Samenvatting
Minor dyslexie signalering en
begeleiding
1
,Inhoudsopgave
Brede vakinhoudelijke richtlijn dyslexie.................................................................................4
Hoofdstuk 1:....................................................................................................................... 4
1.1 Definities van dyslexie.............................................................................................. 4
1.2 Ernstige dyslexie (ED)............................................................................................... 5
1.3 Dyslexie volgens het sociale model...........................................................................5
1.4 Dyslexie volgens het biopsychosociale model: ICF....................................................5
1.5 Symptomen van dyslexie.......................................................................................... 6
1.6 Verklaringsmodellen voor dyslexie............................................................................8
1.7 Comborditeit en alternative verklaringen voor lees- en/of spellingproblemen..........8
1.8 Hoogbegaafdheid en dyslexie...................................................................................8
Hoofdstuk 2........................................................................................................................ 9
2.1 Signalering in verschillende onderwijsfasen..............................................................9
2.2 Signalering door toetsing, observatie en monitoring.................................................9
Hoofdstuk 3...................................................................................................................... 11
3.1 Het diagnostisch proces..........................................................................................11
Tussendoelen beginnende geletterdheid.............................................................................14
Overzicht tussendoelen gevorderde geletterdheid..............................................................16
Kind en taal......................................................................................................................... 21
Wat is taal?....................................................................................................................... 21
Taalinhoud.................................................................................................................... 21
Taalverwerving.............................................................................................................. 21
Taalgebruik................................................................................................................... 22
Taalvorm....................................................................................................................... 22
Taalontwikkeling.............................................................................................................. 23
0 tot 6 maanden............................................................................................................ 23
6 tot 12 maanden.......................................................................................................... 23
1 jaar............................................................................................................................. 24
18 tot 24 maanden........................................................................................................ 24
2 tot 3 jaar.................................................................................................................... 24
3 tot 4 jaar.................................................................................................................... 25
Taal en lezen.................................................................................................................... 25
Het belang van leren lezen............................................................................................25
Wanneer beginnen?...................................................................................................... 25
Kennis maken met geschreven taal..............................................................................26
Voorlezen......................................................................................................................... 26
2
,Handelingsgericht werken................................................................................................... 28
Hoofdstuk 2...................................................................................................................... 28
2.1 Inleiding.................................................................................................................. 28
2.2 HGW is doelgericht.................................................................................................. 28
2.3 Het gaat om wisselwerking en afstemming.............................................................29
2.4 Onderwijsbehoeften staan centraal.........................................................................30
2.5 Leerkrachten maken het verschil, ouders doen er evenzeer toe.............................31
2.6 Positieve aspecten van leerlingen, leerkrachten en ouders zijn van groot belang...32
2.7 Betrokkenen werken constructief samen................................................................34
2.8 De werkwijze is systematisch en transparant..........................................................36
2.9 Ter afronding........................................................................................................... 37
Kennisclips........................................................................................................................... 38
3
,BREDE VAKINHOUDELIJKE RICHTLIJN DYSLEXIE
HOOFDSTUK 1:
Lezen en spellen zijn cruciale vaardigheden om te kunnen functioneren in onze
samenleving. Er wordt gezegd dat ongeveer 10-15% van de volwassen
Nederlanders laaggeletterd is.
1.1 DEFINITIES VAN DYSLEXIE
Er zijn verschillende definities van dyslexie. Deze definities komen in grote lijnen
met elkaar overeen. Bij alle definities wordt gezegd dat dyslexie wordt gezien als
een lees- en/of spellingprobleem dat ernstig en hardnekkig is en dat
gedifferentieerd dient te worden van laaggeletterdheid als gevolg van een
gebrekkig onderwijsaanbod en als gevolg van een bredere omgevings-,
neurologische, sensorische en/of gedragsproblematiek of verstandelijke
beperkingen. Er zijn ook verschillen tussen de definities:
- Sommige definities benoemen ook de onderliggende problemen, terwijl
andere definities hier niet naar kijken.
- Bij andere definities is leesproblemen noodzakelijk voor de diagnose.
