Inleiding in de filosofie
COLLEGE 1
Pritchard deel 1
Ethiek: wat is ethisch, moreel, goed/kwaad
Logica: kwaliteit argumentatie
Epistemologie: kennisfilosofie/ kennisleer, weten vs. mening wat is kennis? Wat
kan ik weten?
→procedurele kennis: kunnen, vaardigheid
→Propositionele kennis: kennen, beelden, gedachten
Belief: ik geloof het
True belief: het is ook zo
Justified true belief: ik heb er een reden voor
Extra: Het is niet per ongeluk toch waar (Gettier: hij vond alleen reden hebben
niet genoeg)
Instrumentele waarde: iets is waardevol als middel tot een doel (kennis is
nuttig voor overleven
Intrinsieke waarde: iets is waardevol op zichzelf (kennis is waardevol op
zichzelf)(pritchard)
Kennisaanspraak: Een overtuiging die beweert waar te zijn en als kennis wil
gelden
Rechtvaardiging (justification): Goede redenen waarom je iets gelooft
Beoordelen: Je onderzoekt: is het waar, betrouwbaar, logisch, goed
onderbouwd?
Kwantiteit redenen: hoeveel? / Kwaliteit redenen: hoe goed?
Kennisuitspraak→ welke reden→ waarom die reden?→ waarom die reden. Dit
wordt een oneindige keten dus Pritchard bedacht deze theorieën als oplossing
naar dit probleem:
→Coherentisme (netwerkstructuur): Een overtuiging is gerechtvaardigd als het
past in een geheel aan samenhangende overtuigingen. Er is geen absoluut
fundament. Je hebt meerdere samenhangende (coherente) redenen die elkaar
versterken en logisch zijn.
→Fundamentisme (ankerstructuur): Sommige overtuigingen zijn fundamenteel
door directe waarneming, en daar bouw je andere overtuigingen op.
Functionele rationaliteit: gericht op efficiëntie, doelmatigheid (bereik het zijn
doel?)
Epistemische rationaliteit: gericht op kennis, waarheid (is het waar?)
→Deontische epistemische rationaliteit: handelen binnen jou eigen
perspectief/denkkader. Je doet wat je moet doen omdat jij alleen deze kennis
hebt. Dat is ook een plicht
→ Epistemisch internalisme: als je handelt naar je beste weten zijn je
overtuigingen gerechtvaardig
→Non-deontische epistemische rationaliteit: je gebruikt een onbetrouwbare
bron, maar je overtuiging is feitelijk waar.
→Epistemisch externalisme: overtuiging alleen rechtvaardigt als het in
werkelijkheid tot de waarheid leidt
, Cognitive Faculties: mentale vermogens waarmee we kennis opdoen
(geheugen)
Epistemis Virtues: Goede karaktereigenschappen (eerlijkheid)
COLLEGE 2
Pritchard deel 2
Rationalisten beredeneren kennis
Empiristen doen waarneming aan voorloper van kennis
Waarnemingen kunnen je sturen aan de hand van je emoties (als je honger hebt
zie je winkels) : zijn waarnemingen dan niet soms subjectief?
Indirect Realisme: Combinatie van iets wat wij zien en wat wij ervan maken
(waarneming die je krijgt van als je iets ziet)
John Lock ( Alle kennis wordt opgedaan door ervaring. Als we worden geborden
hebben we geen kennis
→Primaire Kwaliteiten: van een object zelf (omvang/vorm)
→Secundaire kwaliteiten: niet objectief (kleur/smaak)
Idealisme
Gearge Berkley (1685-1753) Bestaat er eigenlijk wel iets, je kan primair en
secundair niet los van elkaar zien. Werkelijkheid bestaat enkel in waarneming,
bestaan is waargenomen worden (iets kan alleen maar bestaan als het
waargenomen wordt door iemand, maar omdat god alles ziet blijft alles bestaan)
Transcendentaal Idealisme: samenspel ervaring (ratio) en reden (emperi).
Alles word in categorieën geplaatst
Immanuel Kant (1724-1804)
Direct Realisme: de wereld is gewoon zoals je het waarneemt en zo is het ook,
geen tussenliggende ideeën
Getuigenis
Bij indirecte kennis: Reden voor de gedachte is de autoriteit, het gezag, de
betrouwbaarheid
van de bron of de getuige.
Vertrouwen op een bron is geen kennis. Ik moet toetsen of de bron de waarheid
spreekt
Hoe kan je dat toetsen?
- Al zijn denken hierop controleren (dan is het geenindirecte kennis meer)
reductionism
- Een deel controleren
e
- Alleen controleren bij contradicties credulisme
A priori: kennis door theorie (Pritchard: dat geldt ook voor kennis over jezelf)
A posteriori: kennis door waarneming
Deductie: van algemeen naar specifiek (alle mensen sterfelijk, ik ben mens, ik
ben sterfelijk)
COLLEGE 1
Pritchard deel 1
Ethiek: wat is ethisch, moreel, goed/kwaad
Logica: kwaliteit argumentatie
Epistemologie: kennisfilosofie/ kennisleer, weten vs. mening wat is kennis? Wat
kan ik weten?
