Hoorcollege aantekeningen week 1
Methodologie is de manier waarop je bepaald onderzoek verricht: een methode is een
systematische manier van kennisvergaring. Dat is belangrijk bij het schrijven van een scriptie, maar
ook bij het kritisch lezen van juridische stukken, rapporten en beleidsdocumenten, omdat je dan
methodologische vragen kunt stellen: hoe is dit onderzoek gedaan, welke keuzes zijn gemaakt en wat
betekent dat voor de uitkomst? De keuze voor een methode structureert het betoog en is daarmee
bepalend voor het verhaal dat je vertelt. In juridisch onderzoek gaat het dan om literatuuronderzoek
en jurisprudentieanalyse (rechtsbronnenonderzoek), maar er zijn meer mogelijkheden.
Een concreet voorbeeld is het systeem van promoveren en degraderen, ook wel
het stoplichtsysteem genoemd. Oorspronkelijk kende dat groen, oranje en rood gedrag, maar oranje
is weggevallen: er wordt nu alleen nog onderscheid gemaakt tussen groen en rood. Wie groen
gedrag vertoont, komt in het groene regime en daaraan zijn voordelen verbonden. Vanuit
verschillende disciplines kun je hier verschillende methoden op loslaten.
Kies je voor een juridisch-dogmatische benadering, dan stel je vragen als: waar is de juridische
regeling van promoveren en degraderen te vinden, welke juridische waarborgen gelden, wie
beoordeelt of iemand groen of rood is, en kan je tegen die beslissing in beroep? Je vraagt wat de
rechten van gedetineerden zijn en hoe dit systeem zich verhoudt tot het resocialisatiebeginsel. Bij
dit soort literatuur- en jurisprudentieonderzoek is het cruciaal dat je het bronnengebruik kunt
verantwoorden: je mag geen belangrijke bronnen missen, je moet transparant zijn over je keuzes en
je analyse moet systematisch zijn.
Een andere benadering is de rechtsvergelijking. Stel dat je een rechtsvergelijkend onderzoek wilt
doen naar het systeem van promoveren en degraderen. Dan kun je bijvoorbeeld uitgaan van het
citaat van Plaisier & Van Ditzhuijzen dat het doel van het detentieklimaat is het bevorderen van
interne veiligheid, het motiveren van gedetineerden om mee te werken aan re-integratie en
het voorkomen van detentieschade. Je zou dan kunnen vragen: hoe wordt in Nederland en in twee
andere landen de interne veiligheid in de gevangenis en detentieschade voorkomen? De methode is
dan bijvoorbeeld de functionele methode: je vergelijkt hoe bepaalde functies en doelen (veiligheid,
re-integratie, schadebeperking) in verschillende landen worden nagestreefd, niet alleen juridisch
maar ook praktisch. Daarbij hoort de vraag of je de juiste landen hebt geselecteerd en of je een goed
begrip van de rechtsstelsels van die andere landen hebt.
Kies je voor een juridisch-empirisch onderzoek, dan stel je andere vragen, zoals: draagt het systeem
van promoveren en degraderen daadwerkelijk bij aan een grotere interne veiligheid in
detentiecentra? Mogelijke methoden zijn dan het afnemen van interviews, het doen van
observaties of het turven van vergelijkbare situaties voor en na invoering van het systeem. Je kunt
ook werken met een enquête. Daarbij moet je altijd letten op correlatie versus causaal verband: het
feit dat twee dingen samen optreden, betekent nog niet dat het ene het andere veroorzaakt.
Belangrijke kwaliteitsvragen zijn dan of je onderzoek betrouwbaar en valide is.
In de literatuur over promoveren en degraderen komt ook operante conditionering terug. De nadruk
op straffen en belonen binnen dit systeem laat zien dat men gedrag probeert te sturen door
consequenties te koppelen aan gedrag. Je kunt dan empirische vragen stellen zoals: hoe worden
binnen het systeem van promoveren en degraderen de principes van operante
conditionering precies toegepast en wanneer kan worden gesproken van effectieve doelbereiking?
Ook hier kun je werken met sociaalwetenschappelijke methoden zoals interviews, observaties,
literstuuronderzoek en enquêtes om na te gaan hoe het systeem in de praktijk uitwerkt.
