INLEIDING
BASISBEGRIPPEN UIT D E FARMACOLOGIE
Farmacologie = de studie van geneesmiddelen
Farmacodynamiek (FD) = hoe geneesmiddelen een effect hebben op het lichaam
Hoe bindt een geneesmiddel op een receptor, wat zijn de effecten en bijwerkingen daarvan..
Agonist: Geneesmiddel bindt op receptor en stimuleert deze.
Antagonist: Geneesmiddel bindt op receptor en blokkeert deze.
Partiële agonist: Geneesmiddel bindt op de receptor en stimuleert deze, maar niet zo sterk
als een volle agonist.
Reversibel/irreversibel: Soms binden geneesmiddelen aan een enzyme/receptor en wordt
deze irreversibel geblokkeerd à er moeten in de cellen nieuwe worden aangemaakt om weer
te werken. Een reversibele binding betekent dat de receptor/het enzyme tijdelijk wordt
geblokkeerd of gestimuleerd, waarna het geneesmiddel losgekoppeld wordt en de normale
werking wordt verdergezet.
Farmacokinetiek (FK) = hoe het lichaam een effect heeft op het geneesmiddel
Wat gebeurt er met een geneesmiddel vanaf de opname tot het verwijderen uit het lichaam?
4 belangrijke processen: absorptie, distributie, metabolisatie, eliminatie (ADME-processen)
Toedieningswegen: oraal/per os (p.o.), intraveneus (IV), intramusculair (IM), rectaal,
subcutaan (SC), …
Galenische vormen: Verschillende mogelijkheden per toedieningsvorm/-weg.
Voorbeelden: Pillen, tabletten, dranken à allemaal p.o.
Halfwaardetijd (T1/2el) = tijd die nodig is om de helft van het geneesmiddel uitgescheiden te
hebben.
Hoe hoger, hoe langer aanwezig in het lichaam.
Klassiek zeggen we dat als je 5 halfwaardetijden voorbij bent, de dosis volledig uit het
lichaam verwijderd is.
Magistrale bereiding = bereiding van geneesmiddelen door de apotheker zelf in de apotheek.
Laat toe om de patiënt een gepersonaliseerd geneesmiddel te geven. Vaak ook goedkoper voor de
patiënt.
1
, Farmacologie
VOORSCHRIJFRECHT
Medicatie die wij mogen voorschrijven:
1) Normale fysiologische zwangerschap
Foliumzuur 0,4 – 4mg
IJzerpreparaten
Metoclopramide 10 mg of 1mg/mL siroop
Paracetamol tabletten van 0,5 of 1 g, zetpillen van 600 mg
Anti-infectieuze vaginale crèmes en ovules
Nitrofurantoïne 50 en 100 mg
Influenza, DTP & Anti-rho – vaccins
Omeprazole 20 mg & Ranitidine 150mg
Gemicroniseerde progesteron : 200 mg.
2) Tijdens de verlossing
Lidocaïnehydrochloride 1 à 2%
Mepivacaïne chloorhydraat
Oxytocine
Penicilline G / Amoxicilline
3) Post-partum
Oxytocine
Misoprostol tabletten: 0,2mg (rect/oraal)
Pijnstilling: NSAIDs (Diclofenac 75mg tabletten & 100mg zetpillen, Ibuprofen 200 en 400
mg tabletten) Paracetamol
Mycosen & infecties:
Moeder: Antimycotica en/of antibacteriële crème
Baby: Nystatine suspensie en miconazol gel
Vitamine K1 ampul
Anti-Rho immunoglobuline ampul à zie
zwangerschap
Hepatitis B vaccin
Cabergoline tabletten
Orale hormonale contraceptiva:
Zuiver progestageen tijdens borstvoeding
Oestro-progestageen obv ethinyl-estradiol, 20µg zonder progestatif van de 4e generatie
4) Urgentietrousse
Medische zuurstof + toedieningsmateriaal (Mayo canule)
Steriele kompressen en verbanden
Infusen: Fysiologische serum, Plasma expander
Misoprostol tabletten 1 doos & Max 5 ampulles oxytocine
15-methyl-F2-a-prostaglandine (of carboprost): IM (2 ampullen)
Adrenaline (Epipen®)
2
, Farmacologie
AUTONOOM ZENUWSTELSEL
Neuron: je hebt u zenuwbanen en je krijgt een signaal door (bv arm omhoog doen) bloedbaan is niet
betrokken bij dit systeem. Signaal wordt doorgegeven via actiepotentiaal dat die door neuron gaat,
als die op een neuron komt komen er neurotransmitters vrij
Neurotransmitters gaan communiceren tussen neuronen.
Algemene werking:
1. Opname van precursoren.
2. Synthese van de neurotransmitter.
3. Opname/transport van de neurotransmitter in vesikels.
4. Afbraak van overtollige neurotransmitters.
5. Depolarisatie geïnduceerd door een aankomend actiepotentiaal.
6. Influx van Ca²⁺ als reactie op depolarisatie.
7. Vrijgave van neurotransmitter door exocytose.
8. Diffusie naar de postsynaptische membraan
9. Interactie met postsynaptische receptoren.
10. Inactivatie van de neurotransmitter.
11. Heropname van de neurotransmitter of afbraakproducten door zenuwuiteinden.
12. Opname en vrijgave van neurotransmitter door niet-neuronale cellen.
13. Interactie met presynaptische receptoren.
Somatische zenuwstelsel (bewust)
Autonoom zenuwstelsel
(onbewust)
3
, Farmacologie
Autonoom = ademen bv
Somatisch = ik ga men arm omhoog doen
Er zijn zenuwcellen die zeggen er moet nu iets geactiveerd worden of er moet nu iets afgeremd
worden.
- Sympatisch = activeren (noradrenaline, hartritme stijgt, bloeddruk stijgt)
- Parasympatisch = remmen (hartritme daalt, bloeddruk daalt, acetylcholine)
Adrenaline is een hormoon (gaat vrijgesteld worden in de bloedbaan). Noradrenaline is een
neurotransmitter (gaat tussen neuronen bewegen)
4