In de DSM-5 is er geen specifieke categorie voor dyslexie opgenomen, maar wordt
dyslexie gerangschikt en gedefinieerd binnen de categorie ‘specifieke
leerstoornis’, met als specificatie ‘beperking’ in het woordlezen en/of
spellingvaardigheden. Bij de DSM-5 valt dyslexie onder de neurobiologische
ontwikkelingsstoornissen. Als de criteria van een ‘specifieke leerstoornis’ uit de
DSM-5 toegepast worden op het fenomeen dyslexie als volgt worden gedefinieerd:
1. Moeite met het aanleren en gebruiken van lees- en/of spellingvaardigheden.
Er moet minstens 1 van de volgende symptomen gedurende minstens zes
maanden aanwezig zijn.
a. Onnauwkeurig of langzaam en moeizaam lezen van woorden
b. Moeite met spelling
2. De schoolse vaardigheden zijn substantieel en meetbaar slechter ontwikkeld
dan gezien de kalenderleeftijd verwacht mag worden van het kind. Dit heeft
dan een negatieve invloed op de schoolresultaten en werkprestaties.
3. De leerproblemen beginnen tijdens de schooljaren. Deze komen pas tot
uiting op het moment dat de betreffende schoolse vaardigheden zwaarder
belast worden dan dat het kind aankan.
4. De leerproblemen kunnen niet beter verklaar worden door verstandelijke
beperkingen, niet-gecorrigeerde visus- of gehoorstoornissen, andere
psychische of neurologische stoornissen, psychosociale tegenslagen,
gebrekkige beheersing van de taal waarin het onderwijs gegeven wordt, of
inadequaat onderricht.
De ICD-11 plaatst dyslexie ook in de categorie neurobiologische
ontwikkelingsstoornissen en definieert dyslexie als een leerstoornis met een
beperking in het lezen die gekenmerkt wordt door significante en hardnekkige
problemen in academische vaardigheden gerelateerd aan lezen, zoals nauwkeurig
lezen van woord en leesvloeiendheid.
Een andere veelgebruikte definitie van dyslexie wordt gegeven door de
International Dyslexia Association. Deze definitie stelt dat dyslexie een
specifieke leerstoornis is met een neurobiologische oorsprong. Dyslexie wordt
gekarakteriseerd door problemen met nauwkeurig en/of vloeiend lezen en zwakke
4
, spelling- en decodeervaardigheden. Secundaire gevolgen die kunnen optreden zijn
problemen met leesbegrip en beperkte leeservaring.
Binnen Nederland zijn daarnaast de omschrijvingen door de Stichting Dyslexie
Nederland (SDN) en vanuit het protocol diagnose en behandeling (PDDB).
De SDN definieert dyslexie als ‘een specifieke leerstoornis die zich kenmerkt door
een hardnekkig probleem in het aanleren van accuraat en vlot lezen en/of spellen
op woordniveau, dat niet het gevolg is van omgevingsfactoren en/of lichamelijke,
neurobiologische of algemene verstandelijke beperking’. In het PDDB wordt
dyslexie beschreven als een ‘subtiele stoornis in de ontwikkeling van de hersenen
op basis van er aanleg voor hebben’.
1.2 ERNSTIGE DYSLEXIE (ED)
Het CVZ heeft de conclusie getrokken dat de zorg voor jeugdigen met Ernstige
Enkelvoudige Dyslexie (Ernstige Dyslexie) noodzakelijk zorg is. Het CVZ baseerde
deze conclusie op de volgende punten:
1. Dyslexie is een medisch probleem
2. Een specifieke behandeling kan verbetering in het functioneren brengen
3. Ernstige Enkelvoudige Dyslexie in de praktijk goed af te bakenen is van
mildere vormen van dyslexie en andersoortige problemen.
4. Er is een gespecialiseerde ondersteuning en behandeling vanuit de zorg
nodig.
1.3 DYSLEXIE VOLGENS HET SOCIALE MODEL
Het sociale model identificeert barrières, negatieve houdingen en uitsluiting door
de maatschappij. Wetenschappers die vanuit het sociale model redeneren, zien de
maatschappij als de belangrijkste oorzaak van de ervaren beperkingen. Vanuit het
sociale perspectief kijkt men dus niet zozeer naar individuele beperkingen, maar
naar de barrières die binnen instituties worden opgeworpen. Het gaat er hierbij
om, om deze barrières weg te nemen, door instituties op hun verantwoordelijkheid
te wijzen.
1.4 DYSLEXIE VOLGENS HET BIOPSYCHOSOCIALE MODEL: ICF
In het ICF-model staat de leerstoornis dyslexie niet op zichzelf, maar is ze ingebed
in een biopsychosociaal model. Het model biedt de mogelijkheid om verschillende
definities en verklaringsmodellen naast elkaar te gebruiken. Dit model kijkt verder
dan de stoornis of ziekte op zich.
