DEEL 1: De filosofische grondslagen van kennis en
wetenschap
1. Plato over a priori kennis
Voor Plato is ware kennis iets dat:
Altijd waar is (onveranderlijk)
Niet afhankelijk is van zintuigen a priori
Altijd geldt, ongeacht tijd of plaats
Kennis = ware, verantwoorde overtuiging (waarheid, rechtvaardiging en
overtuiging)
Plato maakt een duidelijk onderscheid tussen:
Mening (doxa): gebaseerd op zintuigen, veranderlijk, onzeker
Kennis (epistèmè): gebaseerd op de rede, onveranderlijk, betrouwbaar
Twee werelden visie – De ideeënleer
Plato's bekendste concept is de ideeënleer (of vormenleer), deze vormt volgens
hem de basis van rechtvaardiging voor kennis:
1. De zintuiglijke wereld (wereld van de schijn)
Alles wat we met onze zintuigen waarnemen
Tijdelijk, veranderlijk, onvolmaakt
Voorbeeld: een boom groeit, vergaat, verandert van vorm → geen vaste
kennis mogelijk
2. De ideeënwereld (wereld van het ware zijn)
Onzichtbare wereld van ideale vormen of ideeën
Eeuwig, onveranderlijk, volmaakt
Hier vind je de ware kennis
Voorbeeld: het idee “Boom” is de perfecte, onveranderlijke vorm van alle
bomen
Kennis is dus geen waarneming, maar herinnering van de ideeën die onze ziel al
kende vóór onze geboorte.
Meno-paradox
Wie kennis heeft, hoeft er niet naar opzoek te gaan
Wie geen kennis heeft, weet niet naar wat hij opzoek moet gaan
=> de zoektocht naar kennis is ofwel overbodig, ofwel onmogelijk
Oplossing van Plato: de antwoorden bezitten we al in onze ziel, we moeten enkel
deze a priori kennis kunnen activeren om ze te kunnen herinneren.
Anamnese – Kennis is herinnering
Plato geloofde dat de ziel onsterfelijk is en vóór de geboorte in de
ideeënwereld heeft geleefd. Kennis verwerven is dus geen leren, maar
herinneren (Grieks: anamnèsis).
Voorbeeld: Als je iemand iets leert, help je hem eigenlijk zich iets te herinneren
dat zijn ziel al wist.
De allegorie van de grot
Plato legt zijn kennisleer uit via de beroemde grotallegorie (in zijn werk De Staat):
1
wetenschap
1. Plato over a priori kennis
Voor Plato is ware kennis iets dat:
Altijd waar is (onveranderlijk)
Niet afhankelijk is van zintuigen a priori
Altijd geldt, ongeacht tijd of plaats
Kennis = ware, verantwoorde overtuiging (waarheid, rechtvaardiging en
overtuiging)
Plato maakt een duidelijk onderscheid tussen:
Mening (doxa): gebaseerd op zintuigen, veranderlijk, onzeker
Kennis (epistèmè): gebaseerd op de rede, onveranderlijk, betrouwbaar
Twee werelden visie – De ideeënleer
Plato's bekendste concept is de ideeënleer (of vormenleer), deze vormt volgens
hem de basis van rechtvaardiging voor kennis:
1. De zintuiglijke wereld (wereld van de schijn)
Alles wat we met onze zintuigen waarnemen
Tijdelijk, veranderlijk, onvolmaakt
Voorbeeld: een boom groeit, vergaat, verandert van vorm → geen vaste
kennis mogelijk
2. De ideeënwereld (wereld van het ware zijn)
Onzichtbare wereld van ideale vormen of ideeën
Eeuwig, onveranderlijk, volmaakt
Hier vind je de ware kennis
Voorbeeld: het idee “Boom” is de perfecte, onveranderlijke vorm van alle
bomen
Kennis is dus geen waarneming, maar herinnering van de ideeën die onze ziel al
kende vóór onze geboorte.
Meno-paradox
Wie kennis heeft, hoeft er niet naar opzoek te gaan
Wie geen kennis heeft, weet niet naar wat hij opzoek moet gaan
=> de zoektocht naar kennis is ofwel overbodig, ofwel onmogelijk
Oplossing van Plato: de antwoorden bezitten we al in onze ziel, we moeten enkel
deze a priori kennis kunnen activeren om ze te kunnen herinneren.
Anamnese – Kennis is herinnering
Plato geloofde dat de ziel onsterfelijk is en vóór de geboorte in de
ideeënwereld heeft geleefd. Kennis verwerven is dus geen leren, maar
herinneren (Grieks: anamnèsis).
Voorbeeld: Als je iemand iets leert, help je hem eigenlijk zich iets te herinneren
dat zijn ziel al wist.
De allegorie van de grot
Plato legt zijn kennisleer uit via de beroemde grotallegorie (in zijn werk De Staat):
1