© 2026 – Kato Van de Velde
Frans vocabulaire:
vocabulaire:
2. le baccalauréat en droit:
une administration een administratie
une agence immobilière een immo - kantoor
une association een vereniging
une avocat een advocaat
une banque een bank
un cabinet d’avocat een advocatenkantoor
une communauté een gemeenschap
une commune een gemeente
une compagnie d’assurances een verzekeringsmaatschappij
un consommateur een consument
un contentieux een geschil
un CPAS een OCMW
un débouché een afzetmarkt / toekomstmogelijkheden
une enterprise een bedrijf
une étude notariale een notariskantoor
une fiduciaire een administratiekantoor
une formation een opleiding
un huissier de justice een gerechtsdeurwaarder
une institution een instelling
une langue een taal
une médiation een bemiddeling
un notaire een notaris
une organisation een organisatie
une PME een KMO
une profession libérale een vrij beroep
une province een provincie
une région een gewest
un secrétariat social een sociaal secretariaat
un secteur een sector
un service clientèle een klantendienst
un service de médiation een bemiddelingsdienst
un service du personnel een personeelsdienst
un service public een overheidsdienst
un syndicat een vakbond
4. les différentes branches du droit:
une administration publique een administratie / bestuur
1
, © 2026 – Kato Van de Velde
applicable à van toepassing op
une autorité een macht / gezag / overheid
concerner betreffen
une constitution een grondwet
déterminer bepalen / vastleggen
émettre uitbrengen
un employeur een werkgever
être considéré comme beschouwd worden als
une fixation een vastlegging
un impôt een belasting
une infraction een overtreding
une peine een straf
public / publique openbaar / overheids- / staats-
un rapport een verhouding
un recouvrement een inning
régir regelen
relever de deel uitmaken van / behoren tot
s’appliquer à van toepassing zijn op
un salarié een werknemer / loontrekkende
un pouvoir public een overheid
8. la Belgique et ses institutions politiques:
un chef d’Etat een staatshoofd
constituer vormen / samenstellen
élaborer uitwerken
élire (ver)kiezen
une séparation des pouvoirs een scheiding der machten
un abus de pouvoir machtsmisbruik
confier à toevertrouwen aan
une cour een hof
exécutif uitvoerend
judiciaire rechterlijk
législatif wetgevend
un litige een geschil
promulguer uitvaardigen / openbaar maken
répartir verdelen
statuer sur uitspraak doen over
un tribunal een rechtbank
voter stemmen
une élection een verkiezing
une filiation een afstamming
un gouvernement een regering
une indépendance onafhankelijkheid
une monarchie een koninkrijk
une république een republiek
exercer un pouvoir macht uitoefenen
représenter vertegenwoordigen
consécutif opeenvolgend
un électeur een kiezer
2
Frans vocabulaire:
vocabulaire:
2. le baccalauréat en droit:
une administration een administratie
une agence immobilière een immo - kantoor
une association een vereniging
une avocat een advocaat
une banque een bank
un cabinet d’avocat een advocatenkantoor
une communauté een gemeenschap
une commune een gemeente
une compagnie d’assurances een verzekeringsmaatschappij
un consommateur een consument
un contentieux een geschil
un CPAS een OCMW
un débouché een afzetmarkt / toekomstmogelijkheden
une enterprise een bedrijf
une étude notariale een notariskantoor
une fiduciaire een administratiekantoor
une formation een opleiding
un huissier de justice een gerechtsdeurwaarder
une institution een instelling
une langue een taal
une médiation een bemiddeling
un notaire een notaris
une organisation een organisatie
une PME een KMO
une profession libérale een vrij beroep
une province een provincie
une région een gewest
un secrétariat social een sociaal secretariaat
un secteur een sector
un service clientèle een klantendienst
un service de médiation een bemiddelingsdienst
un service du personnel een personeelsdienst
un service public een overheidsdienst
un syndicat een vakbond
4. les différentes branches du droit:
une administration publique een administratie / bestuur
1
, © 2026 – Kato Van de Velde
applicable à van toepassing op
une autorité een macht / gezag / overheid
concerner betreffen
une constitution een grondwet
déterminer bepalen / vastleggen
émettre uitbrengen
un employeur een werkgever
être considéré comme beschouwd worden als
une fixation een vastlegging
un impôt een belasting
une infraction een overtreding
une peine een straf
public / publique openbaar / overheids- / staats-
un rapport een verhouding
un recouvrement een inning
régir regelen
relever de deel uitmaken van / behoren tot
s’appliquer à van toepassing zijn op
un salarié een werknemer / loontrekkende
un pouvoir public een overheid
8. la Belgique et ses institutions politiques:
un chef d’Etat een staatshoofd
constituer vormen / samenstellen
élaborer uitwerken
élire (ver)kiezen
une séparation des pouvoirs een scheiding der machten
un abus de pouvoir machtsmisbruik
confier à toevertrouwen aan
une cour een hof
exécutif uitvoerend
judiciaire rechterlijk
législatif wetgevend
un litige een geschil
promulguer uitvaardigen / openbaar maken
répartir verdelen
statuer sur uitspraak doen over
un tribunal een rechtbank
voter stemmen
une élection een verkiezing
une filiation een afstamming
un gouvernement een regering
une indépendance onafhankelijkheid
une monarchie een koninkrijk
une république een republiek
exercer un pouvoir macht uitoefenen
représenter vertegenwoordigen
consécutif opeenvolgend
un électeur een kiezer
2