• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 92 pages
Resume

Met mijn samenvattingen slaag je op al je examens!

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 92 pages

Ik gebruik altijd mijn eigen samenvattingen, ik steek er enorm veel tijd in. Het zijn slides van powerpointpresentaties, aangevuld met nota's van in de les. Ik heb nog nooit een herexamen gehad. Dus jij ook zeker niet met mijn samenvattingen!

Aperçu du contenu

ISW 2
BEROEPSGEHEIM

Deontologie =

- plichtenleer van een beroep
- een onderdeel van de ethiek

Beroepsethiek = geheel van waarden en normen die het handelen van (een lid van) een beroepsgroep stuurt of
zou moeten sturen

Belangrijke vragen vanuit de deontologie en de beroepsethiek:

- Wat is goed handelen?
- Wat is goed handelen als sociaal werker?
- Wat is volgens jou als sociaal werker goed sociaal werk?

Belangrijk  bewuster leren kijken naar wat je doet, waarom je dit doet en hoe je dit kan verantwoorden.

Het gaat over beroepshouding, over handelen als professional  dit gaat ruimer dan alleen focussen op onze
plichten. Het gaat ook over hoe JIJ aansluit bij beroepswaarden, hoe JIJ dit in praktijk brengt.

1. DE BEROEPSETHIEK VAN HET SOCIAAL WERK

Sociaal werk is een waardengericht beroep, beroepsethisch handelen behoort tot de kern van het beroep!

- Je kan niet aan sociaal werk doen zonder te botsen op beroepsethische vraagstukken. Je komt
voortdurend in situaties die vragen oproepen.
- Ethisch handelen gaat niet zozeer over de grote filosofische vraagstukken. Voor de sociaal werker is
het een concreet deel van de dagelijkse beroepspraktijk.
- Het gaat om ethiekwerk: sociaal werkers moeten in concrete situaties morele afwegingen maken en
de vraag stellen “wat wordt hier van mij verwacht?”.

Waarden zijn …. ?  wat je goed vindt zoals respect, belangrijk vinden, in praktijk brengen door normen

Normen zijn … ?  richtlijnen

Basiswaarden van het sociaal werk zijn … ?  6 : zelfsturend, integer, mensgericht, reflecterend, …
krachtgericht werken, empowerment

Moraal is … ? wat is goed en fout? Studie van waarden & normen samen

Ethiek is … ? wetenschappelijke leer van moraal, waarden en normenstelsels

Sociaal werk is waardenwerk!

- Je bent als sociaal werker niet enkel goed in het juiste gebruik van methoden en instrumenten, je hebt
ook oog voor de belangen en keuzes van de mensen met wie je werkt en de organisatie voor wie je
werkt.
- Je kiest een positie, die niet neutraal is, maar gebaseerd is op de basiswaarden van het sociaal werk en
de opdracht die je vanuit je organisatie uitvoert.
- Je bouwt een eigen professioneel waardenkader op, je formuleert eigen standpunten en visies en
onderbouwt deze.

1

, - Het handelen vanuit een positie gebaseerd op waarden noemen we “normatief handelen”.

Het belang van beroepsethiek

- Ethiek bestudeert het geheel van waarden en normen waaraan we ons gebonden achten, de moraal.
Ethiek bestudeert situaties die gaan over de vraag: wat is het goede?
- Ethiek steunt op vragen stellen en reflecteren en de antwoorden daarop. Ethiek begint niet met
handelen, maar met nadenken over ons handelen!
- Bij ethiek gaat het over waarden en relaties. Wie werkt met mensen, gaat relaties aan, vertrekt daarbij
vanuit zijn waarden en werkt met mensen die mogelijk andere waarden belangrijk vinden. Waarden
kunnen botsen (dilemma’s)

Dilemma

- Toestand waarin tussen 2 wegen, die beide bezwaren opleveren, een keuze moet worden gemaakt
- Ethische dilemma’s -> Welke keuze je ook maakt, beide alternatieven brengen een aantal nadelen met
zich mee.
- Een botsing tussen waarden staat centraal.
- De keuze die je maakt laat altijd een ‘moreel residu’ na, een gewetensprobleem.
- Het betreft een keuze tussen waarden die allen even waardevol zijn.

Voorbeelden van botsende waarden?

