakkelijk, linken aan stoornis)
,Psychofarmacologie 2026 2
Classificatie:
ATC: Gedragse9ecten NbN: Werkingsmechanisme
Anatomical Therapeutic Chemical Neuroscience-based Nomenclature
GedragseEecten (indicatie gebaseerd) Werkingsmechanisme (farmacologische
basis)
Oud: 1978 Nieuw: 2018
Belangrijkste standaard (WHO) Taskforce 5 organisaties
Nadelen: Nadelen;
- Gebruik voor andere stoornis - Nieuw, niet erkend door
minder voor de hand liggend (door WHO/wetenschappers
benaming eenrichting denken) - Beperkte mate bewijs (Constante
- Stigma/Patiënt wil medicatie niet aanpassing nodig)
nemen
Verschil in naamgeving tussen ATC en NbN:
- ATC: Antipsychotica
- NbN: Serotonine/Dopamine antagonist met anti psychotische werking
- ATC: Antidepressiva
- NbN: Monoaminen heropname remmer (= reuptake inhibitor) met
antidepressieve werking
ATC
Psychotrope medicatie (medicatie die inwerkt op de hersenen en het mentale
functioneren) hoofdklassen:
1. Antipsychotica
• Conventionele antipsychotica, bv. Haloperidol (ouder en bij positieve symptomen)
• Atypische, bv. Risperidone (nieuwer en negatieve/positieve symptomen)
2. Antidepressiva
• Tricyclisch, bv. Imipramine (ouder en vaak niet meer eerste keuze)
,Psychofarmacologie 2026 3
• Selectieve Serotonine Heropname (Reuptake) Remmers (Inhibitors) (SSRI), vb. Prozac
(nieuw, eerste keuze en selectief op serotonine)
• Monoaminen Oxidase Remmer (Inhibitors) (MAOI), bv. Nardil (zeer oud en bijna nooit
gebruikt)
3. Anxiolytica (angst medicatie)
• Benzodiazepines, e.g. Valium (snelwerkend, verslavend)
• Non-Benzodiazepines, e.g. Buspiron (niet verslavind maar helpt minder bij acute
paniek)
4. Stemmingsstabilisatoren
• Lithium (bipolaire stoornis)
5. Hypnotica
• Slaapmiddelen
ATC
Andere relevante groepen
- Anti-epileptica
Benzodiazepines, Clonazepam, Clorazepaat
- Stimulantia
Cocaïne, Amfetamine (speed), Methylfenidaat, Cafeïne, Nicotine
- Narcotische analgetica (pijnstillers)
Opioïden, Morfine, Codeïne, Heroïne
- Depressiva (onderdrukkers) van het Centraal Zenuwstelsel
- Psychedelica & Hallucinogenen
LSD, Marihuana, Hasjiesj, Mescaline, Psylocybine
Mescaline is een natuurlijk hallucinogeen uit cactussen dat qua werking sterk lijkt op
LSD en daarom samen wordt geclassificeerd
, Psychofarmacologie 2026 4
Toediening
4 stadia:
- Absorptie: van plek inname/toediening -> bloed
- Distributie: verdeling over het lichaam
- Metabolisme: omzetting door het lichaam (meestal in de lever)
- Excretie: uitscheiding
1. Absorptie (opname)
Via het maag-darmkanaal of lokaal
- Oraal (tablet/slikken)
- Rectaal (anus)
- Topicaal
• Huid (crème)
• Orale mucosa (slijmvlies)
Sublinguaal = onder de tong
Buccaal = tussen wang en tandvlees
Direct(er) het lichaam in
- Parenteraal (injecties)
• Intraveneus (direct in het bloed/ via ader)
• Intramusculair (in spier)
• Subcutaan (in vetlaag net onder de huid)
- Inhalatie (via de longen)
2. Distributie = waar het geneesmiddel heen gaat nadat het in het bloed zit
- In bloed (albumine = een eiwit)
- Distributie
• Extracellulair = buiten de cellen (bloedplasma)
• Intracellulair = n (water in lichaamscellen)