Samenvatting les 1: Inhoud en bouwstenen
Voorstelling + vak
Waarom vak neurobiologie in deze richting?
- Biopsychosociaal model
- Hulpvraag: inzicht in biologische problematiek
o Meer inzicht = gerichter handelen
- Ontwikkelingsondersteuning
o Inzicht in de ontwikkelingsnoden op basis van de neurologische groei (bv.
ADHD en ontwikkeling brein)
- Preventie en vorming: inzicht in gezondheids- en ziekteleer
o Gezonde voeding, beweging, drugs, alcohol, soa’s
Bouwstenen inleiding
Biologie? Studie van het leven
- Voedselopname
o Nodig om te bouwen en energie opwekken
- Stofwisseling
o Stoffen gebruiken om energie te produceren, kleinste bouwstenen gebruiken
om andere dingen te ontwikkelen (suikers worden omgezet in vetten), we zijn
in staat om van stoffen andere stoffen te maken → lever kan dit doen.
- Voortplanting
- Reactie op omgeving
o Heeft een langdurig effect, via epigenetica en via neuroplastisiteit, onze
genen passen zich aan aan de keuzes die we maken (wat we eten, hoeveel
stress we hebben…)
- Groei en ontwikkeling
o Specifiek in de levensloop
- Erfelijkheid
- We werken met mensen = levende wezens die aanhoudend veranderen en onder
invloed staan van de omgeving (epigenetica)
- Gezondheid is afhankelijk van de sociale klasse: beïnvloed door voeding, beweging,
aandoeningen (erfelijke belasting)
1
,Bouwstenen en celcyclus
1.De bouwstenen: groepen moleculen
- Koolhydraten
o Suikers
- Lipiden
o Vetten
o Hormonaal systeem
o Vormt de fosfolipiden = membraan van de cel (vlies rond de cel)
- Eiwitten
o Of proteïnen
o Zijn de kleinsten
o Aminozuren
o Belangrijk voor spieropbouw, herstel
o Het DNA bepaalt welke eiwitten wij produceren (eiwit vormt een weefsel,
weefsel vormt een orgaan)
- Nucleïnezuren: DNA en RNA
o Moleculen die zich in cellen bevinden
o De kern
o DNA en RNA wordt weggestopt in de celkern zodat ze
beschermd blijven
1.1Koolhydraten
- Sachariden of suikers (eindigt op (-ose)
- Brandstof opslaan (omzetten naar eiwitten en vetten)
- Monosachariden, disachariden, polysachariden: zetmeel, glycogeen → omzetting en
opslaan
o Mono = 1 sacharide, heb je nodig om energie te produceren
o Di = 2 sachariden, moet je eerst afbreken/ verknippen voor je het kan
gebruiken
o Poly = lange ketens van suiker, moet je eerst verknippen voor je ze kan
verbranden (bv aardappelen)
- Fructose = monosacharide (bv druivensuiker)
- Glycogeen = het suiker dat we te veel hebben wordt opgeslagen als glycogeen: in de
lever.
- Lever: heel veel suikers → omzetten in vet, wordt opgeslagen onderhuids en aan
onze organen.
1.2Lipiden: vetten
- Opslaan: isolatie laag
- Belangrijkste types:
o Vetzuren: kleinste eenheid van vet, kan verzadigd en onverzadigd zijn
o Vetten: in koppeling met glycerol
o Steroïden: cholesterol nodig; zorgt voor goede bloedvaten.
2
, o Fosforlipiden: heel belangrijk in het lichaam, zorgen voor de verschillende
cellen → membraan = vetwand, fosfolipiden komen allemaal rond elkaar te
liggen en zorgt ervoor dat water wordt buitengehouden en wordt
binnengehouden, ze vormen het celmembraan
- Steroïden: cholesterol is nodig: zorgt voor goede bloedvaten. Te veel cholesterol =
bloedvaten gaan vernauwen en verkalken, zorgt voor oestrogeen, meisjes die
zwaarlijvig zijn en een hoge cholesterol hebben komen vroeger in hun puberteit
doordat cholesterol oestrogeen aanmaakt.
- Vetten: verschillende ketens vetzuren gebonden aan glycerol = triglyceriden:
o Verzadigde vetten: vaste structuur
o Onverzadigde vetten: meer lopend/ oliën, de keten is niet helemaal
volgebouwd, je kan er makkelijk in knippen want er zit plaats tussen → is
makkelijker voor het lichaam, we kunnen deze beter afbreken
o Onverzadigde vetten zijn beter dan
verzadigde vetten
o Triglyceriden zijn de meest voorkomende
vetten
- Anorexiapatiënten= niet genoeg cellen om hun warm te houden → krijgen meer
beharing zodat het lichaam warm blijft.