- Vertrouwen en veiligheid
- Kunnen kinderen thuis blijven of weghalen omwille van veiligheid? Soms beter weghalen dan thuis
laten

Een sociaal werker dient goed na te denken over de waarden en normen die zijn professioneel handelen
beïnvloeden, omdat:

- hij/zij vaak te maken krijgt met mensen die op dat moment in hun leven een kwetsbaarheid ervaren
- de interventies ingrijpend kunnen zijn in het leven van anderen
- de interventies een vertrouwelijk karakter hebben
- de sociaal werker ten aanzien van de cliënt, zijn organisatie en de samenleving zijn ingrijpen moet
kunnen verantwoorden

Kunnen verantwoorden = kunnen benoemen welke waarden meespelen, welke regels je volgt en welke
afwegingen je maakt

Samengevat: wat is beroepsethiek?

- Het is een onderdeel van de ethiek
- Het is het ethische kader voor handelen dat een beroepsgroep voorschrijft aan zijn leden (bv in een
deontologische code)
- Het omvat waarden & normen die het handelen sturen
- Beroepsethiek is normatief, ze is niet waardenvrij of neutraal
- Soms is beroepsethiek beschrijvend en laat ze veel vrijheid aan de beroepskracht om er zelf invulling
aan te geven. Soms schrijft ze concrete regels voor die je als basis moet nemen voor je handelen.
- Beroepsethiek is sterk verbonden met het vermogen van sociaal werkers om autonoom, kritisch en
bewust keuzes te maken in hun werk




2

, - Sociaal werk is complex, onvoorspelbaar en onzeker. Het moet altijd recht doen aan de persoon in zijn
situatie, het is dus altijd maatwerk
- De keuzes die een sociaal werker maakt om een probleem aan te pakken, bepalen voor een groot deel
de uitkomst ervan
- Daarom is het een beroep waarin het belangrijk is om het werk goed te doen, maar ook om het goede
werk te doen

Het werk goed doen = technisch instrumenteel werk, met inzet van de juiste methoden en technieken,
onderbouwd door kennis en vaardigheden. Richt zich op de vraag: welke middelen zijn nodig om een bepaald
doel te bereiken?

Het goede werk doen = normatief werk. De sociaal werker laat zich inspireren door de waarden van het
beroep en de organisatie en door de eigen visie en waarden. Dit betreft een ethische basishouding waarin je als
sociaal werker steeds weer vragen stelt over de keuzes die je maakt. (cfr. Beroepshouding)

VOORBEELD

Een 17-jarige klopt aan bij het OCMW voor financiële tussenkomst, hij houdt het thuis niet meer uit en wil op
zichzelf gaan wonen. De MA legt uit dat een minderjarige geen recht heeft op een leefloon en dat hij beter
wacht tot hij meerderjarig is om het huis te verlaten. Ze legt heel duidelijk uit hoe het zit met financiële steun en
een leefloon

Geeft de MA de juiste info? Heeft de MA de job goed gedaan?

Is de minderjarige hiermee geholpen? Heeft de MA het goede gedaan?

Technisch instrumenteel juist gewerkt? Normatief juist gewerkt?

 ja, technisch instrumenteel wel, alles goed uitgelegd
 niet geholpen : moet nog jaar wachten, kijken wat wel mogelijk is ook buiten OCMW dus
doorverwijzen

Sociaal werk = combinatie van kennis, kunde en vaardigheden om de dingen goed en efficiënt te doen & het
vermogen om daarbij een ethisch kompas te hanteren om de goede dingen te doen

Reflectie is hierbij cruciaal!

Reflectie = de kunde om kritisch te kijken naar het eigen handelen, gebaseerd op kennis en ervaring

Het belang van reflectie

- Al reflecterend stelt een sociaal werker zichzelf relevante vragen over de drijfveren voor keuzes en
handelen en stuurt dat handelen bij
- Reflecteren = bewust bekwaam handelen  weten wat je doet, hoe je het doet, waarom je het doet
en wat de gevolgen van je handelen zijn (zie ook normatieve theorieën lesweek 2)
- Dit betekent ook stilstaan bij de impact van jouw eigen referentiekader en rugzak op jouw handelen.
Wat triggert jou en waarom en hoe bepaalt dat mee jouw houding en aanpak naar cliënten toe?