5
Minor dyslexie signalering en
begeleiding
1
,Inhoudsopgave
Brede vakinhoudelijke richtlijn dyslexie.................................................................................4
Hoofdstuk 1:....................................................................................................................... 4
1.1 Definities van dyslexie.............................................................................................. 4
1.2 Ernstige dyslexie (ED)............................................................................................... 5
1.3 Dyslexie volgens het sociale model...........................................................................5
1.4 Dyslexie volgens het biopsychosociale model: ICF....................................................5
1.5 Symptomen van dyslexie.......................................................................................... 6
1.6 Verklaringsmodellen voor dyslexie............................................................................8
1.7 Comborditeit en alternative verklaringen voor lees- en/of spellingproblemen..........8
1.8 Hoogbegaafdheid en dyslexie...................................................................................8
Hoofdstuk 2........................................................................................................................ 9
2.1 Signalering in verschillende onderwijsfasen..............................................................9
2.2 Signalering door toetsing, observatie en monitoring.................................................9
Hoofdstuk 3...................................................................................................................... 11
3.1 Het diagnostisch proces..........................................................................................11
Tussendoelen beginnende geletterdheid.............................................................................14
Overzicht tussendoelen gevorderde geletterdheid..............................................................16
Kind en taal......................................................................................................................... 21
Wat is taal?....................................................................................................................... 21
Taalinhoud.................................................................................................................... 21
Taalverwerving.............................................................................................................. 21
Taalgebruik................................................................................................................... 22
Taalvorm....................................................................................................................... 22
Taalontwikkeling.............................................................................................................. 23
0 tot 6 maanden............................................................................................................ 23
6 tot 12 maanden.......................................................................................................... 23
1 jaar............................................................................................................................. 24
18 tot 24 maanden........................................................................................................ 24
2 tot 3 jaar.................................................................................................................... 24
3 tot 4 jaar.................................................................................................................... 25
Taal en lezen.................................................................................................................... 25
Het belang van leren lezen............................................................................................25
Wanneer beginnen?...................................................................................................... 25
Kennis maken met geschreven taal..............................................................................26
Voorlezen......................................................................................................................... 26
2
,Handelingsgericht werken................................................................................................... 28
Hoofdstuk 2...................................................................................................................... 28
2.1 Inleiding.................................................................................................................. 28
2.2 HGW is doelgericht.................................................................................................. 28
2.3 Het gaat om wisselwerking en afstemming.............................................................29
2.4 Onderwijsbehoeften staan centraal.........................................................................30
2.5 Leerkrachten maken het verschil, ouders doen er evenzeer toe.............................31
2.6 Positieve aspecten van leerlingen, leerkrachten en ouders zijn van groot belang...32
2.7 Betrokkenen werken constructief samen................................................................34
2.8 De werkwijze is systematisch en transparant..........................................................36
2.9 Ter afronding........................................................................................................... 37
Kennisclips........................................................................................................................... 38
3
,BREDE VAKINHOUDELIJKE RICHTLIJN DYSLEXIE
HOOFDSTUK 1:
Lezen en spellen zijn cruciale vaardigheden om te kunnen functioneren in onze
samenleving. Er wordt gezegd dat ongeveer 10-15% van de volwassen
Nederlanders laaggeletterd is.
1.1 DEFINITIES VAN DYSLEXIE
Er zijn verschillende definities van dyslexie. Deze definities komen in grote lijnen
met elkaar overeen. Bij alle definities wordt gezegd dat dyslexie wordt gezien als
een lees- en/of spellingprobleem dat ernstig en hardnekkig is en dat
gedifferentieerd dient te worden van laaggeletterdheid als gevolg van een
gebrekkig onderwijsaanbod en als gevolg van een bredere omgevings-,
neurologische, sensorische en/of gedragsproblematiek of verstandelijke
beperkingen. Er zijn ook verschillen tussen de definities:
- Sommige definities benoemen ook de onderliggende problemen, terwijl
andere definities hier niet naar kijken.
- Bij andere definities is leesproblemen noodzakelijk voor de diagnose.