1.3Eiwitten of proteïnen VRAAG VAN OP EXAMEN
- Essentieel voor het organisme: verschillende functies:
o Structurele eiwitten: raamwerk voor stevigheid in cellen, weefsels en organen
o Plasma- eiwitten: immunoglobuline, stollingsfactor, hemoglobine
▪ Hemoglobine = eiwit dat zuurstof vervoert, ook transporteiwit
genoemd.
▪ Immunoglobulines = veel eiwitten zijn antistoffen
▪ Plasma zit in het bloed: zitten eiwitten in
o Receptoreiwitten: info van de buitenwereld (bv. Op de lens van het oog)
o Contractiele eiwitten: beweging van spieren
o Eiwithormonen: insuline
▪ Insuline: suikergehalte op pijl houden, te veel suiker = deuren open
zetten naar de cellen zodat de suiker weg kan gaan
o Enzymen: amylase en pepsine
▪ Amylase = breekt zetmeel af, zit in speeksel
▪ Enzymen = knippen, gaat andere stoffen ‘verteren’
- Eiwitten bepalen al het functioneren van ons lichaam
- Belangrijk voor de spieraanmaak, wonden gaan beter genezen, stollingsfactoren
3
, - Bouw:
o Uit aminozuren (AZ), 20 verschillende AZ
o Keten van verschillende aminozuren = polypetideketen
▪ Peptidebinding = AZ + AZ
o Driedimensionale structuur
- Enorme variëteit aan eiwitten
- Eiwitten bestaan uit aminozuren = kleinste eenheid
- 20 aminozuren in ons lichaam (bv. Gluten)
- Aminozuren: vormen samen een keten
- Polypeptideketen = een veelheid aan aminozurenbindingen
- Eiwit = wanneer de keten groter is dan 100 aminozuren
- Polypeptidenketens: gaan zich opvouwen tot een specifieke structuur, elk eiwit heeft
zijn eigen structuur = driedimensionale structuur
- Belangrijk: eiwit moet de juiste volgorde van aminozuren hebben om de juiste
structuur te krijgen → code van het DNA bepaalt de volgorde van de aminozuren en
bepaalt de structuur van het eiwit. (EXAMENVRAAG)
Eiwitstructuur =
4
Voorstelling + vak
Waarom vak neurobiologie in deze richting?
- Biopsychosociaal model
- Hulpvraag: inzicht in biologische problematiek
o Meer inzicht = gerichter handelen
- Ontwikkelingsondersteuning
o Inzicht in de ontwikkelingsnoden op basis van de neurologische groei (bv.
ADHD en ontwikkeling brein)
- Preventie en vorming: inzicht in gezondheids- en ziekteleer
o Gezonde voeding, beweging, drugs, alcohol, soa’s
Bouwstenen inleiding
Biologie? Studie van het leven
- Voedselopname
o Nodig om te bouwen en energie opwekken
- Stofwisseling
o Stoffen gebruiken om energie te produceren, kleinste bouwstenen gebruiken
om andere dingen te ontwikkelen (suikers worden omgezet in vetten), we zijn
in staat om van stoffen andere stoffen te maken → lever kan dit doen.
- Voortplanting
- Reactie op omgeving
o Heeft een langdurig effect, via epigenetica en via neuroplastisiteit, onze
genen passen zich aan aan de keuzes die we maken (wat we eten, hoeveel
stress we hebben…)
- Groei en ontwikkeling
o Specifiek in de levensloop
- Erfelijkheid
- We werken met mensen = levende wezens die aanhoudend veranderen en onder
invloed staan van de omgeving (epigenetica)
- Gezondheid is afhankelijk van de sociale klasse: beïnvloed door voeding, beweging,
aandoeningen (erfelijke belasting)
1
,Bouwstenen en celcyclus
1.De bouwstenen: groepen moleculen
- Koolhydraten
o Suikers
- Lipiden
o Vetten
o Hormonaal systeem
o Vormt de fosfolipiden = membraan van de cel (vlies rond de cel)
- Eiwitten
o Of proteïnen
o Zijn de kleinsten
o Aminozuren
o Belangrijk voor spieropbouw, herstel
o Het DNA bepaalt welke eiwitten wij produceren (eiwit vormt een weefsel,
weefsel vormt een orgaan)
- Nucleïnezuren: DNA en RNA
o Moleculen die zich in cellen bevinden
o De kern
o DNA en RNA wordt weggestopt in de celkern zodat ze
beschermd blijven
1.1Koolhydraten
- Sachariden of suikers (eindigt op (-ose)
- Brandstof opslaan (omzetten naar eiwitten en vetten)
- Monosachariden, disachariden, polysachariden: zetmeel, glycogeen → omzetting en
opslaan
o Mono = 1 sacharide, heb je nodig om energie te produceren
o Di = 2 sachariden, moet je eerst afbreken/ verknippen voor je het kan
gebruiken
o Poly = lange ketens van suiker, moet je eerst verknippen voor je ze kan
verbranden (bv aardappelen)
- Fructose = monosacharide (bv druivensuiker)
- Glycogeen = het suiker dat we te veel hebben wordt opgeslagen als glycogeen: in de
lever.