Maatschappelijk werk is niet alleen het hanteren van een aantal methoden en technieken om tot een resultaat
te komen, het is vooral ook het aanwenden van je eigen persoon binnen een functionele samenwerkingsrelatie
met de cliënt




3

, Je bent als het ware met je hele ‘zijn’ betrokken in je job: je eigen referentiekader op het vlak van waarden en
normen, je levenservaring, je kennis en vaardigheden, je grondhouding, je gevoelens en gevoeligheden, je
kwaliteiten als professional en als mens. Hoe groter je betrokkenheid, hoe belangrijker dat je alert blijft over je
energiebalans – draagkracht en draaglast – en je emotionele evenwicht

Sociaal werk is een ethisch reflectief beroep

Mensen rekenen op de sociaal werker om verandering te brengen in een probleem of een situatie die
aangepakt moet worden. Daarbij moet er rekening gehouden worden met verschillende belangen, die soms
botsen

4 belangensferen waarin de sociaal werker beweegt:

- de cliënt of het cliëntsysteem als belanghebbende
- de opdracht en het belang van de organisatie
- de sociaal werker zelf als deel van een beroepsgroep en de belangen van het beroep
- de maatschappelijke opdracht en het maatschappelijk belang

VOORBEELD

Een maatschappelijk werker bij het OCMW moet bij de toekenning van het leefloon controleren of een cliënt al
dan niet samenwoont. Voor de betrokken cliënt kan dit negatief aanvoelen en niet in zijn belang. Die
controlerende opdracht is echter in de wet verankerd. Wanneer de organisatie daarenboven vraagt om je cliënt
stiekem te controleren via sociale media en bijvoorbeeld het Facebookprofiel uit te pluizen, dan is er een botsing
met de belangen van het beroep. Dit druist namelijk in tegen wat beroepsmatig van een sociaal werker
verwacht wordt: transparant zijn, eerlijk en in vertrouwen werken.

Waar zitten de vier belangen?

 Maatschappij : in de wet
 Cliënt : cliënt
 Opdracht organisatie : stalken op sociale media
 Sociaal werker zelf als beroepsgroep : achter de rug van cliënt, stiekem, druist in tegen beroepsmatig

Hoe wij moeten handelen als professional wordt mee bepaald door afspraken, regels, decreten en wetten en
beroepscodes

Het geheel aan richtinggevende handvatten dat vervat ligt in die regels en kaders bepaalt de handelingsruimte
van de sociaal werker. Dit noemen we de discretionaire ruimte

= de ruimte waar de sociaal werker autonoom, dus los van derden, en in samenspraak met de cliënt stappen
kan zetten in het begeleidings- of hulpverleningsproces

Voorbeelden discretionaire ruimte?

- Een hulpverlener in de jeugdhulp die zelf de gegevens van de ouders invult, omdat het dossier anders
vertraging oploopt, maakt gebruik van zijn discretionaire ruimte  niet altijd doen, ingaan tegen
waarden : empowerment, mensen sterker maken
- Een maatschappelijk assistent in de ouderenzorg die een indicatiestelling ruimer interpreteert omdat
anders het recht op zorg in het gedrang zou komen, maakt gebruik van de discretionaire ruimte