Daarnaast kun je het systeem benaderen vanuit een rechtstheoretisch/normatief perspectief. Dan
stel je vragen als: hoe verhoudt het beginsel van operante conditionering zich tot het idee dat
rechtssubjecten dragers zijn van verantwoordelijkheid? De methode is dan bijvoorbeeld
,hermeneutiek (uitleg en interpretatie van begrippen en theorieën) en toetsing aan een leerstuk of
theorie, waarbij je onderscheid kunt maken tussen een intern perspectief (redeneert binnen de
juridisch discipline) en een extern perspectief (bekijkt het systeem vanuit een andere discipline). Een
belangrijke vraag is dan of er een helder toetsingskader is waartegen je het systeem beoordeelt.
Samenvattend kun je de discipline, methode en verantwoording als volgt koppelen. In juridisch-
dogmatisch onderzoek werk je vooral met literatuuronderzoek, jurisprudentieanalyse en
hermeneutiek. De kernvragen zijn dan: heb je de juiste bronnen gebruikt, is je analyse
systematisch en zijn de bronnen op een deugdelijke manier geïnterpreteerd? In
rechtsvergelijkend onderzoek hanteer je bijvoorbeeld de functionele methode en moet je
verantwoorden of je landenkeuze en je begrip van de andere rechtsstelsels adequaat zijn. In
empirisch-juridisch onderzoek gebruik je interviews, enquêtes, observaties en literatuurstudie, en
draait de verantwoording om betrouwbaarheid en validiteit. In rechtstheoretisch onderzoek gebruik
je vooral hermeneutiek en theoretische toetsing en moet je uitleggen of je toetsingskader helder en
passend is.
Het uitleggen dat je methode op een goede en systematische manier is uitgevoerd, hoort bij de
verantwoording van je onderzoek. Dat geldt zowel voor empirisch onderzoek als voor normatief
onderzoek. Bij empirische vragen kun je bijvoorbeeld onderzoeken of binnen het systeem van
promoveren en degraderen de operante conditionering principes juist worden toegepast. Bij
normatieve vragen kun je je afvragen of het wenselijk is dat binnen dit systeem
conditioneringsprincipes worden gebruikt. Daar zie je een spanning tussen evidence based en value
based onderzoek: wat in de praktijk werkt, is niet per se normatief wenselijk, en omgekeerd.
Het methodendebat is nodig omdat binnen de juridische discipline de methodologie vaak
ondergesneeuwd is. Er zijn redenen om te twijfelen aan de wetenschappelijkheid van de
rechtsgeleerdheid: er zijn meestal geen hypothesen, experimenten en statistiek zoals in de
natuurwetenschappen, er is geen neutrale distantie tussen onderzoeker en object (juristen zijn
onderdeel van het rechtssysteem dat ze bestuderen) en er is een sterke samenloop tussen
onderzoek en rechtspraktijk. Juist daarom is het belangrijk dat juristen expliciet maken welke
methode zij gebruiken, waarom zij die kiezen en hoe zij die systematisch en verantwoord toepassen.
Discipline Methode Verantwoording?
Juridisch-dogmatisch Literatuuronderzoek Juiste bronnen?
Jurisprudentieanalyse Systematische analyse?
Hermeneutiek Bronnen op deugdelijke
manier geïnterpreteerd?
Rechtsvergelijking Functionele methode Juiste landen geselecteerd?
Goed begrip van de
rechtsstelsels van de andere
landen?
Empirisch-juridisch Interviews Betrouwbaar, valide?
Enquête
Literatuurstudie
Rechtstheoretisch Hermeneutiek Is er een helder toetsings-
kader? Intern/extern?
Literatuur week 1
Carel Stolker, ‘‘Ja, geléérd zijn jullie wel!’: Over de status van de rechtswetenschap’
,De tekst van Stolker zet de discussie in gang naar de versterking van de professionaliteit en
wetenschappelijkheid van rechtswetenschappelijk onderzoek. Zijn idee is om de methodologie te
verbreden en in te zetten op een bredere aanpak. Zowel Stolker als Van Gestel zijn het eens dat dat
rechtswetenschap wetenschappelijker moeten worden. Van Gestel stelt dat de methodologie niet
verbreed moet worden, maar de kern van het juridisch dogmatisch onderzoek herwaardeerd moet
worden.