→procedurele kennis: kunnen, vaardigheid
→Propositionele kennis: kennen, beelden, gedachten
Belief: ik geloof het
True belief: het is ook zo
Justified true belief: ik heb er een reden voor
Extra: Het is niet per ongeluk toch waar (Gettier: hij vond alleen reden hebben
niet genoeg)
Instrumentele waarde: iets is waardevol als middel tot een doel (kennis is
nuttig voor overleven
Intrinsieke waarde: iets is waardevol op zichzelf (kennis is waardevol op
zichzelf)(pritchard)
Kennisaanspraak: Een overtuiging die beweert waar te zijn en als kennis wil
gelden
Rechtvaardiging (justification): Goede redenen waarom je iets gelooft
Beoordelen: Je onderzoekt: is het waar, betrouwbaar, logisch, goed
onderbouwd?
Kwantiteit redenen: hoeveel? / Kwaliteit redenen: hoe goed?
Kennisuitspraak→ welke reden→ waarom die reden?→ waarom die reden. Dit
wordt een oneindige keten dus Pritchard bedacht deze theorieën als oplossing
naar dit probleem:
→Coherentisme (netwerkstructuur): Een overtuiging is gerechtvaardigd als het
past in een geheel aan samenhangende overtuigingen. Er is geen absoluut
fundament. Je hebt meerdere samenhangende (coherente) redenen die elkaar
versterken en logisch zijn.
→Fundamentisme (ankerstructuur): Sommige overtuigingen zijn fundamenteel
door directe waarneming, en daar bouw je andere overtuigingen op.
Functionele rationaliteit: gericht op efficiëntie, doelmatigheid (bereik het zijn
doel?)
Epistemische rationaliteit: gericht op kennis, waarheid (is het waar?)
→Deontische epistemische rationaliteit: handelen binnen jou eigen
perspectief/denkkader. Je doet wat je moet doen omdat jij alleen deze kennis
hebt. Dat is ook een plicht
→ Epistemisch internalisme: als je handelt naar je beste weten zijn je
overtuigingen gerechtvaardig
→Non-deontische epistemische rationaliteit: je gebruikt een onbetrouwbare
bron, maar je overtuiging is feitelijk waar.
→Epistemisch externalisme: overtuiging alleen rechtvaardigt als het in
werkelijkheid tot de waarheid leidt
, Cognitive Faculties: mentale vermogens waarmee we kennis opdoen
(geheugen)
Epistemis Virtues: Goede karaktereigenschappen (eerlijkheid)
COLLEGE 2
Pritchard deel 2
Rationalisten beredeneren kennis
Empiristen doen waarneming aan voorloper van kennis
Waarnemingen kunnen je sturen aan de hand van je emoties (als je honger hebt
zie je winkels) : zijn waarnemingen dan niet soms subjectief?
Indirect Realisme: Combinatie van iets wat wij zien en wat wij ervan maken
(waarneming die je krijgt van als je iets ziet)
John Lock ( Alle kennis wordt opgedaan door ervaring. Als we worden geborden
hebben we geen kennis
→Primaire Kwaliteiten: van een object zelf (omvang/vorm)
→Secundaire kwaliteiten: niet objectief (kleur/smaak)
Idealisme
Gearge Berkley (1685-1753) Bestaat er eigenlijk wel iets, je kan primair en
secundair niet los van elkaar zien. Werkelijkheid bestaat enkel in waarneming,
bestaan is waargenomen worden (iets kan alleen maar bestaan als het
waargenomen wordt door iemand, maar omdat god alles ziet blijft alles bestaan)
Transcendentaal Idealisme: samenspel ervaring (ratio) en reden (emperi).
Alles word in categorieën geplaatst
Immanuel Kant (1724-1804)
Direct Realisme: de wereld is gewoon zoals je het waarneemt en zo is het ook,
geen tussenliggende ideeën
Getuigenis
Bij indirecte kennis: Reden voor de gedachte is de autoriteit, het gezag, de
betrouwbaarheid
van de bron of de getuige.
Vertrouwen op een bron is geen kennis. Ik moet toetsen of de bron de waarheid
spreekt
Hoe kan je dat toetsen?
- Al zijn denken hierop controleren (dan is het geenindirecte kennis meer)
reductionism
- Een deel controleren
e
- Alleen controleren bij contradicties credulisme
A priori: kennis door theorie (Pritchard: dat geldt ook voor kennis over jezelf)
A posteriori: kennis door waarneming
Deductie: van algemeen naar specifiek (alle mensen sterfelijk, ik ben mens, ik
ben sterfelijk)