In de DSM-5 is er geen specifieke categorie voor dyslexie opgenomen, maar wordt
dyslexie gerangschikt en gedefinieerd binnen de categorie ‘specifieke
leerstoornis’, met als specificatie ‘beperking’ in het woordlezen en/of
spellingvaardigheden. Bij de DSM-5 valt dyslexie onder de neurobiologische
ontwikkelingsstoornissen. Als de criteria van een ‘specifieke leerstoornis’ uit de
DSM-5 toegepast worden op het fenomeen dyslexie als volgt worden gedefinieerd:
1. Moeite met het aanleren en gebruiken van lees- en/of spellingvaardigheden.
Er moet minstens 1 van de volgende symptomen gedurende minstens zes
maanden aanwezig zijn.
a. Onnauwkeurig of langzaam en moeizaam lezen van woorden
b. Moeite met spelling
2. De schoolse vaardigheden zijn substantieel en meetbaar slechter ontwikkeld
dan gezien de kalenderleeftijd verwacht mag worden van het kind. Dit heeft
dan een negatieve invloed op de schoolresultaten en werkprestaties.
3. De leerproblemen beginnen tijdens de schooljaren. Deze komen pas tot
uiting op het moment dat de betreffende schoolse vaardigheden zwaarder
belast worden dan dat het kind aankan.
4. De leerproblemen kunnen niet beter verklaar worden door verstandelijke
beperkingen, niet-gecorrigeerde visus- of gehoorstoornissen, andere
psychische of neurologische stoornissen, psychosociale tegenslagen,
gebrekkige beheersing van de taal waarin het onderwijs gegeven wordt, of
inadequaat onderricht.
De ICD-11 plaatst dyslexie ook in de categorie neurobiologische
ontwikkelingsstoornissen en definieert dyslexie als een leerstoornis met een
beperking in het lezen die gekenmerkt wordt door significante en hardnekkige
problemen in academische vaardigheden gerelateerd aan lezen, zoals nauwkeurig
lezen van woord en leesvloeiendheid.
Een andere veelgebruikte definitie van dyslexie wordt gegeven door de
International Dyslexia Association. Deze definitie stelt dat dyslexie een
specifieke leerstoornis is met een neurobiologische oorsprong. Dyslexie wordt
gekarakteriseerd door problemen met nauwkeurig en/of vloeiend lezen en zwakke
4
, spelling- en decodeervaardigheden. Secundaire gevolgen die kunnen optreden zijn
problemen met leesbegrip en beperkte leeservaring.
Binnen Nederland zijn daarnaast de omschrijvingen door de Stichting Dyslexie
Nederland (SDN) en vanuit het protocol diagnose en behandeling (PDDB).
De SDN definieert dyslexie als ‘een specifieke leerstoornis die zich kenmerkt door
een hardnekkig probleem in het aanleren van accuraat en vlot lezen en/of spellen
op woordniveau, dat niet het gevolg is van omgevingsfactoren en/of lichamelijke,
neurobiologische of algemene verstandelijke beperking’. In het PDDB wordt
dyslexie beschreven als een ‘subtiele stoornis in de ontwikkeling van de hersenen
op basis van er aanleg voor hebben’.
1.2 ERNSTIGE DYSLEXIE (ED)
Het CVZ heeft de conclusie getrokken dat de zorg voor jeugdigen met Ernstige
Enkelvoudige Dyslexie (Ernstige Dyslexie) noodzakelijk zorg is. Het CVZ baseerde
deze conclusie op de volgende punten:
1. Dyslexie is een medisch probleem
2. Een specifieke behandeling kan verbetering in het functioneren brengen
3. Ernstige Enkelvoudige Dyslexie in de praktijk goed af te bakenen is van
mildere vormen van dyslexie en andersoortige problemen.
4. Er is een gespecialiseerde ondersteuning en behandeling vanuit de zorg
nodig.
1.3 DYSLEXIE VOLGENS HET SOCIALE MODEL
Het sociale model identificeert barrières, negatieve houdingen en uitsluiting door
de maatschappij. Wetenschappers die vanuit het sociale model redeneren, zien de
maatschappij als de belangrijkste oorzaak van de ervaren beperkingen. Vanuit het
sociale perspectief kijkt men dus niet zozeer naar individuele beperkingen, maar
naar de barrières die binnen instituties worden opgeworpen. Het gaat er hierbij
om, om deze barrières weg te nemen, door instituties op hun verantwoordelijkheid
te wijzen.
1.4 DYSLEXIE VOLGENS HET BIOPSYCHOSOCIALE MODEL: ICF
In het ICF-model staat de leerstoornis dyslexie niet op zichzelf, maar is ze ingebed
in een biopsychosociaal model. Het model biedt de mogelijkheid om verschillende
definities en verklaringsmodellen naast elkaar te gebruiken. Dit model kijkt verder
dan de stoornis of ziekte op zich.
5