2. VERTROUWEN EN CONFIDENTIALITEIT

Sociaal agogische hulpverlening is onmogelijk zonder strikte vertrouwelijkheid

4

Table des matières

  1. 01 Beroepsgeheim 1
    1. 1. De beroepsethiek van het sociaal werk 1
    2. 2. Vertrouwen en confidentialiteit 4
    3. 3. Het beroepsgeheim 5
    4. 3.1. Door welke ‘bril’ kijken we naar het beroepsgeheim? 6
    5. 4. Het beroepsgeheim: analyse van begrippen 7
    6. 4.1 ZWIJGPLICHT - ZWIJGRECHT 7
    7. 4.2 Spreekrecht - spreekplicht 10
    8. 4.3 Beroepsgeheim en samenwerking 13
    9. 4.3.1. Gedeeld BG en gezamenlijk BG 13
    10. 4.4 Schending beroepsgeheim 16
  2. 02 Ethisch kader – normatieve theorieën 17
    1. Keuzes maken 17
    2. Gevolgenethiek of Consequentialisme 18
    3. Beginselethiek of deontologische ethiek 18
    4. Deugdenethiek of teleologische ethiek 19
    5. Fasen van zorg volgens Tronto 21
  3. 03 hechting & kwetsbare groepen 23
  4. 04 Deel I : hechting 23
    1. I. hechting 23
    2. II. Hechtingstheorie van Bowlby 24
    3. III. Hechtingstheorie van Harlow 25
    4. IV. Verschillende hechtingsstijlen bij kinderen 26
    5. V. Vorming veilige hechting 28
    6. V. Vorming onveilige hechting 29
    7. VI. Gevolgen veilige hechting 29
    8. VI. Gevolgen onveilige hechting 29
    9. VI. Gevolgen onveilige hechting: intergenerationele overdracht 30
    10. VII. Hechtingsstoornissen 30
  5. 05 DEEL II: KWETSBARE GROEPEN 30
    1. I. Risicofactoren 30
    2. II. Preventie en interventie 31
  6. 06 jeugdhulp in Vlaanderen 32
    1. 1.1. Betrokken Sectoren IJH 32
    2. 1.3. Principes 32
    3. 1.4. Doelstellingen 32
    4. 2.1 schema (vanbuiten leren) 34
    5. 2. Het jeugdlandschap 34
    6. 2.1.1. Vereenvoudig schema (examen) 35
    7. 2.2. Rechtstreeks toegankelijke jeugdulp – voor de toegangspoort 35
    8. 2.2.1. Brede instap 35
    9. 2.2.2. Probleemgebonden hulp 35
    10. 2.3. Niet rechtstreekse toegankelijke jeugdhulp – na de toegangspoort 35
    11. 2.4. Jeugdhulp niet gevat door het decreet 35
  7. 07 intersectorale toegangspoort 35
    1. 3.1. Intersectorale toegangspoort (ITP) 36
    2. 3.1.2. Voor wie? 36
    3. 3.1.3. Wie kan aanmelden? 36
    4. 3.1.3.1. Erkende multidisciplinaire teams 36
    5. 3.1.3.2. Jeugdhulpaanbieders uit RTJ of NRTJ 37
    6. 3.1.3.3. Jeugdhulpaanbieders buiten het toepassingsgebied IJH 37
    7. 3.1.5. Bij welke toegangspoort? 37
    8. 3.3. hoe verloopt de aanmelding? 37
    9. 3.3.1. Contactpersoon - aanmelder 38
    10. 3.3.3. De behandeling van de aanvraag 38
    11. 3.3.3.1. Team indicatiestelling 38
    12. 3.3.3.2. Team Jeugdhulpregie 39
  8. 08 verontrusting 39
    1. 4. Verontrustende situatie (VOS) 39
    2. 4.1. Wie moet verontrusting opnemen? 40
    3. 4.1.1. Een gedeelde verantwoordelijkheid 40
    4. 4.1.1.1. De hulpverlener 41
    5. 4.1.1.2. De zorgvoorziening 41
    6. 4.1.1.3. de gemandateerde voorzieningen 41
    7. 4.2. MAATSCHAPPELIJKE NOODZAAK (MANO) 42
    8. 4.3. Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ) 42
    9. 4.3.1. Voor wie? 42
    10. 4.3.2. Hoe aanmelden? 42
    11. 4.3.3. Het M – document 43
    12. 4.3.4. WERKING OCJ 43
    13. 4.3.4.1. Consultfunctie 43
    14. 4.3.4.2. Verloop 44
    15. 4.3.4.3. De consulenten 44
  9. 09 Rechtspositie van minderjarigen in de jeugdhulp 44
    1. Afkortingen 44
    2. 1. Inleiding 44
    3. 2. (On)bekwaamheid van de minderjarige 45
    4. 3. Algemene principes binnen de integrale jeugdhulp 46
    5. 4. Het DRM 46
    6. 5. De positie van ouders & opvoedingsverantwoordelijken 52
  10. 10 Jeugddelinquentie 52
    1. Afkortingen 52
    2. 1. inleiding 53
    3. 2. Jeugdcriminologische inzichten 53
    4. 3. Kinderrechtelijk kader 55
    5. 4. DJDR - historiek 56
    6. 4. DJDR – onderscheid met VOS 56
    7. 4. DJDR – principes 57
    8. 5. Procedure – schema 59
    9. 5. Procedure - algemeen 59
    10. 5. Procedure – niveau OM 59
    11. 5. Procedure – niveau jeugdrechter en jeugdrechtbank 61
    12. 5. Procedure – voorbereidende fase 62
    13. 5. Procedure – fase ten gronde 63
    14. 5. Procedure – criteria JR en JRB 64
    15. 6. Capita selecta 64