Stolker vraagt zich af hoe wetenschappelijk de rechtswetenschap eigenlijk is en vindt dat juristen dat
veel serieuzer moeten doordenken. Hij ziet recht als een interpretatieve en normatieve wetenschap,
meer verwant aan de geesteswetenschappen dan aan de natuurwetenschappen: er is zelden één
right answer en de onderzoeker valt deels samen met zijn object. Toch kan rechtswetenschap volgens
hem wél voluit wetenschap zijn, mits juristen hun werk methodisch explicieter en toetsbaarder
maken: duidelijke onderzoeksvragen, verantwoording van bronnen en methoden, aandacht voor
theorie én meer (ook empirisch) onderzoek. Hij pleit dus voor een verbreding en verdieping van de
methodologie, zonder dat de rechtswetenschap een kopie van de natuurwetenschappen moet
worden.
Stolker onderzoekt in dit artikel hoe wetenschappelijk de rechtswetenschap eigenlijk is en waarom
dat ertoe doet. Van de rechtswetenschap wordt verwacht dat zij antwoorden formuleert, maar dan
rijst de vraag met welk wetenschappelijk gezag zij dat doet. In de ogen van andere disciplines is de
status van de rechtswetenschap namelijk niet vanzelfsprekend, en juristen hebben zelf ook lang
weinig nagedacht over wat het betekent dat hun vak een wetenschap is.
Om dat te laten zien werkt Stolker de beroemde wrongful life-casus uit. Het gehandicapte meisje
Kelly dagvaardt het ziekenhuis omdat zij stelt dat zij beter niet geboren had kunnen worden: als de
arts zorgvuldig had gehandeld, was een test gedaan, was de afwijking ontdekt en was de
zwangerschap beëindigd. Dat leidt tot de vraag of een kind schadevergoeding kan vorderen voor het
feit dat het leeft (wrongful life) naast de vordering van de ouders (wrongful birth). In Nederland
kende de rechtbank Den Haag alleen schade toe aan de ouders, terwijl het Haagse hof de vordering
van het kind juist wel toewijst. In het buitenland zien we een bont palet: in Duitsland wijst het
Bundesgerichtshof de vordering af, onder meer met verwijzing naar de grenzen van wat recht nog
kan regelen en met een duidelijke distantie tot het denken in termen van levenswaarde na de
ervaringen met het nationaalsocialisme. In Engeland wordt de vordering afgewezen uit vrees dat
artsen uit angst voor aansprakelijkheid te snel tot abortus zouden adviseren en is wrongful life zelfs
wettelijk uitgesloten. De Franse Cour de cassation kent de vordering juist zonder aarzeling toe,
waarna de wetgever ingrijpt en wettelijk bepaalt dat niemand schade kan claimen enkel wegens zijn
geboorte, terwijl de gemeenschap wel financieel voor het kind zou moeten instaan. Stolker laat zo
zien dat een moeilijke rechtsvraag tot totaal verschillende, maar serieus beargumenteerde
uitkomsten kan leiden (Van Gestel stelt dat juridisch dogmatisch onderzoek daarom niet
repliceerbaar is: interpretatie kan tot verschillende uitkomsten leiden). Er is geen vanzelfsprekende
right answer, en dat zet de vanzelfsprekende wetenschappelijke status van het recht onder druk.
Daarna vergelijkt hij de rechtswetenschap met natuur- en geesteswetenschappen. In het klassieke
natuurwetenschappelijke beeld draait het om objectieve observatie, herhaalbare experimenten en
algemene wetmatigheden die verifieerbaar en falsifieerbaar zijn. De onderzoeker staat neutraal
tegenover zijn object. In de geesteswetenschappen is dat anders: daar gaat het om begrijpen
(Verstehen), interpretatie en context, en speelt de onderzoeker als subject een grotere rol. De
rechtswetenschap lijkt volgens Stolker sterk op deze laatste categorie. Zij bestudeert het positieve
recht in een bepaalde rechtsorde, ordent en systematiseert regels en rechtspraak, legt verbanden,
verklaart ontwikkelingen, evalueert en doet voorstellen voor hervorming, steeds in het spanningsveld
tussen rechtvaardigheid, rechtszekerheid en doelmatigheid. Het onderzoek is sterk normatief: het
gaat niet alleen om hoe het recht is (is), maar ook om hoe het zou moeten zijn (ought).
