Basisboek hoofdstuk 6
Verval en verhang (95)
Rivier begint hoog in bergen of heuvels = bovenloop. Benedenloop =
rivier ligt in laagland en eindigt vaak in zee. In het midden =
middenloop. Doorsnede van rivier van bron tot monding =
lengteprofiel.
2 plaatsen aan een rivier liggen nooit op dezelfde hoogte ten opzichte van
zeeniveau. Het hoogteverschil tussen deze 2 plaatsen = verval. Verval
per kilometer = verhang.
Geologie (117)
Geologie = wetenschap die zich bezighoudt met het ontstaan van
veranderingen van de aardkorst, zoals platentektoniek, verwering en
erosie. Geologische tijdschaal = geologische geschiedenis is verdeeld
in een aantal tijdperken die zijn onderverdeeld in perioden en tijdvakken.
Om na te gaan uit welke geologische periode een deel van de aardkorst
stamt: fossielen = versteende resten of afdrukken van planten en dieren
die in de aardkorst zijn bewaard.
IJstijden (118)
In koudere periode in geschiedenis daalde gemiddelde temperatuur met
5 graden en viel meer sneeuw in winter dan in zomer smolt. Door
sneeuwdek meer weerkaatsing van zonnestralen = albedo, daardoor nog
kouder. De sneeuw hoopte zich op tot ijs, daardoor gletsjers. Glaciaal of
ijstijd = koude periode waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen
vormen. IJstijden duren 80.000 tot 100.000 jaar. Perioden tussen ijstijden
waar het klimaat weer opwarmde = interglaciaal. Interglaciaal duurt
10.000 tot 20.000 jaar.
Glaciale landschapsvormen (120)
Gletsjers en landijs zorgen voor erosie, daardoor ontstaan verschillende
glaciale landschapsvormen:
Morene bestaat uit puin dat door een gletsjer is vervoerd.
Bij zijmorene ligt puin aan zijkanten van gletsjer.
Middenmorene ontstaat op punt dat 2 gletsjers samenkomen.
Eindmorene bestaat uit puin dat gletsjer in ijs heeft meegenomen
en als een soort lopende band heeft neergelegd. Aan het eind van
de gletsjertong smelt dit materiaal uit en valt op de grond.
Grondmorene bestaat uit sediment onder het ijs en achterblijft
als gletsjer of landijs smelt. Voorbeeld: keileem = een mengsel van
tot leem vermalen keien en stenen.
Verval en verhang (95)
Rivier begint hoog in bergen of heuvels = bovenloop. Benedenloop =
rivier ligt in laagland en eindigt vaak in zee. In het midden =
middenloop. Doorsnede van rivier van bron tot monding =
lengteprofiel.
2 plaatsen aan een rivier liggen nooit op dezelfde hoogte ten opzichte van
zeeniveau. Het hoogteverschil tussen deze 2 plaatsen = verval. Verval
per kilometer = verhang.
Geologie (117)
Geologie = wetenschap die zich bezighoudt met het ontstaan van
veranderingen van de aardkorst, zoals platentektoniek, verwering en
erosie. Geologische tijdschaal = geologische geschiedenis is verdeeld
in een aantal tijdperken die zijn onderverdeeld in perioden en tijdvakken.
Om na te gaan uit welke geologische periode een deel van de aardkorst
stamt: fossielen = versteende resten of afdrukken van planten en dieren
die in de aardkorst zijn bewaard.
IJstijden (118)
In koudere periode in geschiedenis daalde gemiddelde temperatuur met
5 graden en viel meer sneeuw in winter dan in zomer smolt. Door
sneeuwdek meer weerkaatsing van zonnestralen = albedo, daardoor nog
kouder. De sneeuw hoopte zich op tot ijs, daardoor gletsjers. Glaciaal of
ijstijd = koude periode waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen
vormen. IJstijden duren 80.000 tot 100.000 jaar. Perioden tussen ijstijden
waar het klimaat weer opwarmde = interglaciaal. Interglaciaal duurt
10.000 tot 20.000 jaar.
Glaciale landschapsvormen (120)
Gletsjers en landijs zorgen voor erosie, daardoor ontstaan verschillende
glaciale landschapsvormen:
Morene bestaat uit puin dat door een gletsjer is vervoerd.
Bij zijmorene ligt puin aan zijkanten van gletsjer.
Middenmorene ontstaat op punt dat 2 gletsjers samenkomen.
Eindmorene bestaat uit puin dat gletsjer in ijs heeft meegenomen
en als een soort lopende band heeft neergelegd. Aan het eind van
de gletsjertong smelt dit materiaal uit en valt op de grond.
Grondmorene bestaat uit sediment onder het ijs en achterblijft
als gletsjer of landijs smelt. Voorbeeld: keileem = een mengsel van
tot leem vermalen keien en stenen.