- Lever: heel veel suikers → omzetten in vet, wordt opgeslagen onderhuids en aan
onze organen.
1.2Lipiden: vetten
- Opslaan: isolatie laag
- Belangrijkste types:
o Vetzuren: kleinste eenheid van vet, kan verzadigd en onverzadigd zijn
o Vetten: in koppeling met glycerol
o Steroïden: cholesterol nodig; zorgt voor goede bloedvaten.
2
, o Fosforlipiden: heel belangrijk in het lichaam, zorgen voor de verschillende
cellen → membraan = vetwand, fosfolipiden komen allemaal rond elkaar te
liggen en zorgt ervoor dat water wordt buitengehouden en wordt
binnengehouden, ze vormen het celmembraan
- Steroïden: cholesterol is nodig: zorgt voor goede bloedvaten. Te veel cholesterol =
bloedvaten gaan vernauwen en verkalken, zorgt voor oestrogeen, meisjes die
zwaarlijvig zijn en een hoge cholesterol hebben komen vroeger in hun puberteit
doordat cholesterol oestrogeen aanmaakt.
- Vetten: verschillende ketens vetzuren gebonden aan glycerol = triglyceriden:
o Verzadigde vetten: vaste structuur
o Onverzadigde vetten: meer lopend/ oliën, de keten is niet helemaal
volgebouwd, je kan er makkelijk in knippen want er zit plaats tussen → is
makkelijker voor het lichaam, we kunnen deze beter afbreken
o Onverzadigde vetten zijn beter dan
verzadigde vetten
o Triglyceriden zijn de meest voorkomende
vetten
- Anorexiapatiënten= niet genoeg cellen om hun warm te houden → krijgen meer
beharing zodat het lichaam warm blijft.
1.3Eiwitten of proteïnen VRAAG VAN OP EXAMEN
- Essentieel voor het organisme: verschillende functies:
o Structurele eiwitten: raamwerk voor stevigheid in cellen, weefsels en organen
o Plasma- eiwitten: immunoglobuline, stollingsfactor, hemoglobine
▪ Hemoglobine = eiwit dat zuurstof vervoert, ook transporteiwit
genoemd.
▪ Immunoglobulines = veel eiwitten zijn antistoffen
▪ Plasma zit in het bloed: zitten eiwitten in
o Receptoreiwitten: info van de buitenwereld (bv. Op de lens van het oog)
o Contractiele eiwitten: beweging van spieren
o Eiwithormonen: insuline
▪ Insuline: suikergehalte op pijl houden, te veel suiker = deuren open
zetten naar de cellen zodat de suiker weg kan gaan
o Enzymen: amylase en pepsine
▪ Amylase = breekt zetmeel af, zit in speeksel
▪ Enzymen = knippen, gaat andere stoffen ‘verteren’
- Eiwitten bepalen al het functioneren van ons lichaam
- Belangrijk voor de spieraanmaak, wonden gaan beter genezen, stollingsfactoren
3
, - Bouw:
o Uit aminozuren (AZ), 20 verschillende AZ
o Keten van verschillende aminozuren = polypetideketen
▪ Peptidebinding = AZ + AZ
o Driedimensionale structuur
- Enorme variëteit aan eiwitten
- Eiwitten bestaan uit aminozuren = kleinste eenheid
- 20 aminozuren in ons lichaam (bv. Gluten)
- Aminozuren: vormen samen een keten
- Polypeptideketen = een veelheid aan aminozurenbindingen
- Eiwit = wanneer de keten groter is dan 100 aminozuren
- Polypeptidenketens: gaan zich opvouwen tot een specifieke structuur, elk eiwit heeft
zijn eigen structuur = driedimensionale structuur
- Belangrijk: eiwit moet de juiste volgorde van aminozuren hebben om de juiste
structuur te krijgen → code van het DNA bepaalt de volgorde van de aminozuren en
bepaalt de structuur van het eiwit. (EXAMENVRAAG)
Eiwitstructuur =
4