, Juist daardoor is de rechtswetenschap kwetsbaar. Ten eerste valt de onderzoeker deels samen met
zijn object: recht is nationaal en cultureel bepaald, en alleen wie deelneemt aan dat recht kan het
echt bewerken. Dat roept het risico op van subjectiviteit, maar betekent niet dat alles willekeur is:
normatieve uitspraken veronderstellen ook geldigheidspretenties en moeten zo goed mogelijk
worden gefundeerd. (Van Gestel zegt juist dat die samenval een misverstand is. Het theoretisch
perspectief is zijns inziens niet vanzelfsprekend identiek aan het rechtssysteem of aan de rechterlijke
praktijk. De invalshoek van de wetenschapper bepaalt het theoretisch kader). Ten tweede vloeien
onderzoek en rechtspraktijk in elkaar over. Veel hoogleraren zijn ook rechter of advocaat en
rechtswetenschappelijk werk is nauw verweven met commentaar op jurisprudentie en wetgeving.
Dat is waardevol voor de praktijk, maar roept vragen op over onafhankelijkheid,
belangenverstrengeling en de mate waarin publicaties echt vernieuwend onderzoek zijn, in plaats van
kennisverspreiding. Ten derde speelt het normatieve karakter: juristen zijn getraind in overtuigen en
pleiten, waardoor wetenschappelijke publicaties soms meer op een pleitnota lijken dan op een open,
toetsbare analyse. Dat belemmert controleerbaarheid en falsifieerbaarheid.
Stolker betoogt dat er desondanks wel degelijk van wetenschap gesproken kan worden, mits de
rechtswetenschap kritischer met haar eigen methoden omgaat. Dat betekent: expliciete formulering
van onderzoeksvragen, heldere verantwoording van bronnenkeuze en analysemethode, meer
aandacht voor theoretische vernieuwing in plaats van louter annotaties en handboeken, en meer
openheid over de persoon van de onderzoeker en mogelijke belangen. Hij pleit voor meer
methodische scholing, voor een cultuur van kritisch debat in plaats van reflexmatige verdediging van
standpunten, voor ontwikkeling van kwaliteitscriteria en betere selectie van tijdschriften en bundels,
en voor meer empirisch onderzoek waar dat zinvol is. Tegelijk waarschuwt hij dat de
rechtswetenschap geen kopie van de natuurwetenschappen moet willen worden: zij moet haar eigen
hermeneutische en normatieve karakter erkennen, maar binnen die eigen aard zo transparant en
toetsbaar mogelijk werken.
In de slotdelen benadrukt Stolker dat de rechtswetenschap zich niet kleiner moet maken dan zij is. Zij
kan en moet leren van andere disciplines om wetenschappelijker te worden, maar heeft ook iets
eigens en onmisbaars. Zij houdt zich bezig met gerechtigheid en dat de kennis op dit terrein nooit
volledig of definitief zal zijn, maakt de wetenschap niet minder, maar juist menselijker. Met een bijna
literaire afsluiting illustreert hij de schoonheid van juridisch redeneren. Zijn kernboodschap: de
rechtswetenschap moet veel serieuzer nadenken over haar status als wetenschap en haar methoden
expliciteren, maar er is geen reden om te twijfelen aan haar wetenschappelijke relevantie, juist
omdat zij het snijvlak vormt tussen recht, moraal en maatschappelijke praktijk.
Zelfstudievragen bij Stolker
1. Aan de hand van de Wrongful life-casus laat Stolker zien dat een juridisch vraagstuk op negen
verschillende manieren kan worden opgelost. Wat betekent dit voor de rechtswetenschap als
wetenschap?
Stolker gebruikt de wrongful life-casus om te illustreren dat verstandige en welwillende juristen tot
compleet verschillende juridische oordelen kunnen komen over één casus. Dit toont aan dat het recht
niet altijd eenduidige antwoorden biedt en dat juridische uitkomsten vaak normatief, cultureel en
moreel bepaald zijn. Dit roept vragen op over de wetenschappelijkheid van rechtsgeleerdheid: als er
geen ‘right answer’ is, in tegenstelling tot veel natuurwetenschappelijke contexten, dan lijkt
rechtswetenschap eerder interpretatief dan exact of empirisch toetsbaar.
Toch pleit Stolker ervoor dat rechtswetenschap wél een wetenschap is, maar een andere soort
wetenschap: verwant aan geestes- en menswetenschappen, waarin begrijpen, interpreteren en
normatief wegen centraal staan. Zij kan wetenschappelijker worden door explicieter te reflecteren op
haar methoden, haar normativiteit en haar verhouding tot andere wetenschappen. Ook aan
normatieve uitspraken liggen impliciet geldigheidsclaims ten grondslag. Wie werkzaam is binnen de
rechtswetenschap, zal deze claims zoveel mogelijk moeten expliciteren en moeten zoeken naar