  11. 11 Voorzieningen 65
    1. 5.1. Private voorzieningen jeugdhulp 65
    2. 5.1.5. crisishulp aan huis (cah) 65
    3. 5.1.6. Ondersteuningsteam allochtonen (OTA) 65
    4. 5.2. Meldpunt crisishulp 65
    5. 5.2.1. Werking 65
  12. 12 RMi: toerekeingsvoorwaarden (meerkeuze) 66
    1. 1. Toekenningsvoorwaarden 66
    2. 1.1. Verblijfplaats 66
    3. 1.1.1. Verblijf in het buitenland 66
    4. 1.1.1.1. Voorbeelden 67
    5. 1.1.1.2. Bij niet verwittiging 67
    6. 1.2. Leeftijdsvoorwaarde 67
    7. 1.3. Nationaliteit 68
    8. 1.4. Bestaansmiddelen 68
    9. 1.5. Werkbereidheid 68
    10. 1.5.1. Gezondheidsredenen 69
    11. 1.5.2. Billijkheidsredenen 69
    12. 1.6. Het uitputten van rechten 69
    13. 1.6.1. Rechten op onderhoudsgelden laten gelden 69
    14. 1.6.2. Voorwaarde versus belangen van de betrokkene 70
  13. 13 leefloon 70
    1. 2. Leefloon 70
    2. 2.1. Categorieën 70
    3. 2.1.1. Categorie 1: samenwonenden 70
    4. 2.1.2. Categorie 2: alleenstaanden en daklozen waarmee een GPMI is afgesloten 71
    5. 2.1.3. Categorie 3: personen met een gezin ten laste 71
    6. 2.2. Bedragen leefloon (LF) 72
    7. 2.3. Het equivalent van het leefloon 72
    8. 2.4. Beslissingsbevoegdheid 72
    9. 3. Welk OCMW is territoriaal bevoegd? 3.1. Algemeen principe 73
    10. 3.2.1. Instelling 73
    11. 3.2.2. Dakloos 74
    12. 3.3. Studies voltijds leerplan 74
  14. 14 GPMI 74
    1. 4. GPMI + 4.1. Algemeen 74
    2. 4.2. Hervorming wetgeving 75
    3. 4.3. Wat is een GPMI? 75
    4. 4.4. Doel van het GPMI? 75
    5. 4.5. Hoe moet een GPMI worden opgemaakt? + 4.5.1. Voorafgaandelijke een behoefteanalyse uitvoeren 76
    6. 4.5.1. Voorafgaandelijke een behoefteanalyse uitvoeren 76
    7. 4.6. Vorm- en inhoudelijke vereisten 76
    8. 4.7. Verplicht of facultatief 77
    9. 4.8. Gezondheids- billijkheidsredenen 77
    10. 4.9. GPMI (studieproject) 78
    11. 4.9.1. Verplicht voor de jongere 78
    12. 4.9.2. Verplicht voor het OCMW? 79
    13. 4.10. Duur GPMI 79
    14. 4.11. Sanctie 79
  15. 15 berekening leefloon 79
    1. 5.1. Algemene berekeningsregels 79
    2. 5.2. Specifieke vrijgestelde bestaansmiddelen 81
    3. 5.2.1. Forfaitaire vrijstelling per categorie !!!! 81
    4. 5.3. Inkomsten uit onroerend goed (niet in beweging) 82
    5. 5.3.1. Inkomsten uit onroerend goed in het buitenland (wel in beweging) 83
    6. 5.3.2. Inkomsten uit onroerend goed met hypotheek bezwaard 83
    7. 5.3.3. Inkomsten uit onroerend goed uit huur 84
    8. 5.4. Inkomsten uit roerend goed 84
    9. 5.5. Afstand van goederen !!!!!! 85
    10. 5.6. Voordeel in natura 86
    11. 5.7. Bestandmiddelen ingeval van samenwoning – 5.7.1. Algemene principes 87
    12. 5.7.1.1. In aanmerkingneming v/d bestaansmiddelen van echtgenoot of levenspartner 87
    13. 5.7.1.2. In aanmerkingneming v/d bestaansmiddelen van de samenwonende meerderjarige ascendenten of descendenten 87
    14. 5.7.1.3. In aanmerkingneming van de bestaansmiddelen van de andere samenwonenden 87
    15. 5.7.2. Berekeningswijze 87
    16. 5.7.2.1. Aanvrager cat. 3 – woont samen met echtgenoot of levenspartner en heeft een minderjarig jaar kind ten laste 87
    17. 5.7.2.2. Aanvrager woont samen met zijn echtgenoot of een persoon waarmee hij een feitelijk gezin vormt 88
    18. 5.7.2.3. de aanvrager woont samen met zijn ouders en/of zijn meerderjarige kinderen 88
  16. 16 oefeningen leefloon 89
    1. oefening 1 89
    2. oefening 2 89
    3. oefening 3 89
    4. oefening 4 90
    5. Oefening 5 90
    6. Oefening 6 90
    7. Oefening 7 90
    8. Oefening 8 91
    9. Oefening 9 91
    10. Oefening 10 91
    11. Oefening 11 92

Infos sur le Document

Cours
Publié le
28 janvier 2026
Nombre de pages
92
Écrit en
2023/2024
Type
Resume
$8.83

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Vendu
2
Abonnés
0
Éléments
24
Dernière vente
1 mois de cela



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Vous travaillez sur vos références ?

Créez des citations précises en APA, MLA et Harvard avec notre générateur de sources gratuit.

Vous travaillez sur vos références ?

Foire aux questions